ECLI:NL:RBDHA:2026:20720

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
10 juli 2026
Publicatiedatum
24 juli 2026
Zaaknummer
C/09/708603 / KG RK 26-1044
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Wraking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 39 Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkheid van tweede wrakingsverzoek wegens te late indiening en misbruik van recht

Verzoekster diende twee wrakingsverzoeken in tegen de kantonrechter in een civiele zaak tussen haar en de Staat der Nederlanden. Het eerste verzoek werd op 29 juni 2026 afgewezen na behandeling op 15 juni 2026. Het tweede verzoek, ingediend op 2 juli 2026, bevatte deels dezelfde gronden als het eerste en werd als te laat beschouwd.

De wrakingskamer oordeelde dat de gronden van het tweede verzoek vooral betrekking hadden op de wijze waarop de rechter de zitting van 4 mei 2026 had behandeld. Omdat deze omstandigheden reeds bekend waren bij verzoekster en reeds in het eerste verzoek aan de orde waren gesteld, was het tweede verzoek niet ontvankelijk. Tevens werd vastgesteld dat het indienen van het tweede verzoek kort na de afwijzing van het eerste verzoek leidde tot onredelijke vertraging en misbruik van recht.

De wrakingskamer besloot daarom het tweede wrakingsverzoek niet-ontvankelijk te verklaren, het proces in de hoofdzaak voort te zetten zoals het was ten tijde van het wrakingsverzoek, en een wrakingsverbod op te leggen voor toekomstige verzoeken in deze zaak. Een mondelinge behandeling werd niet noodzakelijk geacht. Tegen deze beslissing is geen rechtsmiddel mogelijk.

Uitkomst: Het tweede wrakingsverzoek is niet-ontvankelijk verklaard en een wrakingsverbod is opgelegd voor toekomstige verzoeken in deze zaak.

Uitspraak

Rechtbank den haag

Wrakingskamer
wrakingnummer 2026/47
zaak- /rekestnummer: C/09/708603 / KG RK 26-1044
Beslissing van 10 juli 2026
van de meervoudige wrakingskamer van de rechtbank op het verzoek van
[verzoekster],
wonende te [woonplaats],
hierna te noemen: verzoekster,
gemachtigde: [gemachtigde],
strekkende tot de wraking van
mr. F.A.M. Veraart,
kantonrechter in deze rechtbank,
hierna te noemen: de rechter.

1.Het wrakingsverzoek

1.1.
Het verzoek strekt tot wraking van de rechter in de zaak met nummer 12068924 \ RL EXPL 26-2005 tussen verzoekster en de Staat der Nederlanden, ministerie van Justitie en Veiligheid. In die zaak is op 4 mei 2026 zitting gehouden.
1.2.
Verzoekster heeft op 5 mei 2026 een schriftelijk wrakingsverzoek gedaan (hierna: het eerste wrakingsverzoek), dat op 15 juni 2026 te zitting is behandeld. De wrakingskamer heeft dat wrakingsverzoek op 29 juni 2026 afgewezen. Verzoekster en haar gemachtigde hebben per brief d.d. 1 juli 2026, die op 2 juli 2026 per e-mail is gestuurd, een tweede wrakingsverzoek ingediend. In de brief staat vermeld dat er nieuwe informatie beschikbaar is gekomen tijdens de behandeling van het eerste wrakingsverzoek en dat met het indienen van het tweede wrakingsverzoek is gewacht op de beslissing op het eerste wrakingsverzoek.

