ECLI:NL:RBDHA:2026:2048

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
30 januari 2026
Publicatiedatum
6 februari 2026
Zaaknummer
C/09/694305 / KG ZA 25-1101
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Kort geding
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:119 BWArt. 6:127 lid 2 BWArt. 6:248 lid 2 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Zorgkantoor mag cliëntenstop en aanvullende voorwaarden opleggen aan zorgaanbieder

In deze kortgedingprocedure vordert zorgaanbieder ICZ opheffing van een door zorgkantoor Zilveren Kruis opgelegde cliëntenstop, intrekking van aanvullende voorwaarden, het aangaan van een betalingsregeling en het verbod op verrekening van een correctiebedrag. ICZ stelt dat haar financiële situatie is verbeterd en dat de maatregelen onredelijk zijn.

Zilveren Kruis heeft de cliëntenstop en aanvullende voorwaarden gebaseerd op de negatieve financiële situatie van ICZ, waaronder een openstaande belastingschuld en een hoog foutpercentage uit een materiële controle over 2022. De rechtbank oordeelt dat deze maatregelen niet onredelijk of disproportioneel zijn en dat Zilveren Kruis bevoegd is tot verrekening van het correctiebedrag met voorschotten.

De rechtbank wijst de vorderingen van ICZ af en veroordeelt haar in de proceskosten. De belangenafweging leidt tot de conclusie dat het belang van Zilveren Kruis bij het waarborgen van continuïteit en kwaliteit van zorg prevaleert boven het belang van ICZ bij opheffing van de cliëntenstop en het intrekken van voorwaarden.

Uitkomst: De rechtbank wijst de vorderingen van ICZ af en bevestigt de cliëntenstop, aanvullende voorwaarden en verrekening door Zilveren Kruis.

Uitspraak

Rechtbank den haag

Team handel - voorzieningenrechter
zaak- / rolnummer: C/09/694305 / KG ZA 25-1101
Vonnis in kort geding van 30 januari 2026
in de zaak van
I.C.Z. CURA WLZ B.V.te Rotterdam,
eiseres,
advocaten mr. drs. N.U.N. Kien, mr. J. Boogaers en mr. C.I. de Geus, allen te Rotterdam,
tegen:
ZILVEREN KRUIS ZORGKANTOOR N.V.te Leiden,
gedaagde,
advocaten mr. S.C. Bezemer en mr. S.V.C. de Kroon, beiden te Amsterdam.
Partijen worden hierna respectievelijk aangeduid als ‘ICZ’ en ‘Zilveren Kruis’.

1.De procedure

1.1.
Het procesdossier bestaat uit de volgende stukken:
- de dagvaarding van 26 november 2025, met producties 1 tot en met 24;
- de conclusie van antwoord, met producties 1 tot en met 20;
- de akte indiening nadere producties, met producties 25 tot en met 30, van de zijde van ICZ;
- productie 21 van de zijde van Zilveren Kruis;
- de akte houdende een vermeerdering van eis, met een nieuwe productie 27.
1.2.
De mondelinge behandeling is gehouden op 16 januari 2026. Tijdens de mondelinge behandeling hebben de advocaten van partijen het woord gevoerd aan de hand van pleitaantekeningen. Deze maken deel uit van het dossier.
1.3.
Zilveren Kruis heeft bezwaar gemaakt tegen de eisvermeerdering van ICZ en de door ICZ overgelegde (nieuwe) productie 27. Volgens Zilveren Kruis is het door de late indiening van deze stukken, namelijk de dag voor de mondelinge behandeling om 17.19 uur, voor haar niet mogelijk om adequaat op de eisvermeerdering en de nieuwe productie te reageren. De voorzieningenrechter gaat aan dit bezwaar van Zilveren Kruis voorbij. Zilveren Kruis heeft op 2 januari 2026 aan ICZ kenbaar gemaakt haar vordering te zullen verrekenen en ook in de conclusie van antwoord is Zilveren Kruis op het onderwerp verrekening ingegaan. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter kan de eisvermeerdering van ICZ, die betrekking heeft op die verrekening, daarom in redelijkheid geen verrassing voor Zilveren Kruis zijn geweest en is zij hierdoor niet in haar belangen geschaad. Ook de nieuwe productie 27 van ICZ is niet in strijd met de goede procesorde. Aan de bij de eerdere akte door ICZ ingediende productie 27 is immers alleen een bijlage toegevoegd en Zilveren Kruis heeft niet toegelicht dat zij onvoldoende gelegenheid heeft gehad om zich daartegen te verweren.
1.4.
De datum voor het wijzen van vonnis is bepaald op vandaag.

