ECLI:NL:RBDHA:2026:20380

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
22 juli 2026
Publicatiedatum
22 juli 2026
Zaaknummer
09/079661-22
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Op tegenspraak
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 33 SrArt. 33a SrArt. 45 SrArt. 47 SrArt. 57 Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Veroordeling medeplegen pogingen tot Vriend-In-Nood-oplichting en bezit fraudeapparatuur

De rechtbank Den Haag heeft verdachte veroordeeld voor medeplegen van pogingen tot Vriend-In-Nood-oplichting en het voorhanden hebben van fraude-gerelateerde goederen, waaronder telefoons met scripts en simkaarten. De feiten vonden plaats tussen 14 en 29 maart 2022, waarbij verdachte samen met medeverdachten slachtoffers via WhatsApp benaderde en zich voordeed als familielid om geld te verkrijgen.

Tijdens een politie-inval op 29 maart 2022 in een vakantiehuisje in Ouddorp werden meerdere telefoons en simkaarten aangetroffen, waaronder een Samsung-telefoon onder verdachte. Op deze telefoon werden notities en bestanden met frauduleuze scripts en contactlijsten gevonden. De rechtbank achtte bewezen dat verdachte en medeverdachte gezamenlijk deze goederen voorhanden hadden en pogingen tot oplichting pleegden.

De verdediging voerde aan dat niet bewezen kon worden dat de telefoon aan verdachte toebehoorde en dat hij niet wist van de berichten, maar de rechtbank verwierp deze verweren. Gezien de ernst van de feiten, het strafblad van verdachte en de overschrijding van de redelijke termijn, legde de rechtbank een gevangenisstraf van 81 dagen op, met aftrek van voorarrest.

De vorderingen van benadeelde partijen tot schadevergoeding werden afgewezen wegens gebrek aan rechtstreeks verband met de bewezenverklaarde feiten. Daarnaast werden twee telefoons verbeurd verklaard en andere inbeslaggenomen geldbedragen aan verdachte teruggegeven.

Uitkomst: Verdachte veroordeeld tot 81 dagen gevangenisstraf met aftrek van voorarrest wegens medeplegen van pogingen tot Vriend-In-Nood-oplichting en bezit van fraudeapparatuur.

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG

Strafrecht
Meervoudige kamer
Parketnummers: 09/079661-22
Datum uitspraak: 22 juli 2026
Tegenspraak
De rechtbank Den Haag heeft op de grondslag van de tenlastelegging en naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting het navolgende vonnis gewezen in de zaak van de officier van justitie tegen de verdachte:
[verdachte]
geboren op [geboortedatum] 1998 te [geboorteplaats] ,
BRP-adres: [adres] .

1.Het onderzoek ter terechtzitting

Het onderzoek is gehouden op de terechtzitting van 8 juli 2026 (inhoudelijke behandeling).
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie mr. G.L.M. van den Eshof en van hetgeen door de verdachte en zijn raadsman mr. R.I. van Haneghem naar voren is gebracht.

2.De tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd hetgeen is vermeld in de dagvaarding. De tekst van de tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht. Kort gezegd is aan de verdachte tenlastegelegd dat hij op 29 maart 2022 samen met een medeverdachte simkaarten en telefoon(s) met script(s) voor het plegen van zogenoemde Vriend-In-Nood-fraude voorhanden had (feit 2). Ook is aan de verdachte tenlastegelegd dat hij zich in de periode van 14 maart 2022 tot en met 29 maart 2022 schuldig heeft gemaakt aan pogingen tot oplichting, door via WhatsApp contact op te nemen met een of meer personen, zich daarbij voor te doen als een familielid van die personen, te zeggen dat zijn telefoon stuk is en te vragen om geldbedragen over te maken (feit 1).

