ECLI:NL:RBDHA:2026:20568

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
20 juli 2026
Publicatiedatum
23 juli 2026
Zaaknummer
NL25.28831
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 4.39 VbArt. 50 VwArt. 50a VwVreemdelingenwet 2000Vreemdelingenbesluit 2000
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging terugkeerbesluit en inreisverbod voor onrechtmatig verblijf

Eiser, van Oezbeekse nationaliteit, is met een verlopen visum via Duitsland Nederland binnengekomen en verblijft onrechtmatig. Verweerder heeft op 3 juni 2025 een terugkeerbesluit en een inreisverbod van twee jaar opgelegd. Eiser betoogt procedureel rechtmatig verblijf in Polen en onvoldoende motivering van het onttrekkingsrisico, maar slaagt niet in zijn bewijs- en motiveringsplicht.

De rechtbank oordeelt dat eiser onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat hij rechtmatig in Polen verblijft en dat het risico op onttrekking aan toezicht voldoende is gemotiveerd door verweerder. Ook is geen sprake van belangen die het inreisverbod zouden moeten opheffen. Het beroep tegen het besluit wordt ongegrond verklaard.

Daarnaast is een beroepsgrond gericht tegen de bevoegdheid tot onderzoek aan kleding en zaken van eiser verworpen omdat deze niet relevant is voor het terugkeerbesluit of inreisverbod. De rechtbank wijst het beroep af en veroordeelt eiser niet in de proceskosten.

Uitkomst: Het beroep tegen het terugkeerbesluit en het inreisverbod wordt ongegrond verklaard.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Amsterdam
Bestuursrecht
Zaaknummer: NL25.28831
V-nummer: [V-nummer]

uitspraak van de enkelvoudige kamer voor vreemdelingenzaken in de zaak tussen

[eiser] ,

geboren op [geboortedag] 1994, van Oezbeekse nationaliteit, eiser
(gemachtigde: mr. H. Palanciyan),
en

de minister van Asiel en Migratie, verweerder

(gemachtigde: mr. L. den Hollander).

Procesverloop

Met het besluit van 3 juni 2025 (het bestreden besluit) heeft verweerder aan eiser een terugkeerbesluit naar Oezbekistan en een inreisverbod voor de duur van twee jaar opgelegd.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 8 juli 2026. Eiser en zijn gemachtigde zijn, met bericht van verhindering, niet verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. De rechtbank heeft het onderzoek op zitting gesloten.