2.De feiten

Op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting wordt in dit geding van het volgende uitgegaan.
2.1.
ICZ is een zorgaanbieder die aan kwetsbare personen zorg verleent in de vorm van begeleid wonen, ambulante begeleiding en dagbesteding, een en ander zoals omschreven in de Wet langdurige zorg (Wlz). Zilveren Kruis is een zorgkantoor dat op grond van de Wlz verantwoordelijk is voor het inkopen van zorg in een aantal regio’s in Nederland. Zij koopt die zorg in na het doorlopen van een inkoopprocedure. Met de zorgaanbieders die aan de gestelde eisen voldoen sluit zij vervolgens een overeenkomst.
2.2.
Tussen partijen is een ‘Basisovereenkomst WLZ 2025-2026’ (versie 7 juli 2023), hierna ‘de basisovereenkomst’, tot stand gekomen voor de sector Gehandicaptenzorg. Die overeenkomst is van kracht vanaf 1 januari 2025 en is aangegaan voor bepaalde tijd tot 31 december 2026, met de mogelijkheid tot verlenging. Op de basisovereenkomst is onder meer het regionale inkoopbeleid Wlz 2024-2026 (hierna ‘het inkoopbeleid’) met de bijbehorende bijlagen van toepassing verklaard. Een van die bijlagen is Bijlage 1, de Overeenkomst 2024-2026 Zorgkantoor-Zorgaanbieder Wlz (hierna ‘Bijlage 1’). In Deel III: Algemeen Deel van Bijlage 1 is in artikel 15 lid 3 bepaald Pro dat onrechtmatige betalingen worden teruggevorderd, dan wel verrekend, en in artikel 18 lid 4 is Pro opgenomen:
2.3.
In paragraaf 6.8.4. sub 1 van het inkoopbeleid is bepaald dat bestaande zorgaanbieders die tot en met 31 december 2025 al een Wlz-overeenkomst hebben (zoals ICZ) een volledig naar waarheid ingevulde bestuursverklaring moeten indienen, waarin wordt bevestigd dat aan alle geschiktheidseisen wordt voldaan. Tot die geschiktheidseisen behoort de verplichting tot het betalen van belastingen, die als uitsluitingsgrond in het inkoopbeleid is opgenomen. In paragraaf 6.9.3 van het inkoopbeleid is (samengevat) vermeld dat Zilveren Kruis op basis van haar beoordeling van de situatie bij een zorgaanbieder aan de hand van onder meer lopende onderzoeken, materiële controles of onderzoeken van toezichthouders zoals de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd (IGJ), ontbindende voorwaarden kan verbinden aan het aangaan van een Wlz-overeenkomst.
2.4.
Op 25 november 2024 heeft Zilveren Kruis in het kader van de jaarlijkse beoordeling van de financiële situatie van de zorgaanbieders waarmee zij een overeenkomst heeft gesloten aan ICZ meegedeeld dat uit het door Zilveren Kruis gebruikte signaleringssysteem is gebleken dat ICZ een ‘hoog risico’ scoort. Daarom is ICZ verzocht om nadere informatie te verstrekken met betrekking tot de governance-structuur, de (meerjarige) liquiditeitsprognose 2024-2025, de begroting 2024 en de meerjarige investeringsbegroting. ICZ heeft vervolgens nadere informatie aan Zilveren Kruis verstrekt, waarna op 13 januari 2025 en 27 januari 2025 gesprekken tussen partijen hebben plaatsgevonden.
2.5.
Bij brief van 3 februari 2025 heeft Zilveren Kruis het volgende aan ICZ meegedeeld:
Daarbij heeft Zilveren Kruis ICZ verzocht om inzage te geven in haar financiële positie, door een sluitende liquiditeitsprognose 2025, een concept jaarrekening 2024 en een overzicht van alle schuldeisers aan Zilveren Kruis toe te sturen.
2.6.
In de periode van 14 februari 2025 tot 3 september 2025 hebben (mr. J. Boogaers namens) ICZ en Zilveren Kruis uitvoerig met elkaar gecorrespondeerd. Daarbij heeft Zilveren Kruis ICZ een aantal keren verzocht nadere informatie te verstrekken met betrekking tot de financiële situatie van ICZ en de schuld aan de Belastingdienst, heeft ICZ informatie aan Zilveren Kruis verstrekt en verzocht om de cliëntenstop in heroverweging te nemen en heeft Zilveren Kruis aan ICZ meegedeeld dat de cliëntenstop gehandhaafd blijft tot de financiële positie van ICZ voldoende verbeterd is en ICZ voldoet aan de inkoopvoorwaarden.
2.7.