3.De bewijsbeslissing

3.1.
Inleiding
De zaak van de verdachte ziet op een onderdeel van een groter strafrechtelijk onderzoek (genaamd Asten), dat zich oorspronkelijk richtte op bankhelpdeskfraude. In het kader van dat onderzoek treedt de politie op 29 maart 2022 binnen in een vakantiehuisje op het terrein van Center Parcs in Ouddorp. Daar wordt de verdachte aangetroffen met (onder andere) medeverdachte [medeverdachte] . Tijdens de doorzoeking worden meerdere goederen aangetroffen die gebruikt zouden zijn voor zogenoemde Vriend-in-Nood fraude.
Bij dit soort fraude worden beoogde slachtoffers benaderd via WhatsApp, waarbij de dader zich voordoet als een familielid of bekende met een nieuw telefoonnummer. Na het vertrouwen te hebben gewonnen van het slachtoffer wordt vaak gesteld dat op de nieuwe telefoon de betaal-app van de bank nog niet werkt, maar dat er wel dringend een rekening moet worden betaald. Het beoogde slachtoffer wordt gevraagd of hij deze rekening kan voorschieten, waarna een betaalverzoek wordt gestuurd. Het geld van de betaalverzoeken wordt vervolgens gestort op een rekening van een zogenaamde geldezel of katvanger.
3.2.
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de tenlastegelegde feiten wettig en overtuigend bewezen kunnen worden verklaard.
3.3.
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat de verdachte integraal moet worden vrijgesproken van de tenlastegelegde feiten.
3.4.
Gebruikte bewijsmiddelen
De rechtbank heeft in de bijlage opgenomen de wettige bewijsmiddelen met de voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden.
3.5.
Bewijsoverwegingen
De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat op basis van de bewijsmiddelen niet kan worden vastgesteld dat de Samsungtelefoon die bij de verdachte is aangetroffen, van hem was. Ook kan volgens de verdediging niet worden bewezen dat de verdachte wetenschap had van de berichten die op deze telefoon zijn aangetroffen, noch dat de verdachte samen met de medeverdachte in de auto heeft gezeten. Daarom kan van het medeplegen van de tenlastegelegde feiten geen sprake zijn, aldus de verdediging.
De rechtbank verwerpt deze verweren en overweegt daartoe als volgt.
De Samsungtelefoon
In de directe nabijheid van de verdachte zijn twee telefoons aangetroffen: een Samsung SM-A105F/DS en een iPhone. De Samsungtelefoon is aangetroffen op de plek waar de verdachte zat. De telefoon lag onder de verdachte op de bank. Gelet op deze vindplaats is de rechtbank van oordeel dat hiermee voldoende vast staat dat de verdachte deze Samsung SM-A105F/DS voorhanden had. De rechtbank heeft geen aanleiding om te twijfelen aan de juistheid van wat de verbalisanten op ambtseed hebben beschreven over het aantreffen van deze Samsung.
Nu de rechtbank heeft vastgesteld dat de verdachte de Samsungtelefoon voorhanden had, gaat de rechtbank er ook vanuit dat de verdachte de gebruiker was van deze telefoon. Van contra-indicaties die wijzen op het tegendeel is niet gebleken. De verdachte heeft evenmin een aannemelijke verklaring gegeven die de rechtbank tot een andere conclusie zouden moeten leiden.
In de telefoon zijn meerdere notities aangetroffen in zowel de Engelse als Duitse taal waarvan de inhoud een script bevat voor Vriend-In-Nood-fraude (verder:VIN-fraude). Van deze notities zitten ook vertalingen in het dossier. Tevens is er op deze telefoon een bestand aangetroffen ‘ [bestandsnaam 1] ’ waarin contacten stonden opgeslagen die ook benaderd waren voor de VIN-fraude, een zogenaamde leadlijst. Uit onderzoek aan de Samsung SM-A105F/DS blijkt eveneens dat er gebruik is gemaakt van meerdere simkaarten, IMEI-nummers en ICCID-nummers met zowel Nederlandse als Duitse landcodes. Daarnaast zijn op de telefoon van verdachte 495 whatsapp gesprekken aangetroffen die zijn begonnen met de Duitse variant van VIN-fraude waarbij ook screenshots zijn gestuurd van betalingen.
