ECLI:NL:RBDHA:2026:20378

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
26 juni 2026
Publicatiedatum
22 juli 2026
Zaaknummer
C/09/699418 / KG ZA 26-155
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Kort geding
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3:300 BWArt. 555 Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing schorsing verkoop voormalig echtelijke woning na echtscheidingsvonnis

Partijen zijn in 1982 getrouwd en in 2021 gescheiden. De rechtbank had in een eerder vonnis bepaald dat de vrouw de woning binnen drie maanden kon overnemen, anders zou deze aan een derde worden verkocht. De vrouw kon de financiering niet rond krijgen vanwege onduidelijkheid over de waardering van aandelen en pensioenaanspraken. Zij verzocht om schorsing van de verkoop, stellende dat het vonnis op een kennelijke misslag berust.

De rechtbank oordeelde dat de vrouw niet aannemelijk had gemaakt dat het vonnis op een kennelijke misslag berust en dat zij op korte termijn in staat zou zijn de woning over te nemen. De vrouw had onvoldoende stappen ondernomen om duidelijkheid te verkrijgen en het hoger beroep was ambtshalve doorgehaald wegens niet-tijdig aanleveren van stukken.

De man vorderde daarnaast nadere uitvoering van het vonnis, waaronder medewerking van de vrouw aan verkoop en levering, het verkoopklaar maken van de woning en ontruiming. De rechtbank wees de meeste van deze vorderingen toe, met uitzondering van enkele die niet nodig werden geacht.

De voorzieningenrechter bepaalde dat de woning niet eerder dan 1 november 2026 aan de koper mag worden geleverd, rekening houdend met de situatie van de vrouw. De vrouw werd veroordeeld tot medewerking aan verkoopactiviteiten en ontruiming, met een dwangsom voor niet-naleving. De proceskosten werden tussen partijen gecompenseerd.

Uitkomst: Verzoek tot schorsing van de verkoop van de woning wordt afgewezen; vrouw moet medewerking verlenen aan verkoop en ontruiming.

Uitspraak

RECHTBANK Den Haag

Team handel - voorzieningenrechter
Zaaknummer: C/09/699418 / KG ZA 26-155
Vonnis in kort geding van 29 juni 2026
in de zaak van
[partij A]te [woonplaats] ,
eiseres in conventie, verweerster in reconventie,
hierna te noemen: de vrouw,
advocaat: mr. B. Fresco,
tegen
[partij B]te [woonplaats] ,
gedaagde in conventie, eiser in reconventie,
hierna te noemen: de man,
advocaat: mr. M.E.M. Beijersbergen.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding van 20 februari 2026, met producties;
- de conclusie van antwoord in conventie tevens eis in reconventie;
- de uitlatingen van de advocaten van partijen over de voortzetting van de procedure;
- de aanvullende producties van de vrouw;
- de producties van de man.
1.2.
De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 2 maart 2026. De advocaat van de vrouw heeft ter zitting het woord gevoerd aan de hand van pleitnotities. Deze pleitnotities maken deel uit van het dossier. De voorzieningenrechter heeft de zaak twee weken aangehouden om partijen in de gelegenheid te stellen een minnelijke regeling te treffen. Onderdeel van deze regeling was dat de man jaarstukken zou verstrekken en dat de vrouw aan de hand gedurende een korte periode zou bezien of zij alsnog in staat was om de overname van de gemeenschappelijke woning te financieren.
1.3.
Bij bericht van 22 april 2026 heeft de advocaat van de man de voorzieningenrechter meegedeeld dat zij geen bericht heeft ontvangen dat de vrouw in staat is om de woning over te nemen en de voorzieningenrechter verzocht om vonnis te wijzen. Bij bericht van 23 april 2026 heeft de advocaat van de vrouw aan de voorzieningenrechter meegedeeld dat de vrouw niet op korte termijn duidelijkheid kan verkrijgen over de financiering. De advocaat van de vrouw heeft verder melding gemaakt van een door de man afgewezen financieringsvoorstel. Hierop heeft de voorzieningenrechter een voorzetting van de mondelinge behandeling bepaald om met partijen te verkennen of er alsnog een oplossing van het geschil te bereiken is.
1.4.
Op 17 juni 2026 heeft een voortzetting van de mondelinge behandeling plaatsgevonden. Partijen hebben ter zitting geen minnelijke regeling bereikt.
1.5.
Vonnis is bepaald op vandaag.

