ECLI:NL:RBDHA:2026:20529

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
2 juli 2026
Publicatiedatum
23 juli 2026
Zaaknummer
26.1872
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3 EVRMArt. 4 HandvestArt. 8:57 AwbArt. 17 DublinverordeningArt. 18 Dublinverordening
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing beroep tegen niet in behandeling nemen asielaanvraag wegens verantwoordelijkheid Luxemburg

Eiser heeft beroep ingesteld tegen het besluit van de minister van Asiel en Migratie om zijn asielaanvraag niet in behandeling te nemen, omdat Luxemburg verantwoordelijk is voor de behandeling op grond van de Dublinverordening.

Eiser betoogt dat het interstatelijk vertrouwensbeginsel niet langer geldt vanwege structurele overbelasting en slechte opvangomstandigheden in Luxemburg, en dat de minister onvoldoende individuele belangenafweging heeft gemaakt zoals vereist in artikel 17 van Pro de Dublinverordening.

De rechtbank oordeelt dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat Luxemburg zijn internationale verplichtingen niet nakomt of dat hij een reëel risico loopt op een behandeling in strijd met artikel 3 EVRM Pro en artikel 4 Handvest Pro. De overgelegde informatie over capaciteitsproblemen en hygiëneproblemen in Luxemburg is niet toereikend om het vertrouwensbeginsel te weerleggen.

De minister heeft terecht geconcludeerd dat geen bijzondere omstandigheden aanwezig zijn die een inhoudelijke behandeling van de aanvraag in Nederland rechtvaardigen. Het beroep wordt daarom ongegrond verklaard en de beslissing van de minister blijft in stand.

Uitkomst: Het beroep tegen het niet in behandeling nemen van de asielaanvraag wordt ongegrond verklaard en het besluit van de minister blijft in stand.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats ‘s-Hertogenbosch
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.18720

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser], V-nummer: [nummer], eiser

(gemachtigde: mr. A. Alkir),
en

de minister van Asiel en Migratie, de minister.

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen het niet in behandeling nemen van de aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. De minister heeft de aanvraag met het bestreden besluit van 2 april 2026 niet in behandeling genomen omdat Luxemburg verantwoordelijk is voor de aanvraag.
1.1.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Hij heeft verder de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen (NL26.18721).
1.2.
Partijen hebben desgevraagd niet aangegeven dat zij behoefte hebben aan de behandeling van de zaak op een zitting. De rechtbank heeft vervolgens het onderzoek met toepassing van artikel 8:57 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) gesloten.