Medeplegen
Uit de gebruikte bewijsmiddelen volgt dat de verdachte en de medeverdachte, samen met nog een derde persoon, aanwezig waren in een vakantiehuisje en dat zij daar samen naartoe zijn gereden. In hun directe nabijheid lagen meerdere telefoons. Op een aantal telefoons stonden scripts voor VIN-fraude en honderden chatgesprekken met dezelfde Duitstalige openingszin die duidt op VIN-fraude. Dit soort chatgesprekken stonden zowel op de telefoon die bij de medeverdachte is aangetroffen (Samsung SM-A013G) als op de telefoon die bij de verdachte is aangetroffen (Samsung SM-A105F/DS). Tevens is zowel op een telefoon die de verdachte voorhanden had als op een telefoon die de medeverdachte voorhanden had, een screenshot aangetroffen van een betaling door een kennelijk slachtoffer van VIN-fraude ( [slachtoffer] ). Tot slot zijn zowel bij de medeverdachte als in de auto van de verdachte een grote hoeveelheid simkaarten aangetroffen. De rechtbank acht voor het medeplegen ook van belang dat de telefoon van de medeverdachte gebruik heeft gemaakt van een hotspot met de naam van de verdachte, [verdachte] .
De rechtbank neemt mede in aanmerking dat de verdachte geen aannemelijke verklaring heeft gegeven voor zijn aanwezigheid in het vakantiehuisje en evenmin voor zijn betrokkenheid bij de aangetroffen telefoons en de daarop aangetroffen gegevens. Gelet op de hiervoor genoemde feiten en omstandigheden, in onderlinge samenhang bezien, leidt de rechtbank af dat de verdachte en zijn medeverdachte gezamenlijk en in bewuste samenwerking de voorwerpen, die kennelijk bestemd waren tot het plegen van oplichting, voorhanden hebben gehad. De rechtbank acht daarom wettig en overtuigend bewezen dat sprake is van medeplegen van zowel het voorhanden hebben van de goederen als de poging tot oplichting.
3.6.
De bewezenverklaring
De rechtbank is met betrekking tot de onder ten laste gelegde feiten van oordeel dat deze feiten wettig en overtuigend zijn bewezen.
De rechtbank verklaart ten laste van de verdachte bewezen dat:
1
hij in de periode van 14 maart 2022 tot en met 29 maart 2022 in
Nederland ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen
misdrijf om tezamen en in vereniging met een ander meermalen
met het oogmerk om zich en/of een ander wederrechtelijk te
bevoordelen door het aannemen van een valse naam en/of een valse hoedanigheid
en/of door listige kunstgrepen en/of door een samenweefsel van verdichtsels, één of meerdere personen te bewegen tot de afgifte van enig goed, te weten tot de afgifte van een geldbedrag
- via WhatsApp contact met die persoon/personen heeft opgenomen, en
- zich daarbij heeft voorgedaan als een familielid en/of een (andere) bekende van de onbekend gebleven ander(en), en
- daarbij heeft gezegd dat zijn telefoon stuk is en hij een nieuw nummer heeft, en
- ( vervolgens) aan die ander(en) heeft gevraagd (onder tijdsdruk) een of meer
geldbedragen over te maken en/of een of meer rekeningen te betalen, en
- een bankrekening heeft doorgegeven waar het geld naartoe moest worden
overgemaakt, en
- heeft gezegd dat hij het geld morgen zou terugbetalen,
terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
2
hij op 29 maart 2022 te Ouddorp, gemeente Goeree-Overflakkee, tezamen en in vereniging met een ander,
een of meer voorwerpen en gegevens, te weten:
- een hoeveelheid simkaarten, en
- meerdere telefoons met daarin onder meer meerdere notities met
daarin een script voor het plegen van Vriend-In-Nood-fraude, en
een bestand “ [bestandsnaam 2] ” met daarin telefoonnummers van potentiële slachtoffers van Vriend-In-Nood-fraude voorhanden heeft gehad,
waarvan hij, verdachte en zijn mededader, wisten dat die bestemd waren tot het plegen van oplichting terwijl dit feit betrekking had op de verkrijging van een niet-contant betaalinstrument;