Tussen 26 januari 2021 en 26 november 2024 heeft de IGJ een aantal inspectiebezoeken aan ICZ gebracht. Uit de naar aanleiding daarvan opgemaakte inspectierapporten blijkt (samengevat) dat de IGJ heeft geconstateerd dat ICZ niet aan alle gestelde kwaliteitsnormen voldoet, dat ICZ de opleiding van zorgverleners moet verbeteren, dat de zorgverleners van ICZ onvoldoende kennis hebben over complexe zorgvragen en dat medicatie niet op de juiste manier wordt bewaard. Als gevolg hiervan zal de IGJ de situatie bij ICZ blijvend monitoren.
2.8.
Zilveren Kruis heeft een materiële controle uitgevoerd met betrekking tot de door ICZ in 2022 gedeclareerde Wlz-zorg, waarbij is getoetst of de in dat jaar geleverde zorg doelmatig en rechtmatig is verstrekt en gedeclareerd. Bij brief van 12 september 2025 heeft Zilveren Kruis (samengevat) aan ICZ meegedeeld dat zij diverse tekortkomingen heeft geconstateerd met betrekking tot de door ICZ gedeclareerde zorg. Daarbij heeft Zilveren Kruis op basis van een steekproef een foutpercentage van 79,66% vastgesteld, op grond waarvan ICZ een bedrag van € 2.776.360,23, hierna ‘het correctiebedrag’, aan Zilveren Kruis moet terugbetalen. De Nederlandse Zorgautoriteit (NZa) heeft naar aanleiding van de opgave nacalculatie 2022 van Zilveren Kruis een beschikking nacalculatie 2022 gegeven, waarin het correctiebedrag is overgenomen. ICZ kan zich niet vinden in het oordeel van Zilveren Kruis en is voornemens een bodemprocedure aanhangig te maken, waarin zij in ieder geval een herziening van de bevindingen naar aanleiding van de materiële controle en aanpassing van het correctiebedrag zal vorderen.
2.9.
Zilveren Kruis heeft ICZ in de gelegenheid gesteld om een reëel voorstel te doen voor het treffen van een betalingsregeling met betrekking tot het correctiebedrag. ICZ heeft hierop bij brief van 3 oktober 2025 aangeboden om een bedrag van € 948.416,18 aan Zilveren Kruis te betalen. Zilveren Kruis is met dit aanbod niet akkoord gegaan en heeft aan ICZ meegedeeld bereid te zijn om een betalingsregeling te treffen voor het volledige correctiebedrag, waarbij ICZ opnieuw is uitgenodigd om een voorstel te doen. Tussen partijen is geen betalingsregeling tot stand gekomen.
2.10.
Op 24 oktober 2025 heeft Zilveren Kruis een voorstel aan ICZ verstrekt met daarin de aanvullende voorwaarden waaronder Zilveren Kruis bereid is de basisovereenkomst met ICZ in 2026 voort te zetten. De aanvullende voorwaarden zijn vermeld in lid 2 van ‘Deel I.B: zorgaanbiedergebonden afspraken’ van de basisovereenkomst (hierna ‘het addendum’), en deze luiden voor zover hier van belang als volgt:
(…)
(…)
(…)
2.11.
In een e-mailbericht van 29 oktober 2025 heeft ICZ haar reactie op en haar bezwaren tegen de aanvullende voorwaarden uit het addendum aan Zilveren Kruis kenbaar gemaakt. Zilveren Kruis heeft hierop in een e-mailbericht van 30 oktober 2025 aan ICZ meegedeeld dat ICZ niet voldoet aan de gestelde inkoopvoorwaarden met betrekking tot het eigen vermogen en de belastingafdrachten en dat de aanvullende voorwaarden daarom redelijk en passend zijn. Vervolgens heeft ICZ in een e-mailbericht van 31 oktober 2025 aan ICZ laten weten dat zij het weliswaar op onderdelen niet (volledig) eens is met de nadere voorwaarden, maar dat zij het addendum desondanks voor akkoord zal ondertekenen
“vanwege het proces en tijd die hiervoor staat”.
2.12.
Zilveren Kruis heeft in een e-mailbericht van 2 januari 2026 aan ICZ meegedeeld dat het correctiebedrag verrekend zal worden met de bedragen die normaal gesproken gedurende de eerste twee maanden van een kalenderjaar, in dit geval januari en februari 2026, bij wijze van voorschot aan ICZ zouden worden betaald.
2.13.
Met betrekking tot de schuld van ICZ aan de Belastingdienst heeft mr. J. Boogaers in een e-mailbericht van 31 december 2025 voor zover hier van belang aan Zilveren Kruis meegedeeld:
2.14.
Mr. S.V.C. de Kroon heeft in een e-mailbericht aan de advocaten van ICZ van 15 januari 2026 namens Zilveren Kruis gereageerd op een door ICZ opgesteld herstelplan, waarbij is toegelicht waarom ICZ in de visie van Zilveren Kruis niet aan de inkoopvoorwaarden en/of de nadere voorwaarden in het addendum voldoet.

