ECLI:NL:RBDHA:2026:20714
Rechtbank Den Haag
- Voorlopige voorziening
- Rechtspraak.nl
Toewijzing voorlopige voorziening tegen uitzetting in vreemdelingenzaak
Verzoekster, van Ghanese nationaliteit, had een aanvraag voor een verblijfsvergunning ingediend die door de minister van Asiel en Migratie op 13 januari 2026 werd afgewezen. Tegen dit besluit maakte zij bezwaar en verzocht zij de voorzieningenrechter om een voorlopige voorziening om uitzetting te voorkomen totdat op het bezwaar was beslist.
De voorzieningenrechter oordeelde dat de minister zich niet verzette tegen de toewijzing van de voorlopige voorziening. Gezien de belangen en de bezwaarprocedure werd het verzoek als kennelijk gegrond beschouwd. De uitzetting van verzoekster werd daarom verboden tot vier weken na de beslissing op het bezwaar.
Daarnaast werd de minister veroordeeld tot betaling van de proceskosten van verzoekster, vastgesteld op € 934,-. De uitspraak werd gedaan zonder zitting en is onherroepelijk, aangezien tegen deze uitspraak geen hoger beroep of verzet openstaat.
Uitkomst: De voorzieningenrechter verbiedt de minister om verzoekster uit te zetten totdat op het bezwaar is beslist en veroordeelt de minister tot betaling van proceskosten.