ECLI:NL:RBDHA:2026:2052

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
5 februari 2026
Publicatiedatum
6 februari 2026
Zaaknummer
NL25.53035 en NL25.53037
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:83 AwbBesluit proceskosten bestuursrechtArtikel 3 Bpb
Verwijzingen
3 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing voorlopige voorziening in Dublin-zaak met proceskostenveroordeling

Verzoekers hebben asielaanvragen ingediend die door de minister van Asiel en Migratie niet in behandeling zijn genomen omdat België volgens de Dublin-verordening verantwoordelijk is. Verzoekers stelden beroep in tegen deze besluiten en vroegen om een voorlopige voorziening.

De voorzieningenrechter oordeelde dat de beroepen kennelijk ongegrond zijn en wees de verzoeken om voorlopige voorziening af. Wel veroordeelde de voorzieningenrechter de minister in de proceskosten van verzoekers, vastgesteld op € 934, conform het Besluit proceskosten bestuursrecht.

De uitspraak is gedaan zonder zitting op 5 februari 2026 door voorzieningenrechter E.F. Bethlehem en is onherroepelijk omdat hoger beroep of verzet niet openstaat.

Uitkomst: Verzoeken om voorlopige voorziening worden afgewezen en minister wordt veroordeeld in proceskosten van € 934.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummers: NL25.53035 en NL25.53037

uitspraak van de voorzieningenrechter in de zaken tussen

[verzoeker], V-nummer: [V-nummer 1], verzoeker

[verzoekster], V-nummer: [V-nummer 2], verzoekster
mede namens hun minderjarige kinderen:
[kind 1], [kind 2]en
[kind 3]
hierna gezamenlijk: verzoekers
(gemachtigde: mr. N. Vollebergh),
en

de minister van Asiel en Migratie, verweerder

(gemachtigde: mr. H. van Halteren).

Procesverloop

Bij afzonderlijke besluiten van 29 oktober 2025 (de bestreden besluiten) heeft verweerder de asielaanvragen van verzoekers niet in behandeling genomen omdat België daarvoor verantwoordelijk is.
Verzoekers hebben afzonderlijk beroep ingesteld tegen de bestreden besluiten. Zij hebben verder de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.
De voorzieningenrechter doet op grond van artikel 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht uitspraak zonder zitting.

Beoordeling door de voorzieningenrechter

1. Bij uitspraak van vandaag, zaaknummers NL25.53034 en NL25.53036, heeft de rechtbank uitspraak gedaan op de beroepen. De verzoeken worden daarom als kennelijk ongegrond afgewezen.
2. In de uitkomst van de beroepen ziet de voorzieningenrechter aanleiding om verweerder te veroordelen in de door verzoekers gemaakte proceskosten. Deze worden op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb) voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vastgesteld op € 934, bestaande uit een punt voor het indienen van het verzoekschrift met een waarde per punt van € 934 en vermenigvuldigd met wegingsfactor 1 (gemiddeld). De verzoeken van verzoekers worden aangemerkt als samenhangende zaken in de zin van artikel 3 van Pro het Bpb.

Beslissing

De voorzieningenrechter:
- wijst de verzoeken om een voorlopige voorziening af;
- veroordeelt verweerder in de door verzoekers gemaakte proceskosten tot een bedrag van € 934.
Deze uitspraak is gedaan op 5 februari 2026 door mr. E.F. Bethlehem, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. W. van Loon, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
De uitspraak is bekendgemaakt op:
Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.