ECLI:NL:RBDHA:2026:2064

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
3 februari 2026
Publicatiedatum
6 februari 2026
Zaaknummer
26/62
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:41 AwbArt. 8:82 AwbArt. 8:83 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verzoek om voorlopige voorziening tegen gebiedsverbod niet-ontvankelijk wegens niet-betaling griffierecht

Verzoekster heeft een voorlopige voorziening gevraagd tegen het door de burgemeester van Lisse aan haar zoon opgelegde gebiedsverbod. De voorzieningenrechter beoordeelt dit verzoek zonder zitting vanwege de kennelijke niet-ontvankelijkheid.

De kern van de beoordeling betreft de betaling van het griffierecht van € 200,-. Verzoekster is door de griffier per aangetekende brief op 7 januari 2026 in de gelegenheid gesteld het griffierecht binnen twee weken te voldoen. De brief is op 9 januari 2026 ontvangen, maar verzoekster heeft het griffierecht niet tijdig betaald.

Verzoekster heeft geen reden opgegeven voor het verzuim en heeft ook niet gereageerd op meerdere verzoeken om aanvullende informatie. Hierdoor is het verzoek kennelijk niet-ontvankelijk verklaard, zodat de voorzieningenrechter het verzoek niet inhoudelijk heeft beoordeeld. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening is niet-ontvankelijk verklaard wegens niet-tijdige betaling van het griffierecht.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG
Bestuursrecht
zaaknummer: SGR 26/62

uitspraak van de voorzieningenrechter van 3 februari 2026 in de zaak tussen

[verzoekster] , uit [woonplaats] , verzoekster

en

de burgemeester van Lisse, verweerder.

Inleiding

1. In deze uitspraak beslist de voorzieningenrechter op het verzoek om een voorlopige voorziening van verzoekster tegen het door verweerder aan haar zoon opgelegde gebiedsverbod. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.
1.1.
Omdat het verzoek kennelijk niet-ontvankelijk is, doet de voorzieningenrechter uitspraak zonder zitting. Artikel 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk. De voorzieningenrechter legt hierna uit waarom het verzoek kennelijk niet-ontvankelijk is.

Beoordeling door de voorzieningenrechter

Toetsingskader
2. Iemand die een verzoek om voorlopige voorziening indient, moet griffierecht betalen. [1] In een zaak als deze is het griffierecht € 200,-. De griffier van de rechtbank stelt een termijn waarbinnen het griffierecht moet worden betaald. Dat betekent in dit verband dat het hele bedrag binnen die termijn is bijgeschreven op de rekening van de rechtbank of dat het binnen die termijn is betaald op de griffie van de rechtbank. Als het griffierecht niet of niet tijdig wordt betaald, verklaart de voorzieningenrechter het verzoek niet-ontvankelijk. Dat is alleen anders als het niet of niet tijdig betalen van het griffierecht verontschuldigbaar is.
Heeft verzoekster het griffierecht tijdig betaald?
2.1.
De griffier heeft bij aangetekend verzonden brief van 7 januari 2026 verzoekster in de gelegenheid gesteld het griffierecht te betalen binnen twee weken na dagtekening van die brief. Uit informatie van PostNL is gebleken dat de aangetekend verzonden brief op 9 januari 2026 om 11:30 uur is bezorgd en dat voor ontvangst is getekend. Verzoekster heeft het griffierecht niet op tijd betaald.
Is het niet tijdig betalen verontschuldigbaar?
2.2.
Verzoekster heeft geen reden gegeven voor dit verzuim. Er is dus geen verontschuldiging voor dit verzuim gebleken. Daarbij merkt de voorzieningenrechter op dat verzoekster ook niet heeft gereageerd op de ontvangstbevestiging die haar op 7 januari 2026 per e-mail is gestuurd. Daarin is haar gevraagd om informatie te overleggen omdat het verzoekschrift niet voldoet aan de voorwaarden. De ontvangstbevestiging is haar op 20 januari 2026 nogmaals per e-mail en per post gestuurd. Ook hierop heeft zij niet gereageerd.

Conclusie en gevolgen

3. Het verzoek is daarom kennelijk niet-ontvankelijk. Dat betekent dat de voorzieningenrechter het verzoek niet inhoudelijk beoordeelt. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De voorzieningenrechter verklaart het verzoek om voorlopige voorziening niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door mr. D.C. Laagland, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. E. van den Nieuwendijk, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 3 februari 2026.
griffier
voorzieningenrechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.

Voetnoten

1.Dit is geregeld in artikel 8:82 van Pro de Awb in samenhang met artikel 8:41 van Pro de Awb.