3.Het geschil

3.1.
ICZ vordert – na vermeerdering van eis en zakelijk weergegeven –
primair(1) Zilveren Kruis te veroordelen tot opheffing van de cliëntenstop bij ICZ en/of (2) Zilveren Kruis te veroordelen tot intrekking van de aanvullende voorwaarden en/of (3) Zilveren Kruis te veroordelen tot het aangaan of hervatten van de onderhandelingen met ICZ over een betalingsregeling voor het correctiebedrag en/of (4) Zilveren Kruis te verbieden het correctiebedrag van € 2.776.360,23 naar aanleiding van de materiële controle over 2022 te verrekenen met bevoorschottingen en/of reguliere betalingen aan ICZ in januari 2026 en/of februari 2026 en/of maart 2026 en/of (5) Zilveren Kruis te verbieden om invorderings- of executiemaatregelen te treffen ter zake van het correctiebedrag, zolang partijen niet tot een betalingsregeling zijn gekomen of zolang het correctiebedrag niet rechtens onaantastbaar is en/of (6) Zilveren Kruis te gebieden de reguliere bevoorschotting en uitbetaling in de maanden januari 2026 en/of februari 2026 en/of maart 2026 aan ICZ onverkort te hervatten of voort te zetten, zonder inhouding of verrekening;
subsidiair(7) een in goede justitie te bepalen voorziening te treffen en/of (8) te bepalen dat Zilveren Kruis het correctiebedrag slechts gefaseerd en gemaximeerd mag verrekenen, zodanig dat de liquiditeitspositie van ICZ niet onevenredig wordt aangetast, een en ander (9) met veroordeling van Zilveren Kruis in de proceskosten en de nakosten, te vermeerderen met de wettelijke rente.
3.2.
Daartoe stelt ICZ – samengevat – het volgende. ICZ is voor haar inkomsten bijna volledig afhankelijk van de vergoeding die zij van Zilveren Kruis ontvangt. De financiële problemen van ICZ zijn voorbij en ICZ heeft alleen nog een schuld aan de Belastingdienst, waarvoor zij een betalingsregeling heeft getroffen. Omdat Zilveren Kruis desondanks twijfelt aan de continuïteit van ICZ heeft zij aan ICZ een cliëntenstop opgelegd, heeft zij onhaalbare voorwaarden gesteld aan het continueren van de basisovereenkomst voor 2026 en heeft zij aangekondigd de vordering die zij op ICZ stelt te hebben op grond van de materiële controle over 2022 te zullen verrekenen met de (voorschot)betalingen in de maanden januari en februari 2026. Verder weigert Zilveren Kruis om mee te werken aan een betalingsregeling. Deze handelwijze van Zilveren Kruis heeft tot gevolg dat ICZ inkomsten misloopt, waardoor juist een risico voor de continuïteit van de zorg wordt gecreëerd. ICZ heeft er daarom belang bij dat de cliëntenstop wordt opgeheven, dat zij de basisovereenkomst onder normale voorwaarden met Zilveren Kruis kan voortzetten, dat Zilveren Kruis met haar in overleg treedt over een betalingsregeling voor het correctiebedrag en dat Zilveren Kruis de bevoorschotting en/of reguliere betalingen aan ICZ hervat.
3.3.
De conclusie van Zilveren Kruis strekt tot afwijzing van de vorderingen van ICZ, met veroordeling van ICZ in de proceskosten en de nakosten, te vermeerderen met de wettelijke rente. Haar verweer zal hierna, voor zover nodig, worden besproken.

