ECLI:NL:RBDHA:2026:20546

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
21 juli 2026
Publicatiedatum
23 juli 2026
Zaaknummer
NL26.38297
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6 lid 3 VwArt. 96 lid 3 VwArt. 9 lid 1 OpvangrichtlijnArt. 5 lid 1 EVRM
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Onrechtmatigheid voortduren grensdetentie wegens overschrijding maximale termijn

Eiseres, van Iraakse nationaliteit, is op 15 mei 2026 een vrijheidsontnemende maatregel opgelegd op grond van artikel 6, derde lid, van de Vreemdelingenwet 2000. Zij heeft tegen het voortduren van deze maatregel beroep ingesteld en verzocht om schadevergoeding. De rechtbank heeft eerder de rechtmatigheid van de maatregel tot het sluiten van het onderzoek getoetst en nu beoordeelt zij de rechtmatigheid van het voortduren van de maatregel na die datum.

De rechtbank overweegt dat grensdetentie zo kort mogelijk moet duren en dat een maximale duur van dertien weken geldt. De asielaanvraag en oplegging van de maatregel vonden plaats op 15 mei 2026. Het asielberoep en de voorlopige voorziening zijn gepland op 12 augustus 2026, terwijl de termijn van dertien weken op 14 augustus 2026 verstrijkt. De rechtbank acht het niet aannemelijk dat vóór die datum uitspraak wordt gedaan, mede door organisatorische beperkingen.

De rechtbank concludeert dat de voortzetting van de grensdetentie langer dan dertien weken onrechtmatig is en niet voldoet aan het vereiste van te goeder trouw. Het belang van grensbewaking weegt niet zwaarder dan de schending van de rechten van eiseres. Daarom beveelt de rechtbank de onmiddellijke opheffing van de vrijheidsontnemende maatregel. Het verzoek om schadevergoeding wordt afgewezen, maar de minister wordt veroordeeld in de proceskosten van € 934,-.

Uitkomst: De rechtbank beveelt de onmiddellijke opheffing van de vrijheidsontnemende maatregel wegens overschrijding van de maximale grensdetentietermijn van dertien weken.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Amsterdam
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.38297

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser] , V-nummer: [V-nummer] , eiseres

(gemachtigde: mr. M.E. Muller),
en

de minister van Asiel en Migratie, verweerder (hierna: de minister).

Procesverloop

De minister heeft op 15 mei 2026 aan eiseres de vrijheidsontnemende maatregel op grond van artikel 6, derde lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) opgelegd. Deze maatregel duurt nog voort.
Eiseres heeft tegen het voortduren van vrijheidsontnemende maatregel beroep ingesteld. Daarbij heeft zij verzocht om schadevergoeding.
De minister heeft een voortgangsrapportage overgelegd. Eiseres heeft hierop gereageerd.
De rechtbank heeft bepaald dat een onderzoek ter zitting achterwege blijft.

