ECLI:NL:RBDHA:2026:20711
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Ongegrond verklaring beroep tegen voortduren vreemdelingenbewaring en afwijzing schadevergoeding
Eiser is onder vreemdelingenbewaring gesteld op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000. Hij betwist het voortduren van deze maatregel en verzoekt tevens om schadevergoeding. De rechtbank beoordeelt of de minister voldoende voortvarend heeft gehandeld bij de verwijdering van eiser en of de maatregel rechtmatig is.
Eiser stelt dat de minister onvoldoende voortvarend is omdat hij op 9 juli 2026 door een luchtvaartmaatschappij werd geweigerd vanwege een vermeende plaatsing op een 'zwarte lijst'. Volgens eiser had de minister deze informatie moeten kennen en had dit niet tot vertraging mogen leiden. De rechtbank oordeelt echter dat het feit dat eiser eerder is overgedragen niet automatisch betekent dat hij op een zwarte lijst staat. Bovendien delen luchtvaartmaatschappijen deze lijsten niet vanwege privacy.
Verder blijkt uit het dossier dat na het eerste vertrekgesprek op 2 juli 2026 nog een tweede gesprek op 15 juli 2026 heeft plaatsgevonden, waarbij eiser op de hoogte was van de reden van de vertraging. De rechtbank concludeert dat de minister voldoende voortvarend en zorgvuldig heeft gehandeld. De toepassing en tenuitvoerlegging van de bewaring zijn niet in strijd met de wet. Het beroep wordt ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
Uitkomst: Het beroep tegen het voortduren van vreemdelingenbewaring is ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding is afgewezen.