ECLI:NL:RBDHA:2026:20543

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
21 juli 2026
Publicatiedatum
23 juli 2026
Zaaknummer
NL25.61482
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
  • J.G. Vegter
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 28 VwArt. 30b, eerste lid, onder h, VwArt. 31, zesde lid, onder d, VwVreemdelingenwet 2000Vluchtelingenverdrag
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing asielaanvraag wegens voldoende bescherming tegen huiselijk geweld in Benin

Eiseres, een vrouw van Beninse nationaliteit, verzocht om asiel wegens mishandeling door haar echtgenoot en diens familie. Zij stelde dat zij onvoldoende bescherming kon krijgen in Benin en dat terugkeer een reëel risico op ernstige schade oplevert.

De rechtbank oordeelde dat de Beninse autoriteiten wel degelijk bescherming bieden tegen huiselijk geweld, mede op grond van recente wetgeving en internationale rapportages. Eiseres kon zich niet beroepen op het behoren tot een sociale groep, omdat zij niet voldeed aan de criteria van onveranderlijke kenmerken of afwijking in haar omgeving.

Verder werd geoordeeld dat verweerder terecht rekening hield met het referentiekader van eiseres en dat het late aanvragen van asiel niet verschoonbaar was. Het beroep werd daarom ongegrond verklaard en de afwijzing van de asielaanvraag bleef in stand.

Uitkomst: Het beroep tegen de afwijzing van de asielaanvraag wordt ongegrond verklaard omdat voldoende bescherming in Benin aanwezig is.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Amsterdam
Bestuursrecht
Zaaknummer: NL25.61482
V-nummer: [V-nummer]

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser] , eiseres

(gemachtigde: mr. C.J. Ullersma),
en

de minister van Asiel en Migratie, verweerder

(gemachtigde: mr. C. van Es).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de asielaanvraag van eiseres als bedoeld in artikel 28 van Pro de Vw [1] . Eiseres is het hier niet mee eens. Zij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de asielaanvraag.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de afwijzing van de asielaanvraag in stand kan blijven. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

2. Eiseres heeft een aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. Verweerder heeft met het bestreden besluit van 10 december 2025 deze aanvraag in de verlengde procedure afgewezen als kennelijk ongegrond.
2.1.
Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
2.2.
De behandeling van het beroep is op 8 juni 2026 op voorhand aangehouden, omdat er geen tolk in de taal Dendi beschikbaar was.
2.3.
De rechtbank heeft het beroep op 8 juli 2026 op zitting behandeld, waarbij partijen zich hebben laten vertegenwoordigen door hun gemachtigden.