4.De beoordeling van het geschil

4.1.
Tussen partijen is in geschil of er aanleiding bestaat om Zilveren Kruis te verplichten om de aan ICZ opgelegde cliëntenstop te beëindigen en/of om de aanvullende voorwaarden in te trekken. Verder moet worden beoordeeld of Zilveren Kruis het correctiebedrag mag verrekenen of dat zij de betalingen aan ICZ moet hervatten en of partijen moeten onderhandelen over een betalingsregeling. Ten slotte zal een belangenafweging plaatsvinden.
4.2.
Met betrekking tot de cliëntenstop en de aanvullende voorwaarden in het addendum stelt de voorzieningenrechter voorop dat de opgelegde maatregel en de gestelde voorwaarden op grond van het bepaalde in artikel 6:248 lid 2 van Pro het Burgerlijk Wetboek buiten toepassing moeten blijven voor zover handhaving ervan in de gegeven omstandigheden naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zou zijn.
De cliëntenstop
4.3.
ICZ stelt dat Zilveren Kruis de cliëntenstop ten onrechte handhaaft, omdat ICZ aan Zilveren Kruis heeft laten zien dat sprake is van een toenemend herstel en een vergroting van de stabiliteit van haar financiële situatie. Volgens ICZ wordt het belang dat Zilveren Kruis stelt te dienen met het opleggen van de cliëntenstop, namelijk het borgen van de continuïteit in de zorgverlening, door het handhaven ervan juist nodeloos onder druk gezet. Daarbij heeft ICZ toegelicht dat zij door de cliëntenstop onder grote financiële druk is komen te staan en dat zij er daarom belang bij heeft dat de uitstroom met nieuwe instroom kan worden opgevangen. De cliëntenstop moet daarom zo snel mogelijk worden opgeheven, aldus ICZ.
4.4.
Zilveren Kruis betoogt dat de beslissing om bij ICZ een cliëntenstop in te stellen en vervolgens te handhaven onder meer is ingegeven door de openstaande belastingschuld en het negatieve eigen vermogen van ICZ en de risico’s voor de continuïteit van de zorg voor de huidige cliënten van ICZ. Daarbij heeft Zilveren Kruis erop gewezen dat zij haar beslissing om de cliëntenstop te handhaven herhaaldelijk in de correspondentie aan ICZ heeft gemotiveerd, zodat het voor ICZ duidelijk had moeten zijn dat de cliëntenstop zou gelden totdat de financiële situatie van ICZ voldoende is verbeterd en ICZ voldoet aan de inkoopvoorwaarde met betrekking tot de nakoming van fiscale verplichtingen.
4.5.
De voorzieningenrechter is van oordeel dat Zilveren Kruis hiermee voldoende heeft onderbouwd dat er, gelet op de financiële situatie van ICZ als gevolg van haar negatieve eigen vermogen en de belastingschuld, reden is om de instroom van nieuwe cliënten bij ICZ te beperken om zo risico’s voor de zorgverlening aan de huidige cliënten van ICZ zoveel mogelijk te voorkomen. Bij die stand van zaken is de handhaving van de cliëntenstop niet onredelijk en evenmin disproportioneel. Dit geldt te meer nu ICZ de impact van de cliëntenstop op haar financiële situatie onvoldoende concreet heeft gemaakt en zij niet aannemelijk heeft gemaakt dat zij als gevolg van de cliëntenstop in haar voortbestaan wordt bedreigd. Dat ICZ door de cliëntenstop uiteindelijk geen cliënten meer zal hebben aan wie zij zorg kan bieden, heeft ICZ wel gesteld maar niet onderbouwd. Aan die stelling wordt daarom voorbijgegaan.
De aanvullende voorwaarden
4.6.
ICZ stelt verder dat Zilveren Kruis onhaalbare aanvullende voorwaarden heeft gesteld aan de voortzetting van de basisovereenkomst en dat Zilveren Kruis daarmee onrechtmatig en in strijd met de redelijkheid en billijkheid handelt. Daarbij betoogt ICZ dat Zilveren Kruis in het addendum onder meer als aanvullende voorwaarde heeft gesteld dat uit materiële controles vanaf 1 januari 2021 geen onrechtmatigheid groter dan 10% mag blijken, terwijl zij naar aanleiding van de materiële controle over 2022 voor dat jaar al een onrechtmatigheid van bijna 80% heeft vastgesteld. Dit betekent volgens ICZ dat zij niet aan deze aanvullende voorwaarde