ECLI:NL:RBDHA:2026:20562

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
22 juli 2026
Publicatiedatum
23 juli 2026
Zaaknummer
NL26.31363/ NL26.31374
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening+bodemzaak
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 30 VwArt. 17 DublinverordeningArt. 18 DublinverordeningRichtlijn 2013/33/EUEVRM Art. 8
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing beroep tegen niet in behandeling nemen asielaanvraag op grond van Dublinverordening

Eiser, een asielzoeker van Ethiopische nationaliteit, heeft beroep ingesteld tegen het besluit van de minister van Asiel en Migratie om zijn aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel niet in behandeling te nemen. De minister baseerde dit besluit op artikel 30 van Pro de Vreemdelingenwet 2000 en de Dublinverordening, omdat Duitsland verantwoordelijk is voor de behandeling van de asielaanvraag.

Eiser voerde aan dat het interstatelijk vertrouwensbeginsel niet langer geldt vanwege ontoereikende opvangvoorzieningen in Duitsland, slechte leefomstandigheden, gebrek aan medische zorg, discriminatie en het risico op vreemdelingenbewaring. Hij stelde ook dat er sprake zou zijn van indirect refoulement en een schending van artikel 8 EVRM Pro.

De rechtbank oordeelde dat eiser onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat er sprake is van fundamentele systeemfouten in Duitsland die het interstatelijk vertrouwensbeginsel zouden doorbreken. De rechtbank verwees naar eerdere uitspraken waarin dit vertrouwensbeginsel werd bevestigd. Ook het beroep op de discretionaire bevoegdheid van artikel 17 van Pro de Dublinverordening werd verworpen. Het beroep werd ongegrond verklaard en het verzoek om een voorlopige voorziening werd afgewezen.

Uitkomst: Het beroep tegen het niet in behandeling nemen van de asielaanvraag wordt ongegrond verklaard en het verzoek om een voorlopige voorziening wordt afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Amsterdam
Bestuursrecht
Zaaknummers: NL26.31363 (beroep)
NL26.31374 (voorlopige voorziening)
V-nummer: [V-nummer]
uitspraak van de enkelvoudige kamer en de voorzieningenrechter in de zaken tussen

[eiser] ,

geboren op [geboortedag] 1987, van Ethiopische nationaliteit, eiser en verzoeker (hierna: eiser)
(gemachtigde: mr. E. Stap),
en

de minister van Asiel en Migratie, de minister

(gemachtigde: [gemachtigde] ).

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank/voorzieningenrechter (hierna: rechtbank) het beroep van eiser tegen het niet in behandeling nemen van zijn aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd en zijn verzoek om een voorlopige voorziening.
1.1.
De minister heeft de aanvraag met het bestreden besluit van 3 juni 2026 niet in behandeling genomen omdat Duitsland verantwoordelijk is voor de aanvraag.
1.2.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld en de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen die ertoe strekt zijn overdracht aan Duitsland te verbieden totdat op het beroep is beslist.
1.3.
Partijen hebben de rechtbank toestemming gegeven om uitspraak te doen zonder zitting.