Beoordeling door de rechtbank

2. De rechtbank beoordeelt het niet in behandeling nemen van de asielaanvraag van eiser. Zij doet dat aan de hand van de argumenten die eiser heeft aangevoerd, de beroepsgronden.
3. De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Dat betekent dat eiser ongelijk krijgt en het niet in behandeling nemen van zijn aanvraag in stand blijft. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Totstandkoming van het besluit
4. De Europese Unie heeft gezamenlijke regelgeving over het in behandeling nemen van asielaanvragen. Die staat in de Dublinverordening. Op grond van de Dublinverordening neemt de minister een asielaanvraag niet in behandeling als is vastgesteld dat een andere lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan. [1]
4.1.
In dit geval heeft Nederland op 2 februari 2026 bij Luxemburg een verzoek om terugname van eisers gedaan op grond van artikel 18, eerste lid, aanhef en onder d, van de Dublinverordening. Luxemburg heeft dit verzoek tot terugname van eiser op 10 februari 2026 aanvaard op grond van artikel 18, eerste lid, aanhef en onder d van de Dublinverordening. Dat betekent dat Luxemburg in beginsel verantwoordelijk is voor de behandeling van de asielaanvraag van eiser.
Het interstatelijk vertrouwensbeginsel en artikel 17 van Pro de Dublinverordening
5. Eiser stelt zich op het standpunt dat ten aanzien van Luxemburg niet langer van het interstatelijk vertrouwensbeginsel kan worden uitgegaan. De opvangfaciliteiten in Luxemburg zijn namelijk structureel overbelast en kampen met ernstige capaciteitsproblemen. Alleenstaande mannen die eerder een asielaanvraag in een andere EU-lidstaat hebben ingediend, hebben sinds oktober 2023 geen automatische toegang meer tot materiële opvang en komen op een wachtlijst (wat weken tot maanden kan duren). Deze algemene situatie raakt eiser in het bijzonder, nu zijn eerdere asielaanvraag in Luxemburg is afgewezen en hem daarbij een vertrekbevel is opgelegd. Hierdoor verkeert hij bij terugkeer niet in de positie van een eerste asielaanvrager en kan hij niet zonder meer aanspraak maken op opvangvoorzieningen, hetgeen zijn feitelijke kwetsbaarheid bij terugkeer aanmerkelijk vergroot. Daar komt bij dat de opvanglocaties begin 2026 kampen met aanhoudende problemen op het gebied van hygiëne en onderhoud. Ter onderbouwing hiervan heeft eiser de fact sheet van de UNHCR over Luxemburg van september 2024 en berichtgeving van RTL overgelegd. Gelet op de in de voorgaande paragrafen geschetste omstandigheden, in het bijzonder de eerdere afwijzing van cliënt in Luxemburg, het opgelegde vertrekbevel en de structurele beperkingen in de toegang tot opvangvoorzieningen voor alleenstaande mannen, heeft de minister volgens eiser onvoldoende onderzocht of hij bij overdracht terecht zal komen in een situatie van extreme materiële deprivatie als bedoeld in het arrest Jawo. Verder stelt eiser zich op het standpunt dat uit het bestreden besluit niet blijkt dat een kenbare en individuele belangenafweging heeft plaatsgevonden in het kader van artikel 17 van Pro de Dublinverordening. De minister heeft niet inzichtelijk gemaakt waarom, gelet op de cumulatie van eisers eerdere afwijzing, het opgelegde vertrekbevel en het risico op opvangloosheid bij terugkeer, geen sprake is van omstandigheden die nopen tot onverplichte behandeling van eisers asielaanvraag in Nederland, het besluit is daarom niet draagkrachtig gemotiveerd.
5.1.
De rechtbank stelt voorop dat de minister in zijn algemeenheid ten aanzien van Luxemburg mag uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. Dit betekent dat verweerder in beginsel ervan uit mag gaan dat Luxemburg zijn internationale verplichtingen tegenover eiser zal nakomen en dat de behandeling van eiser in Luxemburg niet in strijd zal zijn met artikel 3 van Pro het EVRM en artikel 4 van Pro het Handvest. Dit vermoeden is weerlegbaar. Het is aan eiser om met concrete aanwijzingen aannemelijk te maken dat hij bij overdracht aan Luxemburg, als gevolg van het niet nakomen van internationale verplichtingen door de Luxemburgse autoriteiten, een reëel risico loopt op een met artikel 3 van Pro het EVRM en artikel 4 van Pro het Handvest strijdige behandeling. Daarvoor kan hij objectieve informatie over de werking van het asiel- en opvangsysteem in Luxemburg overleggen of verklaringen afleggen over zijn eigen ervaringen aangaande het asiel- en opvangsysteem in Luxemburg. Van een schending van artikel 3 van Pro het EVRM en artikel 4 van Pro het Handvest zal, in geval eiser aannemelijk maakt dat er sprake is van tekortkomingen in het asiel- en opvangsysteem, eerst sprake zijn indien die tekortkomingen structureel zijn en een bijzonder hoge drempel van zwaarwegendheid bereiken.
5.2.
De rechtbank is van oordeel dat eiser hier niet in is geslaagd. Eiser heeft niet aannemelijk gemaakt dat asielzoekers of Dublinterugkeerders in Luxemburg worden behandeld of uitgezet in strijd met internationale verplichtingen. Evenmin heeft eiser onderbouwd dat hij als Dublinterugkeerder geen toegang kan krijgen tot opvang of andere voorzieningen in Luxemburg. Voorop staat dat Luxemburg met het claimakkoord gegarandeerd heeft dat eisers (herhaalde) asielaanvraag in behandeling wordt genomen en dat zij daarbij de internationale verplichtingen in acht zullen nemen, waaronder het recht op opvang. Naar het oordeel van de rechtbank heeft eiser niet aannemelijk gemaakt dat dit (in zijn geval) anders is en dat ten aanzien van Luxemburg niet langer van het interstatelijk vertrouwensbeginsel kan worden uitgegaan. Uit de door eiser overgelegde fact sheet van de UNHCR over Luxemburg van september 2024 volgt weliswaar dat de ontvangstlocaties voor asielzoekers bijna vol zitten en dat sinds oktober 2023 alleenstaande mannen die al asiel hebben aangevraagd in een ander EU-land geen automatische toegang hebben tot materiële opvangvoorzieningen, maar dat is niet de situatie waarin eiser terecht komt als hij wordt overgedragen. De fact sheet ziet op situaties waarbij een andere lidstaat dan Luxemburg verantwoordelijk is voor de asielaanvraag, in het geval van eiser is Luxemburg juist de verantwoordelijke lidstaat. Dit blijkt ook uit het claimakkoord waaruit volgt dat hij in Luxemburg een inhoudelijke beoordeling van zijn (herhaalde) asielaanvraag zal krijgen en daarbij ook toegang krijgt tot bijvoorbeeld opvang. Verder blijkt uit het nieuwsartikel van RTL dat de opvanglocaties inmiddels zijn schoongemaakt en dat de Luxemburgse autoriteiten zeven dagen per week professionele schoonmaakbedrijven inhuurt om de faciliteiten schoon te houden. Daarom kan ook niet worden gezegd dat de hygiëneproblemen die eiser beschrijft structureel van aard zijn en de Luxemburgse autoriteiten onverschillig staan tegenover deze problemen. Verder is van belang dat Luxemburg met het claimakkoord heeft gegarandeerd dat de behandeling van de asielaanvraag geschiedt met inachtneming van de Europese asiel- en opvangrichtlijnen. Als eiser vindt dat Luxemburg zich niet houdt aan de internationale verplichtingen, ligt het op zijn weg om hierover te klagen bij de (hogere) Luxemburgse autoriteiten. Niet is gebleken dat dit voor eiser niet mogelijk is.
5.3.
Gelet op het voorgaande heeft de minister naar het oordeel van de rechtbank terecht geconcludeerd dat er geen concrete aanwijzingen zijn dat Luxemburg zijn internationale verplichtingen jegens eiser niet zal nakomen.
5.4.
De minister heeft in de door eiser gestelde omstandigheden, de cumulatie van eisers eerdere afwijzing, het opgelegde vertrekbevel en het risico op opvangloosheid bij terugkeer, ook geen aanleiding hoeven zien om de asielaanvraag van eiser inhoudelijk in behandeling te nemen op grond van artikel 17, eerste lid, van de Dublinverordening. Anders dan eiser stelt heeft de minister op pagina 4 van het bestreden besluit overwogen dat geen sprake is van zodanige bijzondere, individuele omstandigheden dat Nederland de aanvraag in behandeling zou moeten nemen. De beroepsgrond slaagt niet.

Conclusie en gevolgen

6. Het beroep is ongegrond. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. R.H. van Marle, rechter, in aanwezigheid van mr. M.C.M. van Dommele, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op: 2 juli 2026
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Dit staat ook in artikel 30, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000.