ECLI:NL:RBDHA:2026:20546
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Onrechtmatigheid voortduren grensdetentie wegens overschrijding maximale termijn
Eiseres, van Iraakse nationaliteit, is op 15 mei 2026 een vrijheidsontnemende maatregel opgelegd op grond van artikel 6, derde lid, van de Vreemdelingenwet 2000. Zij heeft tegen het voortduren van deze maatregel beroep ingesteld en verzocht om schadevergoeding. De rechtbank heeft eerder de rechtmatigheid van de maatregel tot het sluiten van het onderzoek getoetst en nu beoordeelt zij de rechtmatigheid van het voortduren van de maatregel na die datum.
De rechtbank overweegt dat grensdetentie zo kort mogelijk moet duren en dat een maximale duur van dertien weken geldt. De asielaanvraag en oplegging van de maatregel vonden plaats op 15 mei 2026. Het asielberoep en de voorlopige voorziening zijn gepland op 12 augustus 2026, terwijl de termijn van dertien weken op 14 augustus 2026 verstrijkt. De rechtbank acht het niet aannemelijk dat vóór die datum uitspraak wordt gedaan, mede door organisatorische beperkingen.
De rechtbank concludeert dat de voortzetting van de grensdetentie langer dan dertien weken onrechtmatig is en niet voldoet aan het vereiste van te goeder trouw. Het belang van grensbewaking weegt niet zwaarder dan de schending van de rechten van eiseres. Daarom beveelt de rechtbank de onmiddellijke opheffing van de vrijheidsontnemende maatregel. Het verzoek om schadevergoeding wordt afgewezen, maar de minister wordt veroordeeld in de proceskosten van € 934,-.
Uitkomst: De rechtbank beveelt de onmiddellijke opheffing van de vrijheidsontnemende maatregel wegens overschrijding van de maximale grensdetentietermijn van dertien weken.