2.De beoordeling

2.1.
Een rechter kan alleen gewraakt worden als zich omstandigheden voordoen waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden. Daarvan is sprake als de rechter jegens een procesdeelnemer vooringenomen is of als de vrees daarvoor objectief gerechtvaardigd is. Daarbij is het uitgangspunt dat een rechter wordt vermoed onpartijdig te zijn omdat hij of zij als rechter is aangesteld. Voor het oordeel dat de rechterlijke onpartijdigheid toch schade lijdt, bestaat alleen grond in geval van bijzondere omstandigheden die een zwaarwegende aanwijzing opleveren voor het aannemen van (de objectief gerechtvaardigde schijn van) partijdigheid. Uit de wet volgt verder dat een verzoek tot wraking moet worden ingediend zodra de omstandigheden die daaraan ten grondslag liggen aan de verzoeker bekend zijn geworden.
2.2.
De wrakingskamer stelt vast dat verzoekster in het tweede wrakingsverzoek aan de hand van een artikel in een krant en een rapport van de algemene rekenkamer aanvoert dat zij in de onderliggende zaak het gelijk aan haar zijde heeft. Vervolgens bevat het tweede wrakingsverzoek de volgende tekst:
“Als de kantonrechter (…) tijdens de behandeling vervolgens het bovenstaande volledig naast zich neerlegt, zonder enige uitleg, de burgerslachtoffers schoffeert en bovendien zelfs nalaat de partijen de kans te geven er onderling uit te komen, dan is de farce compleet.
Zo de kantonrechter immers niet op de hoogte zou zijn van de ernstige misstanden in het opvolgen van grote aantallen aangiften door politie en O.M: deze instanties zelf zijn daar natuurlijk volledig van doordrongen. Daarom was het te verwachten dat er bereidheid aanwezig was bij gedaagde om eiser tegemoet te komen. Dit was tijdens de zitting ook al overduidelijk gebleken uit de opstelling van de gedaagde m.b.t. het verwijt “consequent bagatelliseren”. De juistheid van dit deel van de aanklacht had gedaagde tijdens de zitting zelf al toegegeven.
Het is daarom niets minder dan dubieus wanneer de kantonrechter, in een civielrechtelijk geding, meent hier een stokje voor te moeten steken. Helemaal als niet eens de moeite wordt genomen dit te motiveren. Wij zijn er dan ook, meer dan ooit, van overtuigd dat dit optreden van [de rechter] niet door de beugel kan en dat de heden nieuw aangeleverde feiten dit bevestigen.
Het partijdig zijn van [de rechter] gaat zelfs verder dan “de schijn” ervan.
Als dergelijke “rechtspraak” wordt beschouwd “niets mis mee” te zijn dan is dat helaas de bevestiging dat in “rechtsstaat” Nederland het gras al bij voorbaat dus-danig voor de voeten van de burgers is weggemaaid dat de stap naar de rechter al bij voorbaat volkomen kansloos is.
Waarmee zal zijn bevestigd dat de “rechtsstaat Nederland” een grote farce is.
Wij hopen echter hartstochtelijk dat dit niet het geval zal blijken te zijn.”
De wrakingskamer stelt daarmee vast dat de door verzoekster aangevoerde wrakingsgronden betrekking hebben op de manier waarop de rechter op 4 mei 2026 de zitting heeft behandeld.
2.3.
Het op 2 juli 2026 binnengekomen verzoek tot wraking is daarmee te laat ingediend. De twee genoemde omstandigheden die bekend zijn geworden
naeen zitting geven geen aanleiding om tot de conclusie te komen dat sprake is van (schijn van) partijdigheid
opdie zitting en geven evenmin aanleiding om het tijdsverloop te rechtvaardigen. Bovendien heeft verzoekster in het eerste wrakingsverzoek het optreden van de rechter tijdens de zitting van 4 mei 2026 aan de orde gesteld en heeft de wrakingskamer op 29 juni 2026 op dat verzoek een beslissing genomen. Gelet op het voorgaande kan verzoekster niet in het wrakingsverzoek worden ontvangen en zal verzoekster niet-ontvankelijk in haar verzoek tot wraking worden verklaard.
2.4.
Voor een behandeling van het verzoek ter terechtzitting bestaat geen reden. Het in de wet opgenomen recht op een mondelinge behandeling is door de wetgever bedoeld voor het debat over de gegrondheid van het verzoek, maar aan dat debat wordt gezien het vorenstaande niet toegekomen.
2.5.
Verzoekster heeft in deze procedure nu twee wrakingsverzoeken ingediend die niet zijn gehonoreerd, die zijn gegrond op het optreden van de rechter op dezelfde zitting en die hebben geleid tot onredelijke vertraging van de rechtspleging. Het tweede wrakingsverzoek is ingediend enkele dagen na de beslissing op het eerste wrakingsverzoek. Naar het oordeel van de wrakingskamer is daarmee sprake van misbruik. De wrakingskamer zal daarom bepalen dat een volgend verzoek tot wraking in deze zaak niet meer in behandeling zal worden genomen.

3.De beslissing

De wrakingskamer:
3.1.
verklaart verzoekster niet-ontvankelijk in haar verzoek tot wraking;
3.2.
bepaalt dat het proces in de hoofdzaak wordt voortgezet in de stand waarin het zich bevond ten tijde van het indienen van het wrakingsverzoek;
3.3.
bepaalt dat een volgend wrakingsverzoek in deze zaak niet in behandeling zal worden genomen;
3.4.
beveelt dat (een afschrift van) deze beslissing met inachtneming van het bepaalde bij artikel 39, derde lid, van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering wordt toegezonden aan:
• verzoekster p/a haar gemachtigde;
• de wederpartij in de hoofdzaak;
• de rechter.
Deze beslissing is gegeven door mrs. S.M. Krans, M.F. Baaij en A.M. Boogers, in tegenwoordigheid van de griffier mr. E.M.C. Mulders en in het openbaar uitgesproken op 10 juli 2026.
de griffier de voorzitter
Tegen deze beslissing staat geen rechtsmiddel open.