4.De strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het bewezen verklaarde is volgens de wet strafbaar, omdat er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

5.De strafbaarheid van de verdachte

De verdachte is eveneens strafbaar, omdat er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die zijn strafbaarheid uitsluiten.

6.De strafoplegging

6.1.
De vordering van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 114 dagen, met aftrek van de tijd in voorarrest doorgebracht. De officier van justitie heeft in zijn strafeis rekening gehouden met de overschrijding van de redelijke termijn.
6.2.
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft de rechtbank verzocht om in het geval zij tot een bewezenverklaring komt rekening te houden met de overschrijding van de redelijke termijn.
6.3.
Het oordeel van de rechtbank
Na te melden straf is in overeenstemming met de ernst van de gepleegde feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en gegrond op de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan tijdens het onderzoek op de terechtzitting is gebleken.
De rechtbank neemt hierbij in het bijzonder het volgende in aanmerking.
De ernst van het feit
De verdachte heeft door middel van zogenaamde Vriend-In-Noodfraude gepoogd een groot aantal mensen op te lichten door hen via Whatsapp te benaderen, zich daarbij voor te doen als zoon of dochter en te melden dat er sprake was van geldnood. Daarnaast heeft de verdachte, tezamen en in vereniging, meerdere gegevens en goederen (waaronder scripts en simkaarten) voorhanden gehad met het doel de fraude te plegen.
De rechtbank rekent het de verdachte aan dat hij uitsluitend uit is geweest op financieel gewin en dat hij daarbij op geen enkel moment heeft stilgestaan bij de gevolgen van zijn handelen voor de slachtoffers. Deze vorm van oplichting heeft grote negatieve gevolgen voor het vertrouwen van mensen in het digitaal (betalings-)verkeer en het gevoel van veiligheid en vertrouwen in de medemens.
Strafblad
De rechtbank heeft kennisgenomen van het strafblad van de verdachte van 4 juni 2026. De rechtbank heeft geconstateerd dat artikel 63 van Pro het Wetboek van Strafrecht van toepassing is.
De op te leggen straf
De rechtbank heeft bij de bepaling van de strafmodaliteit en strafmaat aansluiting gezocht bij wat in soortgelijke zaken doorgaans als straf wordt opgelegd. Gelet op wat hiervoor is overwogen, is de rechtbank van oordeel dat niet kan worden volstaan met een lichtere of andere sanctie dan een straf die onvoorwaardelijke vrijheidsbeneming van na te melden duur met zich brengt.
De rechtbank is gelet op het voorgaande van oordeel dat in beginsel een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van 90 dagen passend is.
Overschrijding redelijke termijn.
De rechtbank overweegt dat als uitgangspunt heeft te gelden dat de behandeling van een strafzaak ter terechtzitting dient te zijn afgerond met een eindvonnis in eerste aanleg binnen twee jaar nadat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 lid 1 van Pro het EVRM is aangevangen. In deze zaak is die termijn aangevangen op 30 maart 2022, met de inverzekeringstelling van de verdachte. De redelijke termijn is in aanzienlijke mate, te weten met 26 maanden overschreden. De rechtbank overweegt dat de overschrijding van de redelijke termijn niet te wijten is aan de verdediging en houdt hier in strafmatigende zin rekening mee. De rechtbank vindt daarin aanleiding een korting van tien procent op de op te leggen straf toe te passen.
Conclusie
Alles overziend, acht de rechtbank oplegging van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 81 dagen, met aftrek van de tijd in voorarrest arrest doorgebracht, passend en geboden.