Beoordeling door de rechtbank

Het asielrelaas
3. Eiseres legt aan haar asielaanvraag het volgende ten grondslag. Eiseres is [eiser] , geboren op [geboortedag] 1987, van Beninse nationaliteit en behorend tot de Mandé bevolkingsgroep. Eiseres is gedwongen uitgehuwelijkt aan haar man. Hij en zijn familie mishandelden haar. Zij is naar haar eigen familie teruggegaan, maar zij hebben haar teruggebracht naar haar man. Dit herhaalpatroon en de vele mishandelingen zorgden ervoor dat eiseres uiteindelijk in 2021 heeft besloten Benin te verlaten.
Het bestreden besluit
4. Het asielrelaas van eiseres bevat volgens verweerder de volgende asielmotieven:
1. identiteit, nationaliteit en herkomst;
2. de mishandelingen door haar echtgenoot en zijn familie.
4.1.
Verweerder acht beide asielmotieven geloofwaardig. Echter, de omstandigheden van eiseres zijn niet te leiden tot één of meer gronden van het Vluchtelingenverdrag [2] . Daarnaast is er geen reëel risico op ernstige schade bij terugkeer naar Benin. Eiseres kan bescherming inroepen bij de Beninse autoriteiten tegen de mishandelingen van haar echtgenoot en zijn familie. Niet is gebleken dat de Beninse autoriteiten haar geen bescherming willen en kunnen bieden. Het inroepen van bescherming van de Beninse autoriteiten is nog altijd mogelijk. Verweerder concludeert daarom dat de asielaanvraag kan worden afgewezen als kennelijk ongegrond [3] en dat een terugkeerbesluit met een vertrektermijn van vier weken kan worden uitgevaardigd.
Bespreking van de beroepsgronden
5. Eiseres heeft aangevoerd dat verweerder ten onrechte heeft tegengeworpen dat zij bescherming van de autoriteiten kan krijgen. Uit de informatie blijkt dat Benin op punten wel bezig is om de situatie voor vrouwen te verbeteren maar dat dit onvoldoende is. Het zijn veelal nog plannen en theorie. Daarnaast kunnen deze plannen eiseres niet concreet helpen omdat zij nergens een veilig heenkomen kan vinden. Zij wordt op dit moment bij deze stand van zaken van de initiatieven en de normen in de gemeenschap en haar omgeving en met de mogelijkheden die er zijn, niet voldoende geholpen. Dat leidt tot een reëel risico op ernstige schade. Eiseres is namelijk al veelvuldig mishandeld. Dat zal gewoon doorgaan. Zij kan zich namelijk niet verstoppen voor de familie van haar man. Zij heeft herhaaldelijk geprobeerd weg te komen en heeft zich gewend tot familieleden, maar ze werd gewoon teruggestuurd. Ook bij de politie werd zij weggehaald door de familie. Ze kan in de Beninse maatschappij niet gewoon elders gaan wonen. Dit is niet bestreden.
5.1.
De rechtbank is van oordeel dat verweerder terecht heeft tegengeworpen dat de Beninse autoriteiten bescherming kunnen bieden tegen huiselijk geweld. Verweerder heeft hierbij terecht gewezen op openbare bronnen waaruit blijkt dat eiseres bescherming kan inroepen van de Beninse autoriteiten en dat er in de afgelopen jaren veel stappen zijn gezet om juist bescherming tegen gendergerelateerd geweld te versterken. Eind 2021 is er een nieuwe wet aangenomen die de definitie van gender-based violence aanzienlijk uitbreidt en
zwaardere straffen invoert voor onder meer huiselijk geweld, seksueel geweld, kindhuwelijken, vrouwelijke genitale verminking en seksuele intimidatie. In hetzelfde hervormingspakket is ook het verplichte, en voor veel slachtoffers kostbare, medische attest afgeschaft, waardoor financiële drempels voor het doen van meldingen zijn weggenomen. Deze hervormingen maken deel uit van een bredere agenda die met steun van de World Bank wordt uitgevoerd, gericht op vrouwenemancipatie, verbeterde toegang tot gezondheidszorg en institutionele versterking. Ook blijkt uit het rapport van de United Nations Human Rights Committee (2023) en de periodieke rapportages aan het CEDAW [4] dat de Beninse autoriteiten actief investeren in de implementatie van deze wetgeving, onder andere door training van politiefunctionarissen, oprichting van gespecialiseerde eenheden voor gendergerelateerd geweld en samenwerking met maatschappelijke organisaties in het opzetten van opvang, hulpverlening en bewustwordingscampagnes. [5] Daarnaast blijkt uit openbare informatie dat organisaties zoals UN Women, UNICEF en de Beninse Ministère des Affaires Sociales concrete programma’s uitvoeren gericht op preventie, meldingsbereidheid, rechtshulp en opvang. Niet wordt geconcludeerd dat deze voorzieningen tekortschieten op een manier die zou maken dat bescherming in algemene zin onmogelijk is. Dat in bepaalde regio’s culturele normen hardnekkig kunnen zijn, betekent niet dat de Beninse autoriteiten geen middelen hebben om bescherming te bieden wanneer een individueel slachtoffer zich tot hen wendt. Verweerder heeft terecht gesteld dat van eiseres mag worden verwacht dat zij de beschikbare bescherming inroept. Niet is gebleken dat deze bescherming niet ook voor eiseres beschikbaar is. Evenmin is uit landeninformatie gebleken – ook na navraag op zitting bij de gemachtigde – dat deze bescherming in de praktijk niet effectief zou zijn. Dat bescherming ook beschikbaar is voor eiseres, is gebleken toen haar kinderen haar na een mishandeling naar het politiebureau hebben gebracht. Eiseres is door de politie naar het ziekenhuis gebracht waar ze medische zorg heeft ontvangen. Een broer van haar man is ook aangehouden voor de mishandeling en de politie heeft eiseres een nummer gegeven dat zij kon bellen als zij weer mishandeld wordt en dat het tot opsluiting van de dader zal leiden. Eiseres heeft geen gebruik gemaakt van dit telefoonnummer. Ook daarom kan niet worden gesteld dat geen bescherming tegen het huiselijk geweld aanwezig is voor eiseres in Benin. De beroepsgrond slaagt niet.