Overwegingen

Wat is er aan de procedure voorafgegaan?
1. Eiser is met een visum voor Duitsland op 29 augustus 2024 via Praag Europa ingereisd. Zijn visum had een geldigheidsduur van 15 dagen. Op 3 juni 2025 is eiser door de politie aangetroffen bij een controle in een woning in [plaats] .
2. Met het bestreden besluit heeft verweerder aan eiser een terugkeerbesluit naar Oezbekistan en een inreisverbod voor de duur van twee jaar opgelegd. Verweerder stelt zich op het standpunt dat eiser onrechtmatig in Nederland verblijft, omdat hij verklaard heeft dat hij op 2 juni 2025 met een verlopen visum Nederland is ingereisd en daar geen melding van heeft gemaakt bij de korpschef zoals neergelegd in artikel 4.39 van het Vb [1] . Daarnaast beschikt eiser niet over voldoende middelen van bestaan. Verweerder stelt zich verder op het standpunt dat het risico bestaat dat eiser zich aan het toezicht zal onttrekken.
Verweerder heeft als zware gronden vermeld dat eiser:
- Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen, dan wel een poging daartoe gedaan;
- zich in strijd met de vreemdelingenwetgeving gedurende enige tijd aan het toezicht op vreemdelingen heeft onttrokken;
- eerder een visum, besluit, kennisgeving of aanzegging heeft ontvangen waaruit de plicht Nederland te verlaten blijkt en de vreemdeling daaraan niet uit eigen beweging binnen de daarin besloten of gestelde termijn gevolg heeft gegeven;
en als lichte gronden vermeld dat eiser:
- zich niet aan één of meer andere voor de vreemdeling geldende verplichtingen van hoofdstuk 4 heeft gehouden;
- geen vaste woon- of verblijfplaats heeft;
- niet beschikt over voldoende middelen van bestaan.
Procedureel rechtmatig verblijf
3.1.
Eiser voert aan dat hij procedureel rechtmatig verblijf in Polen heeft waardoor geen sprake is van onrechtmatig verblijf in Nederland. Eiser stelt dat verweerder onvoldoende onderzoek heeft gedaan naar zijn verblijfsrecht in Polen. Eiser stelt dat hij bij binnenkomst in Nederland over een geldig paspoort beschikte, met een geldigheidsdatum tot 17 december 2033.
3.2.
De rechtbank overweegt dat eiser enkel gesteld en niet onderbouwd heeft dat hij over een geldig paspoort beschikte en dat hij procedureel rechtmatig verblijf in Polen heeft vanwege een aanvraag voor een verblijfsvergunning. De rechtbank is dan ook van oordeel dat het gestelde tijdelijk verblijfsrecht van eiser in Polen op basis van zijn lopende procedure, wat daar ook van zij, in elk geval niet af doet aan het terugkeerbesluit en daaruit voortvloeiende vertrekplicht. Eiser heeft niet aannemelijk gemaakt dat hij beschikt over een andere verblijfsvergunning of toestemming tot verblijf in Polen. De beroepsgrond slaagt niet.
Onttrekkingsrisico en inreisverbod
4.1.
Eiser voert daarnaast aan dat verweerder onvoldoende heeft gemotiveerd dat het risico bestaat dat eiser zich aan het toezicht zal onttrekken. Eiser stelt dat hij over een geldig nationaal paspoort beschikt, dat hij herhaaldelijk heeft verklaard dat hij als toerist naar Nederland is gekomen en dat hij niet de gelegenheid heeft gehad om zich te melden, omdat hij binnen 24 uur na aankomst in Nederland is aangehouden. Eiser heeft niet eerder een Nederlands besluit ontvangen waaruit de plicht om Nederland te verlaten blijkt.
4.2.
De rechtbank stelt voorop dat niet vaststaat dat eiser sinds 2 juni 2025 in Nederland verblijft, omdat deze stelling enkel gebaseerd is op zijn eigen verklaring. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder voldoende gemotiveerd dat het risico bestaat dat eiser zich aan het toezicht zal onttrekken. Daarbij heeft verweerder onder andere kunnen betrekken dat eiser naar Nederland is gekomen terwijl zijn visum afgegeven door Duitsland ruimschoots was verlopen en dat eiser Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen. Ook heeft verweerder kunnen betrekken dat eiser op 3 juni 2025 door de politie is aangetroffen bij een controle in een woning in [plaats] en dat eiser geen melding heeft gemaakt van zijn illegale verblijf bij de korpschef. Eiser heeft niet onderbouwd wat er niet klopt aan de uitgebreide motivering in het bestreden besluit. De beroepsgrond slaagt niet.
5.1.
Eiser voert vervolgens aan dat verweerder bij het opleggen van het inreisverbod onvoldoende rekening heeft gehouden met zijn belangen.
5.2.
De rechtbank overweegt dat eiser in het kader van het bestreden besluit in de gelegenheid is gesteld zijn zienswijze kenbaar te maken. Uit het proces-verbaal van gehoor van 3 juni 2025 blijkt dat eiser op de vraag van de verbalisant of er nog bijzondere omstandigheden zijn waarom hij zou moeten afzien van het opleggen van een inreisverbod, het volgende heeft geantwoord: “
Dat is goed, ik kom niet terug”. De rechtbank overweegt dat niet gebleken is van enige belangen waarmee verweerder rekening had moeten houden. Daarbij komt dat eiser om opheffing van het inreisverbod kan vragen indien hij rechtmatig verblijf in Polen heeft. De beroepsgrond slaagt niet.
Ophouding
6.1.
Eiser voert ten slotte aan dat de bevoegdheid om onderzoek te doen aan de kleding en zaken van eiser gebaseerd moet worden op artikel 50, vijfde lid, van de Vw [2] en niet op artikel 50a van de Vw. Dit levert een gebrek op.
6.2.
De rechtbank overweegt dat het beroep van eiser ziet op het terugkeerbesluit en het inreisverbod. Het is de rechtbank ambtshalve bekend dat eiser eerder beroep heeft ingesteld tegen de beslissing tot ophouding, maar dat beroep heeft ingetrokken. De rechtbank is van oordeel dat de grond die zich richt tegen de ophouding niet kan slagen, omdat deze niet raakt aan het terugkeerbesluit of inreisverbod.

Conclusie en gevolgen

7. Het beroep is ongegrond. Eiser krijgt geen gelijk.
8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M.B. de Boer, rechter, in aanwezigheid van
mr. H. Belhadi, griffier.
Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen vier weken na de dag waarop dit proces-verbaal is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Vreemdelingenbesluit 2000.
2.Vreemdelingenwet 2000.