7.De vordering van de benadeelde partij/de schadevergoedingsmaatregel

  • ING Bank N.V. heeft zich als benadeelde partij gevoegd in het strafproces en vordert een schadevergoeding van €106.430,91te vermeerderen met de wettelijke rente. Dit bedrag bestaat uit materiële schade;
  • Volksbank N.V heeft zich als benadeelde partij gevoegd in het strafproces en vordert een schadevergoeding van €5.139,00, en te vermeerderen met de wettelijke rente. Dit bedrag bestaat uit materiële schade;
  • [benadeelde partij 1] heeft zich als benadeelde partij gevoegd in het strafproces en vordert een schadevergoeding van €500,00, en te vermeerderen met de wettelijke rente. Dit bedrag bestaat uit immateriële schade;
  • [benadeelde partij 2] heeft zich als benadeelde partij gevoegd in het strafproces en vordert een schadevergoeding van € 1.000,00, en te vermeerderen met de wettelijke rente. Dit bedrag bestaat uit immateriële schade;
  • [benadeelde partij 3] heeft zich als benadeelde partij gevoegd in het strafproces en vordert een schadevergoeding van € 5.000,00, en te vermeerderen met de wettelijke rente. Dit bedrag bestaat uit immateriële schade;
De rechtbank overweegt ten aanzien van de vorderingen benadeelde partijen als volgt. De rechtbank is, met de officier van justitie, van oordeel dat niet kan worden vastgesteld dat er een rechtstreeks verband bestaat tussen de gestelde schade en de bewezenverklaarde feiten. De bewezenverklaarde feiten zien immers op het slachtofferloze delict van artikel 234 Sr Pro en pogingen tot oplichting. De benadeelde partijen zijn daarom allen niet ontvankelijk in hun vorderingen.

8.De inbeslaggenomen voorwerpen

8.1.
De vordering van de officier van justitie
De officier van justitie heeft voorts gevorderd dat de op de lijst van inbeslaggenomen voorwerpen (beslaglijst, die als bijlage III aan dit vonnis is gehecht) onder:
-1, 2 en 5 zullen worden teruggegeven aan de verdachte.
- 3 en 4 zullen worden verbeurdverklaard;
8.2.
Het standpunt van de verdediging
De verdediging heeft verzocht om de inbeslaggenomen geldbedragen (onder 1, onder 2 en onder 5) aan de verdachte terug te geven. Van de inbeslaggenomen telefoon onder 3 heeft de verdediging zich op het standpunt gesteld dat deze niet van verdachte is en dat hij deze telefoon niet terug hoeft. Ten aanzien van de onder 4 inbeslaggenomen telefoon stelt de verdediging dat deze oud is en dat de verdachte hier niets meer aan heeft. De rechtbank vat dit standpunt aldus op dat de verdachte hiervan afstand doet.
8.3.
Het oordeel van de rechtbank
De rechtbank zal de op de beslaglijst onder 3 en 4 genoemde voorwerpen, verbeurdverklaren. Deze voorwerpen zijn voor verbeurdverklaring vatbaar, aangezien deze voorwerp aan verdachte toebehoren en met behulp van deze voorwerpen de bewezenverklaarde feiten zijn begaan of voorbereid.
Nu het belang van strafvordering zich daartegen niet verzet, zal de rechtbank de teruggave aan de verdachte gelasten van de op de beslaglijst onder 1, 2 en 5 genoemde voorwerpen.

9.De toepasselijke wetsartikelen

De op te leggen straf is gegrond op de artikelen:
- 33, 33a, 45, 47, 57, 63, 234 en 326 van het Wetboek van Strafrecht;
Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij ten tijde van het bewezen verklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van deze uitspraak rechtens gelden.