6. Verder heeft eiseres aangevoerd dat zij als onderdeel van een sociale groep moet worden aangemerkt. Zij heeft veelvuldig gendergerelateerd geweld ervaren waartegen zij in het verleden geen bescherming heeft gekregen. Eiseres lijdt ernstige schade door het geweld dat zij al heeft ervaren en het risico dat het opnieuw gebeurt is groot. Dat heeft verweerder miskend. De in Benin ingezette initiatieven om vrouwen te helpen, zijn niet op voldoende niveau om te kunnen vaststellen dat dit risico afdoende afgedekt is.
6.1
De rechtbank is van oordeel dat verweerder terecht heeft overwogen dat eiseres niet tot een sociale groep behoort. Van een ‘sociale groep’ is (onder andere) sprake als de leden van deze groep een aangeboren kenmerk of een gemeenschappelijke achtergrond hebben dat of die niet kan worden gewijzigd en in hun directe omgeving als afwijkend wordt beschouwd. [6] Op zitting is door de gemachtigde van eiseres toegelicht dat eiseres tot een sociale groep behoort omdat zij een vrouw in de Beninse cultuur is die slachtoffer is van huiselijke geweld waartegen zij onvoldoende bescherming kan krijgen. Hierboven is overwogen dat de mogelijkheid van het inroepen van bescherming in Benin wel degelijk bestaat en daarbij is voor eiseres geen sprake van een onveranderlijk(e) aangeboren kenmerk of dat zij een met anderen gemeenschappelijke achtergrond heeft, noch dat zij in haar directe omgeving als afwijkend wordt beschouwd. De verwijzing door de gemachtigde op zitting naar het arrest K en L [7] maakt dit niet anders, omdat eiseres niet voldoet aan de bovengenoemde definitie van een sociale groep.
7. Eiseres heeft aangevoerd dat de tegenwerping dat zij geen hulp zocht tegen de uitbuiting door de vrouw bij wie de reisagent haar ondergebracht had terwijl er hier toch politie of hulporganisaties zijn, duidelijk maakt dat verweerder niet uit kan gaat van het referentiekader van eiseres. Zij is niet alleen vanwege het vreemde land waarin zij haar weg niet kan vinden niet in staat die hulp te zoeken, maar ook vanuit Benin heeft zij voor dergelijke moeilijkheden geen hulp gekregen. Daarbij komt ook dat ten onrechte niet is ingegaan op de uitleg dat de gang van zaken vóór eiseres [locatie] wist te bereiken, op geen enkele manier afdoet aan haar wil om bescherming te vragen.
7.1.
De rechtbank is van oordeel dat uit de besluitvorming is gebleken dat verweerder wel degelijk met het referentiekader van eiseres rekening heeft gehouden. Zo heeft verweerder in het voornemen opgenomen dat eiseres niet naar school is geweest en niet kan lezen en schrijven in haar eigen taal. En dat van haar niet wordt verwacht dat ze in detail kan verklaren of bepaalde connecties kan leggen. Wel kan worden verwacht dat zij kan verklaren over haar problemen. Ook is rekening gehouden met haar kwetsbaarheid bij het opleggen van het terugkeerbesluit. De beroepsgrond slaagt niet.
8. Eiseres heeft verder aangevoerd dat verweerder de asielaanvraag onterecht als kennelijk ongegrond heeft afgewezen. Eiseres is niet geletterd, niet gewend aan omgaan met procedures, had nooit had gereisd, én zat in de volslagen onbekende wereld van Nederland bij iemand thuis en werd op geen enkele manier geholpen. Verweerder heeft afgezien van het uitvaardigen van een inreisverbod en heeft zich onthouden van het opnemen van een terugkeertermijn vanwege de kwetsbaarheid van eiseres, maar dit punt is wel ten grondslag gelegd aan de ongegrondverklaring nu onverwijld melden een eis is op grond van artikel 31, zesde lid, onder d, van de Vw. De tegenwerping is gezien haar omstandigheden niet redelijk en niet deugdelijk onderbouwd.
8.1
De rechtbank is van oordeel dat de omstandigheden die eiseres heeft aangevoerd voor het niet onmiddellijk aanvragen van asiel geen verschoonbare reden vormen. Eiseres was ongeveer vier maanden in Nederland voordat zij asiel heeft aangevraagd. Van vreemdelingen die bescherming zoeken, wordt verwacht dat zij zich zo snel mogelijk tot de bevoegde autoriteiten wenden. Daarbij zijn er organisaties en tolken beschikbaar om te helpen bij het aanvragen van asiel. Gelet op het voorgaande kan haar kwetsbaarheid niet als verschoonbaar worden beschouwd.

Conclusie en gevolgen

9. Verweerder heeft de aanvraag terecht afgewezen als kennelijk ongegrond.
Het beroep is ongegrond. Eiseres krijgt geen vergoeding van haar proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.G. Vegter, rechter, in aanwezigheid van mr. C.W. van der Hoek, griffier.
Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Vreemdelingenwet 2000.
2.Verdrag betreffende de status van vluchtelingen.
3.Op grond van artikel 30b, eerste lid, onder h, van de Vw.
4.Convention on the Elimination of All Forms of Discrimination against Women.
5.UN Human Rights Committee, Benin – Periodic Review (2023); CEDAW, Concluding Observations on Benin (2024) CEDAW/C/BEN/CO/5: Concluding observations on the fifth periodic report of Benin | OHCHR.
6.Vergelijk artikel 10, eerste lid, aanhef en onder d, van de Kwalificatierichtlijn.
7.Arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie (hierna: het Hof) van 11 juni 2024, ECLI:EU:C:2024:487 (K en L).