ECLI:NL:RBDHA:2026:20715
Rechtbank Den Haag
- Voorlopige voorziening
- Rechtspraak.nl
Toewijzing voorlopige voorziening tegen uitzetting in vreemdelingenzaak
Verzoeker, van Turkse nationaliteit, diende een aanvraag voor een verblijfsvergunning in die door de minister van Asiel en Migratie op 6 september 2024 werd afgewezen. Verzoeker maakte bezwaar tegen dit besluit en vroeg de voorzieningenrechter om een voorlopige voorziening om uitzetting te voorkomen totdat op het bezwaar was beslist.
De voorzieningenrechter oordeelde dat op grond van artikel 8:81 van Pro de Awb een voorlopige voorziening kan worden getroffen indien onverwijlde spoed dat vereist. De minister stelde zich niet verzet tegen de toewijzing van de voorziening. Gezien het niet in geschil zijn dat uitzetting moet worden voorkomen, werd het verzoek als kennelijk gegrond beoordeeld.
De voorzieningenrechter verbood de minister de verzoeker uit te zetten tot vier weken na de beslissing op het bezwaar. Tevens werd de minister veroordeeld tot vergoeding van het betaalde griffierecht en de proceskosten van verzoeker, vastgesteld op € 934,-.
Uitkomst: De voorzieningenrechter verbiedt de minister de verzoeker uit te zetten tot vier weken na beslissing op bezwaar.