Beoordeling door de rechtbank

2. De rechtbank beoordeelt het niet in behandeling nemen van de asielaanvraag van eiser aan de hand van de beroepsgronden die hij heeft aangevoerd.
2.1.
Naar het oordeel van de rechtbank is het beroep ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Totstandkoming van het besluit
3. De minister heeft het bestreden besluit gebaseerd op artikel 30, eerste lid, van de Vw. [1] Daarin staat dat een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd niet in behandeling wordt genomen indien op grond van de Dublinverordening [2] is vastgesteld dat een andere lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan. Uit Eurodac is gebleken dat eiser asiel heeft aangevraagd in Duitsland en dat deze aanvraag is afgewezen. Nederland heeft daarom op 23 april 2026 de autoriteiten van Duitsland verzocht om eiser terug te nemen op grond van artikel 18, eerste lid en onder d van de Dublinverordening. Nu de autoriteiten van Duitsland niet binnen de genoemde termijn van twee weken op het verzoek hebben gereageerd, staat daarmee sinds 8 mei 2026 de verantwoordelijkheid van Duitsland vast.
Interstatelijk vertrouwensbeginsel
4. Eiser kan zich niet verenigen met het bestreden besluit. Hij voert als eerste aan dat ten opzichte van Duitsland niet meer van het interstatelijk vertrouwensbeginsel kan worden uitgegaan. De opvangvoorzieningen in Duitsland zijn niet in overeenstemming met de daaraan gestelde minimale vereisten van artikel 17 van Pro de Opvangrichtlijn, [3] het eten is slecht en eiser had na stopzetting van het zakgeld ook geen geld om ander eten te kunnen kopen of om zelfstandig in zijn andere primaire levensbehoeften te kunnen voorzien. Eiser voelde zich opgesloten alsof hij in detentie verbleef nu hij in een ver gelegen en verlaten gebied werd opgevangen. Verder heeft eiser, nadat hij een negatieve beschikking had ontvangen, geen opvang meer gekregen en sliep hij op straat. Eiser vreest dat hij na overdracht aan Duitsland ook geen huisvesting en leefgeld te zullen ontvangen. Eiser wilde klagen over de slechte behandeling en slechte opvang in Duitsland, maar hem werd te kennen gegeven dat als hij een klacht zouden indienen bij een (hogere) autoriteit in Duitsland hij direct zou worden teruggestuurd naar zijn land van herkomst. Eiser is niet in staat om met documenten aannemelijk te maken dat hij heeft geklaagd nu hij daartoe feitelijk bezien niet eens in de gelegenheid is gesteld. Eiser verwijst verder naar het AIDA [4] -rapport update 2024, gepubliceerd in juni 2025, waaruit blijkt dat Dublinterugkeerders onder meer verplicht worden om terug te keren naar het AZC [5] waar zij tijdens hun asielprocedure in Duitsland verbleven. Eiser heeft nu juist in dit AZC zijn problemen ondervonden en wenst ook daarom niet terug te keren. De kans is voorts aannemelijk dat eiser bij terugkeer naar Duitsland in vreemdelingenbewaring zal worden gesteld omdat hij Duitsland illegaal heeft verlaten en waarschijnlijk MOB [6] zal zijn geregistreerd in Duitsland. Ook is sprake van een schending van artikel 8 van Pro het EVRM [7] , omdat eiser door gebrek aan adequate opvang niet in staat is geweest om een privéleven te kunnen genieten. Volgens eiser zal er bij een overdracht aan Duitsland bovendien sprake zijn van (indirect) refoulement.
5. De rechtbank stelt vast dat eiser het voorgaande ook heeft aangevoerd in zijn vorige procedure. De rechtbank heeft in de uitspraak van 23 februari 2026 hierover geoordeeld dat ten aanzien van eiser in Duitsland nog steeds van het interstatelijk vertrouwensbeginsel kan worden uitgegaan. [8] Zonder nadere onderbouwing van eiser ziet de rechtbank in de onderhavige procedure geen aanleiding om anders te oordelen dan de rechtbank in haar uitspraak van 23 februari 2026 heeft gedaan. De rechtbank verwijst naar de motivering in die uitspraak.
6. Aanvullend heeft eiser in deze procedure in het kader van het interstatelijk vertrouwensbeginsel enkel nog aangevoerd dat eiser geen werk of studiemogelijkheden had in Duitsland. Ook voelde eiser in de opvang discriminatie en racisme. Gedurende zijn verblijf in Duitsland had eiser verder geen of beperkte toegang tot medische zorg. Ook heeft eiser geen enkel vertrouwen meer in de rechtstaat in Duitsland.
7. Ook met inachtneming van het onder 6 aangevoerde is de rechtbank van oordeel dat de minister zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat hij voor Duitsland uit mag gaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel, omdat niet is gebleken dat sprake is van structurele tekortkomingen in het Duitse asiel- en opvangsysteem. De Afdeling [9] heeft in haar uitspraak van 11 september 2024 [10] geoordeeld dat voor Duitsland van het interstatelijk vertrouwensbeginsel uit kan worden gegaan. De Afdeling heeft dit nogmaals bevestigd in de uitspraken van 14 februari 2025 [11] en 8 oktober 2025 [12] . Het is aan eiser om aannemelijk te maken dat er in Duitsland sprake is van een fundamentele systeemfout in de asielprocedure of de opvangvoorzieningen die de bijzonder hoge drempel van zwaarwegendheid bereikt zoals bedoeld in het Jawo-arrest. [13] Eiser is hier niet in geslaagd.
8. Eiser heeft onvoldoende aannemelijk gemaakt dat de situatie in Duitsland ten opzichte van de eerdere Afdelingsuitspraken zodanig is gewijzigd dat van die beoordeling niet langer kan worden uitgegaan. In eisers gestelde eigen ervaringen in Duitsland heeft de minister ook geen aanleiding hoeven zien voor de conclusie dat voor Duitsland niet langer van het interstatelijk vertrouwensbeginsel kan worden uitgegaan. Die ervaringen heeft eiser immers niet onderbouwd. Mocht eiser toch problemen ervaren in Duitsland, dan ligt het op de weg van eiser om daarover te klagen bij de (hogere) Duitse autoriteiten.
Artikel 17 van Pro de Dublinverordening
9. Eiser doet ook een beroep op de discretionaire bevoegdheid van artikel 17 van Pro de Dublinverordening. De psychische druk bij eiser is zodanig hoog dat van overdracht naar Duitsland zou moeten worden afgezien.
10. Ook in dit kader stelt de rechtbank vast dat hierover reeds is geoordeeld in de uitspraak van 23 februari 2026. In hetgeen eiser hier heeft aangevoerd, ziet de rechtbank geen aanleiding om anders te oordelen. Daarom verwijst de rechtbank naar de motivering in de uitspraak van 23 februari 2026.

Conclusie en gevolgen

11. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiser geen gelijk krijgt en dat het bestreden besluit in stand blijft. Nu er uitspraak is gedaan op het beroep, bestaat er geen aanleiding meer voor het treffen van een voorlopige voorziening. De rechtbank wijst het verzoek daarom af.
12. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.

Beslissing

De rechtbank, in de zaak NL26.31363:
- verklaart het beroep ongegrond.
De voorzieningenrechter, in de zaak NL26.31374:
- wijst het verzoek af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M.B. de Boer, (voorzieningen)rechter, in aanwezigheid van mr. K.C. van der Vegt, griffier.
Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen. Tegen de uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening staat geen rechtsmiddel open.

Voetnoten

1.Vreemdelingenwet 2000.
2.Verordening (EU) nr. 604/2013.
3.Richtlijn 2013/33/EU.
4.Asylum Information Database.
5.Asielzoekerscentrum.
6.Met onbekende bestemming.
7.Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens.
8.Uitspraak van de Rechtbank Den Haag, zittingsplaats Amsterdam, van 23 februari 2026, zaaknummers NL25.64087 en NL25.64088.
9.Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
13.ECLI:EU:C:2019:218.