ECLI:NL:RBDHA:2026:20537

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
7 juli 2026
Publicatiedatum
23 juli 2026
Zaaknummer
NL26.35331
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 59a Vreemdelingenwet 2000Art. 5.6, derde lid, Vreemdelingenbesluit 2000Art. 106, eerste lid, Vreemdelingenwet 2000
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ongegrond beroep tegen maatregel van vreemdelingenbewaring wegens risico op onttrekken aan toezicht

De rechtbank Den Haag behandelde het beroep van eiser tegen de maatregel van vreemdelingenbewaring opgelegd door de minister van Asiel en Migratie op grond van artikel 59a, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000. De maatregel werd opgelegd omdat er een concreet aanknopingspunt was voor een overdracht volgens de Asiel- en migratiebeheerverordening en een significant risico bestond dat eiser zich aan het toezicht zou onttrekken.

Eiser betwistte enkele gronden van de maatregel, met name dat hij Nederland niet op de voorgeschreven wijze was binnengekomen en dat hij niet meewerkte aan de overdracht. De rechtbank oordeelde dat het feit dat eiser zonder documenten Nederland binnenkwam een feitelijke grond is die voldoende is voor de maatregel, ook gezien de samenhang met andere gronden zoals het ontbreken van een vaste woon- of verblijfplaats en onvoldoende middelen van bestaan.

Eiser stelde dat een lichter middel had moeten worden toegepast, zoals een meldplicht, omdat hij bereid was zelfstandig te vertrekken. De rechtbank vond dat de minister dit voldoende had gemotiveerd en dat het risico op onttrekken of onderduiken significant was, mede omdat eiser had aangegeven niet te willen terugkeren naar Turkije of Kroatië.

De rechtbank voerde ook een ambtshalve toetsing uit en vond geen reden om de rechtmatigheid van de maatregel te betwijfelen. Het beroep werd daarom ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding werd afgewezen. Eiser kreeg geen vergoeding van proceskosten.

Uitkomst: Het beroep tegen de maatregel van vreemdelingenbewaring is ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding is afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Rotterdam
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.35331

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[naam eiser] , eiser

V-nummer: [V-nummer] ,
(gemachtigde: mr. G.M.H. Vriesde),
en

de minister van Asiel en Migratie, verweerder

(gemachtigde: mr. S. Juriaans).

Procesverloop

Bij besluit van 24 juni 2026 (het bestreden besluit) heeft verweerder aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59a, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) opgelegd en de rechtbank daarvan in kennis gesteld.
Deze kennisgeving wordt gelijkgesteld met een door eiser ingesteld beroep. Het beroep wordt ook aangemerkt als een verzoek om schadevergoeding. [1]
De rechtbank heeft het beroep op 2 juli 2026 op zitting behandeld. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Beoordeling door de rechtbank

Gronden van de maatregel
1. Verweerder heeft aan eiser de maatregel van vreemdelingenbewaring opgelegd. In deze maatregel staat dat de maatregel nodig is, omdat een concreet aanknopingspunt bestaat voor een overdracht als bedoeld in de Asiel- en migratiebeheerverordening en een significant risico bestaat dat eiser zich aan het toezicht zal onttrekken.
1.1.
In de maatregel heeft verweerder als gronden vermeld dat eiser:
a. Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen, dan wel een poging daartoe heeft gedaan, waarbij de vreemdeling zich gedurende enige tijd aan het toezicht heeft onttrokken of zich zonder toestemming tussen de lidstaten van de Europese Unie beweegt;
k. een overdrachtsbesluit heeft ontvangen en geen medewerking verleent aan de overdracht aan de lidstaat die verantwoordelijk is op grond van de Asiel- en migratiebeheerverordening;
p. zich niet aan een of meer andere voor hem geldende verplichtingen van hoofdstuk 4 van het Vb heeft gehouden;
r. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft;
s. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan.
1.2.
Eiser betwist dat de gronden a, k, en p terecht aan de maatregel ten grondslag zijn gelegd. Ten aanzien van de a-grond stelt eiser dat het een feit van algemene bekendheid is dat veel asielzoekers geen documenten hebben. Dat eiser niet beschikt en naar eigen zeggen ook niet kon beschikken over een paspoort, maakt volgens hem dat de a-grond hem niet kan worden tegengeworpen.
1.3.
Uit artikel 5.6, derde lid, van de Vreemdelingenbesluit 2000, volgt dat verweerder bij de a-grond kan volstaan met een toelichting dat deze grond zich feitelijk voordoet. Niet in geschil is dat eiser zonder documenten, en derhalve niet op de voorgeschreven wijze, Nederland is binnengekomen. Dat deze omstandigheid voor veel asielzoekers geldt, doet aan de feitelijke juistheid niet af. De a-grond en de niet bestreden gronden r en s, bezien in onderling verband en samenhang, kunnen naar het oordeel van de rechtbank de maatregel van bewaring al dragen, ook na ambtshalve toetsing. Er vloeit namelijk uit voort dat er een significant risico bestaat dat eiser zich aan het toezicht zal onttrekken. De rechtbank laat hetgeen eiser heeft aangevoerd met betrekking tot de gronden k en p dan ook onbesproken. De beroepsgrond slaagt niet.
Lichter middel
2. Eiser voert aan dat verweerder had moeten volstaan met een lichter middel. Daartoe voert eiser aan dat hij bereid is zich aan een meldplicht te houden en zelfstandig kan vertrekken. Verweerder had daarom niet direct moeten overgegaan tot de inbewaringstelling van eiser.
2.1.
De rechtbank is van oordeel dat verweerder voldoende heeft gemotiveerd dat er niet kan worden volstaan met een lichter middel. Voor zover een lichter middel is bepleit overweegt de rechtbank dat gelet op de gronden er een significant risico op onttrekken of onderduiken is en eiser heeft geen bijzonder individuele omstandigheden aangevoerd. Verweerder heeft dit voldoende gemotiveerd afgewogen. De enkele stelling van eiser dat hij bereid is zich aan een meldplicht te houden is onvoldoende. Eiser heeft in zijn gehoor voorafgaand aan de inbewaringstelling nog aangegeven niet te willen terugkeren naar Turkije dan wel Kroatië. De beroepsgrond slaagt niet.
Ambtshalve toetsing
3. Los van de door eiser aangevoerde gronden, ziet de rechtbank in de door verweerder en eiser verstrekte gegevens geen grond om te komen tot het oordeel dat aan de rechtmatigheidsvoorwaarden voor deze maatregel niet is voldaan. [2]

Conclusie en gevolgen

4. Het beroep tegen de maatregel van vreemdelingenbewaring is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.

Beslissing

De rechtbank:
  • verklaart het beroep ongegrond;
  • wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A. Hello, rechter, in aanwezigheid van N. Felić, griffier.
Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen één week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden of na de dag van plaatsing daarvan in het digitale dossier.

Voetnoten

1.Dit volgt uit artikel 106, eerste lid, van de Vw.
2.HvJEU 8 november 2022, ECLI:EU:C:2022:858.