Overwegingen

1. Eiseres stelt van Iraakse nationaliteit te zijn en te zijn geboren op [geboortedag] 1994.
2. Indien de rechtbank van oordeel is dat de toepassing of tenuitvoerlegging van de maatregel van vrijheidsontnemende maatregel in strijd is met de Vw dan wel bij afweging van alle daarbij betrokken belangen in redelijkheid niet gerechtvaardigd is, verklaart zij op grond van artikel 96, derde lid, van de Vw het beroep gegrond en beveelt zij de opheffing van de maatregel of een wijziging van de wijze van tenuitvoerlegging daarvan.
3. De rechtbank stelt voorop dat zij deze vrijheidsontnemende maatregel al eerder heeft getoetst. Uit de uitspraak van 5 juni 2026 (in de zaak NL26.29670) volgt dat de vrijheidsontnemende maatregel tot het moment van het sluiten van het onderzoek dat aan die uitspraak ten grondslag ligt, rechtmatig was. Daarom is bij de beoordeling van de rechtmatigheid van het voortduren van de vrijheidsontnemende maatregel slechts de periode van belang sinds het moment van het sluiten van dat onderzoek.
4. De rechtbank overweegt als volgt. Uit de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) van 1 juli 2025 [1] volgt dat grensdetentie op grond van artikel 6, derde lid, van de Vw zo kort mogelijk moet duren. Niet iedere langere duur van grensdetentie levert per definitie strijd op met artikel 9, eerste lid, van de Opvangrichtlijn. Maar dit neemt niet weg dat artikel 9, eerste lid, van de Opvangrichtlijn, dat de grondrechten van vreemdelingen beoogt te waarborgen, vereist dat de grensdetentie zo kort mogelijk duurt. Als door organisatorische problemen bij de rechtbank de behandeling van het asielberoep, dan wel van het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening zeer lang op zich laat wachten, kan dit leiden tot de conclusie dat de grensdetentie niet zo kort mogelijk duurt. De Afdeling heeft daarom een maximaal toegestane duur voor grensdetentie bepaald, ook al kan dat betekenen dat de minister het grensbewakingsbelang moet prijsgeven. De Afdeling heeft artikel 9, eerste lid, van de Opvangrichtlijn zo uitgelegd dat grensdetentie op grond van artikel 6, derde lid, van de Vw in ieder geval te lang voortduurt na dertien weken vanaf de oplegging van een vrijheidsontnemende maatregel.
4.1.
In dit geval is de asielaanvraag ingediend op 15 mei 2026, op welke dag ook de vrijheidsontnemende maatregel is opgelegd. De minister heeft op 30 mei 2026 een besluit op de asielaanvraag van eiseres genomen. Op 31 mei 2026 heeft eiseres beroep ingesteld tegen het asielbesluit en verzocht om een voorlopige voorziening. Het asielberoep en de voorlopige voorziening zijn op 12 augustus 2026 op zitting gepland bij deze rechtbank en zittingsplaats.
4.2.
Naar het oordeel van de rechtbank is het niet aannemelijk dat vóór het verstrijken van de dertien weken termijn uitspraak wordt gedaan op het asielberoep van eiseres. Deze termijn verstrijkt immers al op 14 augustus 2026. De rechtbank stelt vast dat bij deze stand van zaken de maximale termijn van dertien weken zal worden overschreden. Overigens heeft de rechtbank aan de administratie van deze rechtbank en zittingsplaats gevraagd of er (nog) ruimte is om het asielberoep op een eerdere zitting te plannen, zodat alsnog vóór het verstrijken van de dertien weken termijn uitspraak kan worden gedaan. Om (niet aan partijen te wijten) organisatorische redenen lukt het de rechtbank op dit moment niet het asielberoep op een eerdere zitting te plannen.
4.3.
In geval van eiseres zal zij meer dan dertien weken in grensdetentie verblijven en de vrijheidsontneming alsdan niet zo kort als mogelijk duren als bedoeld in artikel 9, eerste lid, van de Opvangrichtlijn. Een verdere voortduring van de grensdetentie zal daarvoor evenmin voldoen aan het vereiste van te goeder trouw als bedoeld in artikel 5, eerst lid aanhef en onder f, van het EVRM. [2]
4.4.
Deze voorzienbare schending van beide artikelen is een belangrijke omstandigheid die de rechtbank bij de vraag naar de evenredigheid van de maatregel reeds nu in ogenschouw dient te nemen. De rechter moet (ambtshalve) immers alle relevante feiten en omstandigheden betrekken bij de vraag naar de rechtmatigheid van (het voortduren van) de vrijheidsontneming. [3] Zou de rechtbank deze omstandigheid niet in haar beoordeling (kunnen) meenemen, dan biedt de rechter ook geen effectieve rechtsbescherming.
4.5.
Het voorgaande brengt de rechtbank tot het oordeel dat het door de minister ingeroepen grensbewakingsbelang niet zo zwaar weegt dat daarmee de voorziene te lange duur van grensdetentie kan worden gerechtvaardigd. Het voortduren van de bestreden maatregel is daarom met ingang van heden niet langer evenredig en daardoor onrechtmatig.
5. Het beroep is gegrond en de vrijheidsontnemende maatregel is vanaf vandaag onrechtmatig. De rechtbank ziet geen aanleiding om de bestreden maatregel al op een eerder moment onrechtmatig te achten. De rechtbank beveelt de opheffing van de vrijheidsontnemende maatregel met ingang van vandaag.
6. Omdat de vrijheidsontnemende maatregel onrechtmatig is geworden op de dag dat ook de opheffing van de maatregel wordt bevolen, ziet de rechtbank geen aanleiding om eiseres schadevergoeding toe te kennen. Het verzoek wordt daarom afgewezen.
7. De rechtbank veroordeelt de minister in de door eiseres gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 934,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift met een waarde per punt van € 934,- en een wegingsfactor 1).

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- beveelt de opheffing van de vrijheidsontnemende maatregel met ingang van vandaag;
- wijst het verzoek om schadevergoeding af;
- veroordeelt de minister in de proceskosten van eiseres tot een bedrag van € 934,-.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M.B. de Boer, rechter, in aanwezigheid van B.S. Beens, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.

Voetnoten

2.ECLI:CE:ECHR:2008:0129JUD001322903, rechtsoverweging 67.
3.ECLI:EU:C:2022:858, rechtsoverweging 87.