ECLI:NL:RBDHA:2026:20609
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing voorlopige voorziening tegen niet in behandeling nemen asielaanvraag wegens Dublinverantwoordelijkheid
Verzoeker, van Gambiaanse nationaliteit, diende een aanvraag in voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd bij de Nederlandse minister van Asiel en Migratie. Op 3 juni 2026 nam de minister deze aanvraag niet in behandeling omdat Duitsland verantwoordelijk werd geacht voor de behandeling van de asielaanvraag op grond van de Dublinverordening.
Verzoeker stelde hiertegen beroep in en verzocht tevens om een voorlopige voorziening. De voorzieningenrechter behandelde het verzoek zonder zitting en stelde vast dat de rechtbank op dezelfde dag uitspraak had gedaan op het beroep. Hierdoor was een voorlopige voorziening niet langer noodzakelijk.
De voorzieningenrechter concludeerde dat er geen aanleiding was voor een proceskostenveroordeling en wees het verzoek om voorlopige voorziening af. Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.
Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening tegen het niet in behandeling nemen van de asielaanvraag is afgewezen.