ECLI:NL:RBDHA:2026:20715

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
22 juli 2026
Publicatiedatum
24 juli 2026
Zaaknummer
NL24.38959
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:81 AwbArt. 8:83 AwbBesluit proceskosten bestuursrecht
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Toewijzing voorlopige voorziening tegen uitzetting in vreemdelingenzaak

Verzoeker, van Turkse nationaliteit, diende een aanvraag voor een verblijfsvergunning in die door de minister van Asiel en Migratie op 6 september 2024 werd afgewezen. Verzoeker maakte bezwaar tegen dit besluit en vroeg de voorzieningenrechter om een voorlopige voorziening om uitzetting te voorkomen totdat op het bezwaar was beslist.

De voorzieningenrechter oordeelde dat op grond van artikel 8:81 van Pro de Awb een voorlopige voorziening kan worden getroffen indien onverwijlde spoed dat vereist. De minister stelde zich niet verzet tegen de toewijzing van de voorziening. Gezien het niet in geschil zijn dat uitzetting moet worden voorkomen, werd het verzoek als kennelijk gegrond beoordeeld.

De voorzieningenrechter verbood de minister de verzoeker uit te zetten tot vier weken na de beslissing op het bezwaar. Tevens werd de minister veroordeeld tot vergoeding van het betaalde griffierecht en de proceskosten van verzoeker, vastgesteld op € 934,-.

Uitkomst: De voorzieningenrechter verbiedt de minister de verzoeker uit te zetten tot vier weken na beslissing op bezwaar.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Amsterdam
Bestuursrecht
Zaaknummer: NL24.38959
V-nummer: [v-nummer]

uitspraak van voorzieningenrechter in de zaak tussen

[verzoeker] ,

geboren op [geboortedag] 1982, van Turkse nationaliteit, verzoeker
(gemachtigde: mr. B. Aydin),
en

de minister van Asiel en Migratie, de minister

(gemachtigde: [gemachtigde] ).

Procesverloop

1. Bij besluit van 6 september 2024 (het bestreden besluit) heeft de minister de aanvraag van verzoeker voor een verblijfsvergunning afgewezen. Op 4 oktober 2024 heeft verzoeker tegen het bestreden besluit bezwaar gemaakt en op 23 oktober 2024 heeft verzoeker de voorzieningenrechter gevraagd om een voorlopige voorziening te treffen die ertoe strekt dat hij niet wordt uitgezet totdat de minister op het bezwaar heeft beslist.
2. De voorzieningenrechter doet op grond van artikel 8:83, derde lid, van de Awb [1] uitspraak zonder zitting.

Overwegingen

3. Op grond van artikel 8:81 van Pro de Awb kan hangende een bezwaarprocedure de voorzieningenrechter van de rechtbank op verzoek een voorlopige voorziening treffen als onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.
4. Op 16 juli 2026 heeft de minister de voorzieningenrechter laten weten dat hij zich niet verzet tegen toewijzing van de gevraagde voorlopige voorziening.
5. Tussen partijen is niet in geschil dat in de bezwaarprocedure van uitzetting van verzoeker moet worden afgezien. De voorzieningenrechter ziet daarom aanleiding het verzoek om een voorlopige voorziening toe te wijzen als kennelijk gegrond en de uitzetting te verbieden tot vier weken nadat op het bezwaar is beslist.
6. Omdat het verzoek wordt toegewezen, bepaalt de voorzieningenrechter dat de minister het door verzoeker betaalde griffierecht aan hem vergoedt. De voorzieningenrechter veroordeelt de minister in de door verzoeker gemaakte proceskosten. Deze proceskosten stelt de voorzieningenrechter op grond van het bepaalde in het Bpb [2] voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 934,- (1 punt voor het indienen van het verzoekschrift met een waarde per punt € 934,- en wegingsfactor 1).

Beslissing

De voorzieningenrechter:
- wijst het verzoek om een voorlopige voorziening toe in die zin dat de minister wordt verboden verzoeker uit te zetten tot vier weken nadat op het bezwaarschrift is beslist;
- draagt de minister op het betaalde griffierecht van € 187,- aan verzoeker te vergoeden;
- veroordeelt de minister tot betaling van € 934,- aan proceskosten aan verzoeker.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M.B. de Boer, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. K.C. van der Vegt, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.

Voetnoten

1.Algemene wet bestuursrecht.
2.Besluit proceskosten bestuursrecht.