ECLI:NL:RBDHA:2026:20536

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
7 juli 2026
Publicatiedatum
23 juli 2026
Zaaknummer
NL26.35765
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 59 Vreemdelingenwet 2000Art. 106 Vreemdelingenwet 2000
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ongegrond beroep tegen maatregel vreemdelingenbewaring en afwijzing schadevergoeding

De rechtbank Den Haag behandelde het beroep van eiser tegen een maatregel van vreemdelingenbewaring opgelegd door de minister van Asiel en Migratie op 26 juni 2026. Eiser betwistte de maatregel niet inhoudelijk, maar stelde dat de voorgaande maatregel onrechtmatig was opgeheven zonder kennisgeving aan de rechtbank, wat volgens hem in strijd was met het Unierechtelijke doeltreffendheidsbeginsel en de goede procesorde.

De rechtbank oordeelde dat de juridische grondslag van de huidige maatregel correct was en dat de gronden voldoende waren om de maatregel te dragen. Voor doorwerking van onrechtmatigheden uit een eerdere procedure is een hoge lat gesteld; er moet sprake zijn van opzet of grove veronachtzaming door verweerder, wat niet was gebleken. Bovendien was eiser in de eerdere procedure reeds een schadevergoeding toegekend.

De ambtshalve toetsing door de rechtbank leverde geen aanwijzingen op dat de maatregel onrechtmatig was. Daarom werd het beroep ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen. Eiser kreeg ook geen proceskostenvergoeding. De uitspraak is openbaar en kan worden aangevochten bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

Uitkomst: Het beroep tegen de maatregel van vreemdelingenbewaring is ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding is afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Rotterdam
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.35765

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[naam eiser] , eiser

V-nummer: [V-nummer] ,
(gemachtigde: mr. F. Boone),
en

de minister van Asiel en Migratie, verweerder

(gemachtigde: [persoon A] ).

Procesverloop

Met het bestreden besluit van 26 juni 2026 heeft verweerder aan eiser de maatregel van vreemdelingenbewaring opgelegd en de rechtbank daarvan in kennis gesteld.
Deze kennisgeving wordt gelijkgesteld met een door eiser ingesteld beroep. Het beroep wordt ook aangemerkt als een verzoek om schadevergoeding. [1]
De rechtbank heeft het beroep op 2 juli 2026 op zitting behandeld. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. Eiser heeft de gronden die aan het bestreden besluit op grond van artikel 59, eerste lid, onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 ten grondslag zijn gelegd niet bestreden. De gronden, die de ambtshalve toetsing van de rechtbank doorstaan, zijn tezamen voldoende om het besluit te kunnen dragen.
Doorwerking vorige maatregel van bewaring van 9 juni 2026
2. Eiser heeft aangevoerd dat de maatregel onrechtmatig is, omdat verweerder de voorgaande maatregel heeft opgeheven zonder de rechtbank in die procedure (in de zaak NL26.32987) daarvan in kennis te stellen. In die procedure verdedigde verweerder ter zitting nog de wettelijke grondslag van de eerste maatregel, terwijl deze twee dagen later, na het sluiten van het onderzoek, door verweerder alsnog omgezet is. Eiser acht deze handelswijze van verweerder in strijd met het Unierechtelijke doeltreffendheidsbeginsel alsmede in strijd met de goede procesorde, hetgeen een doorbreking van de schottentheorie rechtvaardigt.
2.1.
De rechtbank overweegt als volgt. Zoals hiervoor overwogen is de juridische grondslag van de huidige maatregel correct en kunnen de gronden de maatregel dragen. Voor doorwerking van onrechtmatigheden in een voorgaande procedure ligt de lat hoog. Er zal sprake moeten zijn van opzet dan wel van grove veronachtzaming door verweerder. Daarvan is volgens de rechtbank niet gebleken. Doordat de rechtbank later dan gebruikelijk tot een gegrondverklaring is gekomen, heeft verweerder kunnen veronderstellen dat het beroep tegen de voorgaande maatregel ongegrond zou zijn. Daarnaast is eiser in de voorgaande procedure een schadevergoeding toegekend. De beroepsgrond slaagt niet.
Ambtshalve toetsing
3. Los van de door eiser aangevoerde gronden, ziet de rechtbank in de door verweerder en eiser verstrekte gegevens geen grond om te komen tot het oordeel dat aan de rechtmatigheidsvoorwaarden voor deze maatregel niet is voldaan. [2]

Conclusie en gevolgen

4. Het beroep tegen de maatregel van vreemdelingenbewaring is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.

Beslissing

De rechtbank:
  • verklaart het beroep ongegrond;
  • wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A. Hello, rechter, in aanwezigheid van mr. N. Felić, griffier.
Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen één week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden of na de dag van plaatsing daarvan in het digitale dossier.

Voetnoten

1.Dit volgt uit artikel 106, eerste lid, van de Vw.
2.Vergelijk HvJEU 8 november 2022, ECLI:EU:C:2022:858 en 4 september 2025, ECLI:EU:C:2025:647.