kan voldoen en dat Zilveren Kruis daarmee een onhaalbare aanvullende voorwaarde heeft gesteld. Verder stelt ICZ dat zij met betrekking tot aanvullende voorwaarde 1. afhankelijk is van de medewerking van de Belastingdienst en dat zij het daarom niet zelf in de hand heeft of zij aan de gestelde voorwaarde kan voldoen, zodat ook die voorwaarde onrechtmatig en in strijd is met de redelijkheid en billijkheid is. Daarbij wijst ICZ erop dat met de Belastingdienst is afgesproken dat de verschuldigde belastingen vanaf het boekjaar 2025 op aangifte worden betaald, totdat de Belastingdienst een besluit heeft genomen over de saneringsvoorstellen van ICZ. In dit verband wijst ICZ er ook nog op dat de afspraken met de Belastingdienst betrekking hebben op de schulden van andere vennootschappen binnen het concern van ICZ Cura en dat ICZ zelf geen belastingschulden heeft.
4.7.
Op grond van paragraaf 6.9.3 van het inkoopbeleid heeft Zilveren Kruis de mogelijkheid om ontbindende voorwaarden te verbinden aan de voortzetting van de basisovereenkomst met ICZ. Zilveren Kruis heeft voldoende aannemelijk gemaakt dat de in die paragraaf genoemde voorbeelden van situaties waarin nadere voorwaarden kunnen worden gesteld niet limitatief zijn en dat het daarom aan Zilveren Kruis is om te beoordelen of het met het oog op de continuïteit en de kwaliteit van de zorg en het beheersen van de kosten is aangewezen om aanvullende voorwaarden te stellen.
4.8.
Zilveren Kruis betoogt dat zij de aanvullende voorwaarden heeft gesteld vanwege aanhoudende zorgen over de financiële situatie bij ICZ, de schuld van ICZ aan de Belastingdienst, de rapportages van de IGJ met betrekking tot de continuïteit en de kwaliteit van de zorg bij ICZ en de resultaten van de materiële controle over 2022. Daarbij voert Zilveren Kruis aan dat zij die aanvullende voorwaarden heeft vastgelegd in het addendum, dat zij samen met een contractvoorstel voor 2026 aan ICZ heeft toegezonden, waarna ICZ het aanbod van Zilveren Kruis heeft geaccepteerd.
4.9.
De voorzieningenrechter is van oordeel dat Zilveren Kruis de aanvullende voorwaarden in redelijkheid aan de voortzetting van de basisovereenkomst met ICZ heeft kunnen stellen. Daartoe wordt het volgende overwogen.
4.10.
ICZ heeft niet aannemelijk gemaakt dat de door Zilveren Kruis gestelde voorwaarde dat uit materiële controles vanaf 1 januari 2021 geen onrechtmatigheid groter dan 10% mag blijken onredelijk is. Zilveren Kruis heeft tegenover het betoog van ICZ immers aannemelijk gemaakt dat zij met de gestelde voorwaarde de mogelijkheid van ontbinding heeft willen creëren voor de situatie dat uit een formele of materiële controle over een ander jaar dan 2022 een onrechtmatigheid van meer dan 10% volgt. Deze voorwaarde is volgens Zilveren Kruis nodig om te waarborgen dat zorgvuldig wordt omgegaan met publieke gelden en, gelet op de uitkomsten van de materiële controle over 2022, bestaat er aanleiding om op dit punt extra kritisch te zijn ten opzichte van ICZ. De voorzieningenrechter is van oordeel dat Zilveren Kruis zich in redelijkheid op dit standpunt heeft kunnen stellen en dat de gestelde voorwaarde in de gegeven omstandigheden niet disproportioneel is. Deze voorwaarde heeft, anders dan ICZ stelt, immers niet tot gevolg dat ICZ vanwege de uitkomst van de materiële controle over 2022 op voorhand al niet aan de gestelde voorwaarde kan voldoen, terwijl Zilveren Kruis voldoende heeft onderbouwd dat en waarom de voorwaarde aangewezen is.
4.11.