10.De beslissing

De rechtbank:
verklaart wettig en overtuigend bewezen, dat de verdachte de ten laste gelegde feiten heeft begaan, zoals hierboven onder 3.6 bewezen is verklaard;
verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;
verklaart het bewezen verklaarde strafbaar en dat het bewezen verklaarde uitmaakt:
ten aanzien van feit 1:
medeplegen van poging tot oplichting, meermalen gepleegd;
ten aanzien van feit 2
medeplegen van voorwerpen voorhanden hebben waarvan hij weet dat zij bestemd zijn tot het plegen van een in artikel 326 van Pro het Wetboek van Strafrecht omschreven misdrijf terwijl dit feit betrekking had op de verkrijging van een niet-contant betaalinstrument
verklaart de verdachte daarvoor strafbaar;
veroordeelt de verdachte tot:
een gevangenisstraf voor de duur
van 81 (EENENTACHTIG) DAGEN;
bepaalt dat de tijd door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van het onvoorwaardelijk gedeelte van de hem opgelegde gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht;
heft op het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis van de verdachte;
de vorderingen van de benadeelde partijen;
bepaalt dat de benadeelde partijen niet-ontvankelijk zijn in de vorderingen tot schadevergoeding;
de inbeslaggenomen goederen;
verklaart verbeurd de op de beslaglijst onder 3 en 4 genoemde voorwerpen, te weten: 1 STK telefoontoestel (goednummer 2745367) en 1 STK telefoontoestel (goednummer 2745368);
gelast de teruggave aan de verdachte van de op de beslaglijst onder 1,2 en 5 genoemde voorwerpen, te weten: geldbedragen ter hoogte van €455,- en €43,85 en € 448,90;
Dit vonnis is gewezen door
mr. K.M. de Groes, voorzitter,
mr. drs. H.M. Braam, rechter,
mr. M.R. Aaron, rechter,
in tegenwoordigheid van mr. R.J. van Egmond, griffier,
en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank van 22 juli 2026.
Bijlage I
Tekst tenlastelegging
1
hij in of omstreeks de periode van 14 maart 2022 tot en met 29 maart 2022 in
Nederland en/of Duitsland ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen
misdrijf om tezamen en in vereniging met een ander althans alleen, meermalen
althans eenmaal met het oogmerk om zich en/of een ander wederrechtelijk te
bevoordelen door het aannemen van een valse naam en/of een valse hoedanigheid
en/of door listige kunstgrepen en/of door een samenweefsel van verdichtsels, een groot aantal personen althans één of meerdere personen te bewegen tot de afgifte van enig goed, het verlenen van een dienst, het ter beschikking stellen van gegevens, het aangaan van een schuld en/of het teniet doen van een inschuld, te weten tot de afgifte van een geldbedrag
- via WhatsApp contact met die persoon/personen heeft opgenomen, en/of
- zich daarbij heeft voorgedaan als een familielid en/of een (andere) bekende van de onbekend gebleven ander(en), en/of
- daarbij heeft gezegd dat zijn telefoon stuk is en hij een nieuw nummer heeft, en/of
- (vervolgens) aan die ander(en) heeft gevraagd (onder tijdsdruk) een of meer
geldbedragen over te maken en/of een of meer rekeningen te betalen, en/of
- een bankrekening heeft doorgegeven waar het geld naartoe moest worden
overgemaakt, en/of
- heeft gezegd dat hij het geld morgen zou terugbetalen,
terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
2
hij op of omstreeks 29 maart 2022 te Ouddorp, gemeente Goeree-Overflakkee,
althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander althans alleen,
een of meer stoffen, voorwerpen en/of gegevens, te weten:
- een (grote) hoeveelheid simkaarten, en/of
- één of meerdere telefoon(s) met daarin onder meer een of meerdere notitie(s) met
daarin een script voor het plegen van Vriend-In-Nood-fraude, en/of
een bestand “ [bestandsnaam 2] ” met daarin telefoonnummers van potentiele slachtoffers van Vriend-In-Nood-fraude voorhanden heeft gehad,
waarvan hij, verdachte en/of zijn mededader(s), wist(en) dat die bestemd waren tot het plegen van oplichting (artikel 326 lid 1 van Pro het Wetboek van Strafrecht in elk geval een der in de artikelen 226, eerste lid, onderdelen 2° tot en met 5°, 231, eerste lid, 231a, eerste lid, 231b en 232, eerste lid, omschreven misdrijven dan wel een der misdrijven omschreven in de artikelen 310, 311, 312, 317, 321 en 326 van het Wetboek van Strafrecht terwijl dit feit betrekking had op de verkrijging van een niet-contant betaalinstrument.