ECLI:NL:RBDHA:2026:20589
Rechtbank Den Haag
- Voorlopige voorziening
- L.J. van der Veen
- Rechtspraak.nl
Afwijzing voorlopige voorziening in Dublin-procedure asielaanvraag
Verzoeker, een Iraakse nationaliteit, had een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. De minister van Asiel en Migratie besloot op 8 juni 2026 om deze aanvraag niet in behandeling te nemen, omdat Duitsland verantwoordelijk werd geacht voor de behandeling van de asielaanvraag op grond van de Dublin-verordening.
Verzoeker stelde beroep in tegen dit besluit en verzocht tevens om een voorlopige voorziening. De voorzieningenrechter behandelde het verzoek samen met het beroep op 16 juli 2026 tijdens een zitting in Groningen, waarbij verzoeker werd bijgestaan door een gemachtigde en een tolk aanwezig was. De minister werd vertegenwoordigd door zijn gemachtigde.
De voorzieningenrechter oordeelde dat nu de rechtbank op dezelfde dag uitspraak deed op het beroep, een voorlopige voorziening niet langer noodzakelijk was. Daarom werd het verzoek om een voorlopige voorziening afgewezen. Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.
Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening wordt afgewezen omdat de rechtbank op dezelfde dag uitspraak deed op het beroep.