Ook de aanvullende voorwaarde dat ICZ voor 1 januari 2026 een deal met de Belastingdienst moet hebben gesloten met betrekking tot de belastingschuld is naar het oordeel van de voorzieningenrechter niet onredelijk of disproportioneel. In paragraaf 6.8.4 van het inkoopbeleid is het niet voldoen aan verplichtingen ten opzichte van de Belastingdienst aangemerkt als uitsluitingsgrond voor de totstandkoming (of in dit geval voortzetting) van de basisovereenkomst. In dit verband heeft Zilveren Kruis voldoende toegelicht dat een openstaande belastingschuld niet past bij de financieel stabiele zorgaanbieder, die voldoet aan zijn wettelijke verplichtingen, met wie zij een overeenkomst wil sluiten en dat de belastingschuld van ICZ daarom een reëel risico vormt voor de continuïteit van de zorg. Voor zover ICZ zich er in dit verband op beroept dat zij om te kunnen voldoen aan deze voorwaarde afhankelijk is van de medewerking van de Belastingdienst gaat de voorzieningenrechter daaraan voorbij. ICZ stelt immers dat zij al een betalingsregeling met de Belastingdienst heeft getroffen, die zij ook nakomt, en daarom valt niet in te zien waarom zij niet in staat zou zijn om Zilveren Kruis (tijdig) inzage te geven in deze regeling om zo te voldoen aan de gestelde aanvullende voorwaarde. Daar komt bij dat Zilveren Kruis terecht opmerkt dat zij de nakoming van verplichtingen met betrekking tot belastingen, die zij als uitsluitingsgrond hanteert, ook moet kunnen handhaven. Dat ICZ zelf geen belastingschuld heeft, zoals zij aanvoert, maakt het voorgaande niet anders. Zilveren Kruis heeft immers voldoende toegelicht dat de in het addendum gestelde voorwaarde, waar ICZ (voorwaardelijk) mee akkoord is gegaan, betrekking heeft op een deal voor de hele groep en dat ICZ in haar financiële prognose wel een belastingschuld heeft opgenomen.
Verrekening of hervatten betalingen?
4.12.
Volgens ICZ moet het Zilveren Kruis worden verboden om het correctiebedrag te verrekenen met de voorschotten over de maanden januari en februari 2026 en om executiemaatregelen te treffen met betrekking tot het correctiebedrag, zolang dit niet vaststaat. Daarnaast moet Zilveren Kruis de reguliere betalingen en bevoorschottingen aan ICZ, zonder verrekening, hervatten, aldus ICZ. Daarbij brengt ICZ naar voren dat zij, als Zilveren Kruis over gaat tot verrekening, in een situatie van insolventie terecht komt.
4.13.
ICZ heeft haar stelling dat zij bij verrekening in directe financiële nood komt te verkeren onvoldoende toegelicht. Weliswaar zal zij gedurende de maanden januari en februari 2026 het voorschotbedrag, dat volgens ICZ één miljoen euro per maand bedraagt, mislopen, maar dat dit zonder meer tot de gestelde insolventie leidt, is niet aannemelijk geworden. De voorzieningenrechter is daarom van oordeel dat Zilveren Kruis bevoegd is om tot verrekening over te gaan, zowel op grond van artikel 6:127 lid 2 BW Pro als op grond van de artikelen 15 lid 3 en 18 lid 4 in Deel III van Bijlage 1, waarin is bepaald dat onrechtmatige betalingen mogen worden teruggevorderd, dan wel verrekend. Dat de hoogte van het correctiebedrag nog niet vast staat, omdat ICZ voornemens is dit bedrag in een bodemprocedure aan te vechten, maakt dat niet anders. De conclusies naar aanleiding van de materiële controle over 2022 staan in deze kortgedingprocedure immers niet ter discussie, zodat vooralsnog moet worden uitgegaan van de verschuldigdheid van het correctiebedrag en daarmee van de verrekeningsbevoegdheid van Zilveren Kruis. Daarbij past evenmin dat het Zilveren Kruis wordt verboden om andere executiemaatregelen te treffen met betrekking tot het correctiebedrag.
Onderhandelen over een betalingsregeling?
4.14.
ICZ betoogt nog dat Zilveren Kruis moet worden veroordeeld tot het onderhandelen met ICZ over een betalingsregeling met betrekking tot het correctiebedrag. Zilveren Kruis heeft echter voldoende onderbouwd dat zij ICZ meerdere mogelijkheden heeft geboden om een voorstel voor een betalingsregeling te doen, zij het voor het gehele correctiebedrag. Mede tegen die achtergrond valt niet in te zien waarom van Zilveren Kruis gevergd kan worden dat zij (opnieuw) met ICZ in onderhandeling treedt over een betalingsregeling. Uiteraard staat het partijen vrij om die betalingsregeling met elkaar te bespreken, maar anders dan ICZ kennelijk meent bestaat er geen aanleiding om Zilveren Kruis daartoe te verplichten.
Belangenafweging
4.15.
Een belangenafweging maakt het voorgaande niet anders.
Volgens ICZ weegt haar belang bij voortzetting van de basisovereenkomst in 2026, bij het opheffen van de cliëntenstop en bij het treffen van een betalingsregeling zwaarder dan het belang van Zilveren Kruis bij het kunnen voldoen aan haar wettelijke zorgplicht, op grond waarvan zij voldoende, kwalitatieve en doelmatige zorg moet inkopen. De door Zilveren Kruis getroffen maatregelen veroorzaken juist financiële problemen voor ICZ en als de gevorderde voorzieningen niet worden toegewezen, zal ICZ haar organisatie feitelijk moeten ontmantelen en zal zij niet in staat zijn om het correctiebedrag aan Zilveren Kruis te voldoen.
4.16.
Hoewel het belang van ICZ bij beëindiging van de cliëntenstop en bij voortzetting van de basisovereenkomst met Zilveren Kruis evident is, betekent dit niet zonder meer dat dat belang moet prevaleren boven het belang van Zilveren Kruis. Zoals hiervoor al is overwogen heeft ICZ onvoldoende concreet gemaakt dat de handhaving van de cliëntenstop en de aangekondigde verrekening een onevenredig negatieve impact op haar financiële situatie zullen hebben. Daar komt nog bij dat Zilveren Kruis gemotiveerd heeft betwist dat de financiële situatie van ICZ het gevolg is van de cliëntenstop en de aanvullende voorwaarden, waarbij Zilveren Kruis heeft gewezen op een aantal structurele tekortkomingen binnen de organisatie van ICZ, zoals die onder meer naar voren komen in de rapportages van de IGJ. Daarbij komt dat Zilveren Kruis voldoende heeft onderbouwd dat zij gelet op haar wettelijke taak verplicht is om de aan haar beschikbaar gestelde publieke middelen rechtmatig en doelmatig te besteden. Daarbij heeft zij toegelicht dat zij bij voortzetting van de basisovereenkomst met ICZ zonder de aanvullende voorwaarden en zonder cliëntenstop een reëel risico loopt, omdat ICZ niet voldoet aan haar contractuele en wettelijke verplichtingen, terwijl Zilveren Kruis een wettelijke zorgplicht heeft met betrekking tot de cliënten van ICZ. Daarmee heeft Zilveren Kruis haar prevalerende belang bij handhaving van de getroffen maatregelen voldoende onderbouwd en bovendien naar voren gebracht dat de belangen van de cliënten van ICZ ook zullen zijn gewaarborgd ongeacht of ICZ zal kunnen blijven voortbestaan.
Slotsom en proceskosten
4.17.
Het voorgaande leidt tot de slotsom dat de hiervoor in 3.1. in (1) tot en met (6), (8) en (9) geformuleerde (primaire en subsidiaire) vorderingen van ICZ worden afgewezen. Voor toewijzing van de in 3.1. in (7) genoemde subsidiaire vordering tot het treffen van een in goede justitie te bepalen voorziening ziet de voorzieningenrechter evenmin aanleiding, zodat ook die vordering wordt afgewezen.
4.18.
ICZ is in het ongelijk gesteld en zij moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van Zilveren Kruis worden begroot op:
- griffierecht
714,--
- salaris advocaat
1.107,--
- nakosten
€ 178,--
(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
1.999,--
4.19.
De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.

5.De beslissing

De voorzieningenrechter:
5.1.
wijst de vorderingen af;
5.2.
veroordeelt ICZ in de proceskosten, die aan de zijde van Zilveren Kruis zijn begroot op € 1.999,--, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe. Als ICZ niet tijdig aan de veroordeling voldoet en het vonnis daarna wordt betekend, dan moet ICZ € 92,-- extra betalen, plus de kosten van betekening;
5.3.
veroordeelt ICZ in de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 Burgerlijk Pro Wetboek over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn voldaan;
5.4.
verklaart deze kostenveroordelingen uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. D.R. Glass en in het openbaar uitgesproken op 30 januari 2026.
mvt