2.De feiten

2.1.
Partijen zijn op [datum] 1982 getrouwd in gemeenschap van goederen. Bij beschikking van 28 januari 2021 heeft de rechtbank de echtscheiding tussen partijen uitgesproken. De beschikking is op 30 juli 2021 ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand.
2.2.
Tot de huwelijksgemeenschap behoort een woning aan de [adres] (hierna: de woning). Op de woning is een hypotheekrecht gevestigd in verband met een hypothecaire lening bij Florius Bank. Daarnaast is er een beleggingsrekening bij Evi van Lanschot die verpand is aan de hypotheekverstrekker. Tot de gemeenschap behoren verder de aandelen in de vennootschap Rumba Automatisering B.V. (hierna: de vennootschap).
2.3.
In augustus 2020 is de man uit de woning vertrokken. De vrouw woont sindsdien
in de woning.
2.4.
Op 1 juli 2022 heeft de vrouw bij deze rechtbank een bodemprocedure aanhangig gemaakte tegen de man en onder meer de verschaffing van bepaalde financiële gegevens gevorderd. In reconventie heeft de man onder meer de verdeling van de woning gevorderd.
2.5.
Bij vonnis van 16 juli 2025 (hierna: het Vonnis) heeft de rechtbank met betrekking tot de woning geoordeeld dat de vrouw gedurende drie maanden in de gelegenheid wordt gesteld de woning over te nemen voor het getaxeerde bedrag en dat als de vrouw hiertoe niet in staat is, de woning zal worden verkocht en geleverd aan een derde. In het Vonnis heeft de rechtbank in de dictumonderdelen 5.6 tot en met 5.12 – voor zover hier van belang – het volgende spoorboekje vastgesteld:

5.6 de echtelijke woning aan de [adres] tegen de getaxeerde waarde van € 575.000 en de beleggingsrekening bij Evi van Lanschot worden toebedeeld aan de vrouw onder de ontbindende voorwaarde dat zij binnen drie maanden na de dagtekening van dit vonnis de man schriftelijk en met bewijsstukken onderbouwd bericht of zij in staat is de (financiering ten behoeve van de) volledige eigendom van deze woning en de beleggingsrekening bij Evi van Lanschot te verkrijgen en de man te doen ontslaan uit de hoofdelijke aansprakelijkheid voor de hypothecaire geldlening bij Florius;
5.8.
indien aan de hiervoor onder 5.6. genoemde voorwaarden niet wordt voldaan, zal de woning worden verkocht en geleverd aan een derde. Partijen zullen hiertoe binnen twee weken nadat de onder 5.6. genoemde termijn is verstreken gezamenlijk (indien gewenst met gebruikmaking van een volmacht) een verkoopopdracht verstrekken aan makelaar [naam] van [de makelaar] te [plaats] (hierna: de makelaar). De makelaar zal partijen bindend adviseren over de verkoopactiviteiten en de vraag- en laatprijs tenzij partijen in onderling overleg binnen twee weken nadat de makelaar heeft geadviseerd tot een ander besluit komen;
5.9.
ieder van partijen zal zijn/haar medewerking verlenen aan alle feitelijke handelingen en rechtshandelingen die vereist zijn om de verkoop en levering van de woning te realiseren;
5.10.
partijen zullen in overleg met de makelaar de verkoopovereenkomst aangaan met degene die de hoogste prijs biedt, indien die prijs volgens beide partijen de best mogelijke prijs is. In het geval partijen het níet eens kunnen worden over de vraag of een aanbod de beste mogelijke prijs is, dan zal de makelaar dit bindend kunnen bepalen;
5.11.
bij verkoop en levering van de woning aan een derde, moet uit de verkoopopbrengst de hypothecaire geldlening worden afgelost. Partijen zijn ieder bij helfte gerechtigd tot de resterende overwaarde van de woning. De overwaarde is gelijk aan de verkoopopbrengst van de woning minus de aan de verkoop verbonden kosten (waaronder onder meer de makelaarskosten) plus de waarde van de beleggingsrekening bij Evi van Lansschot;
5.12
indien één van partijen geen tijdige medewerking verleent aan de verkoop van de woning, treedt dit vonnis in plaats van de medewerking van die partij aan de verkoop en levering van de woning als bedoeld in artikel 3:300 van Pro het Burgerlijk Wetboek (BW);
2.6.
In 4.46 van het Vonnis is met betrekking tot de pensioenaanspraken en de aandelen in de vennootschap het volgende overwogen:

Zoals overwogen in 4.38. en 4.42. beslist de rechtbank in dit vonnis over de vorderingen van de vennootschap op de huwelijksgemeenschap. De rechten die de vrouw ten aanzien van het in de vennootschap opgebouwde pensioen heeft, zijn nog niet vastgesteld en partijen hebben op dit punt ook geen vorderingen ingediend. De man heeft alleen gesteld dat een deskundige deze rechten moet bepalen. Partijen hebben ten aanzien van de wijze van waardering van de aandelen ook geen vorderingen ingediend. Op basis van de stukken kan de rechtbank deze waarde ook niet vaststellen. Zo ontbreken de jaarstukken vanaf 2022, terwijl de aandelen in principe moeten worden gewaardeerd tegen de datum van de verdeling ervan. Uit dit een en ander volgt dat, voor zover een van partijen een vordering heeft ingediend inzake de verdeling van de aandelen in de vennootschap, de rechtbank deze vordering als onvoldoende toegelicht, zal afwijzen. Zonder nadere stellingen van partijen ontbreekt het de rechtbank aan voldoende informatie om over de waardering en de toedeling van de aandelen in de vennootschap te kunnen oordelen.
2.7.
Het Vonnis is uitvoerbaar bij voorraad verklaard. Tegen dit vonnis heeft de vrouw hoger beroep ingesteld bij het Gerechtshof Den Haag (hierna: het hof). Het hoger beroep is op 10 maart 2026 ambtshalve doorgehaald, omdat de vrouw niet tijdig had gefourneerd.

3.Het geschil

in conventie
3.1.
De vrouw vordert bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad, samengevat:
primair: de termijn genoemd in 5.6 van het Vonnis nader te bepalen op
drie maanden nadat het hof in hoger beroep onherroepelijk heeft besloten, althans
subsidiair: de man hangende het hoger beroep het Vonnis te verbieden gebruik te maken van de optie de woning te verkopen op de wijze als bepaald in 5.7 e.v. van het Vonnis, alles zo nodig onder door de voorzieningenrechter te bepalen aanvullende voorwaarden, en met veroordeling van de man in de proceskosten.
3.2.
De vrouw legt aan de vordering het volgende ten grondslag.
De vrouw wenst, mede in het belang van de (klein)kinderen van partijen, de woning over te nemen. De vrouw krijgt echter de financiering niet rond, omdat de ontbonden gemeenschap in het Vonnis niet geheel is verdeeld. Zonder duidelijkheid over de waarde van de aandelen in de vennootschap en de pensioenaanspraken van de vrouw bestaat er een forse (financierings)onzekerheid. Het vonnis bevat op dit punt een kennelijke misslag. Mede gelet op het belang van de vrouw bij het behoud van de woning, heeft zij er recht op en belang bij dat de termijn waarbinnen zij de woning mag overnemen wordt verlengd en/of dat er aanvullende voorwaarden worden gesteld.
3.3.
De man voert verweer. De man concludeert tot niet-ontvankelijkheid van de vrouw, dan wel tot afwijzing van de vorderingen van de vrouw, met uitvoerbaar bij voorraad te verklaren veroordeling van de vrouw in de kosten van deze procedure.
3.4.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.
in reconventie
3.5.
De man vordert bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad, samengevat:
1. voor zover de vrouw niet meewerkt aan het in het Vonnis bepaalde verkoop- en
leveringsproces en de deling bij helfte van de daarmee gemoeide kosten, te bepalen dat dit vonnis in de plaats treedt voor de noodzakelijke toestemming, wilsverklaring en/of handtekening van de vrouw die nodig is voor het in de verkoop geven van de woning bij de makelaar en in de plaats komt van de voor de eigendomsoverdracht en levering van de woning noodzakelijke toestemming, wilsverklaring en/of handtekening van de vrouw, met bepaling dat de opgemaakte akte rechtsgelding in de daartoe bestemde registers kan worden ingeschreven;
2. de vrouw te gelasten om de woning in optimale verkoopstaat te brengen, waaronder het opruimen van de woning, het onderhouden van de tuin, het verrichten van benodigd klein onderhoud, een en ander volgens de aanwijzingen van de makelaar, op straffe van een dwangsom;
3. de vrouw te gelasten om ervoor te zorgen dat de woning 48 uur voor iedere bezichtiging in optimale staat verkeert en gereed is voor bezichtigingen, een en ander na controle door de makelaar, die vervolgens per e-mail aanwijzingen mag geven voor door de vrouw te verrichten werkzaamheden, op straffe van een boete;
4. te bepalen dat de vrouw voor de levering van de woning aan een derde de woning moet ontruimen en ontruimd moet houden, op straffe van een dwangsom;
5. te bepalen dat voor zover de vrouw niet meewerkt aan ontruiming na verkoop van de woning dit vonnis in de plaats treedt van de noodzakelijke toestemming, wilsverklaring en/of handtekening van de vrouw die nodig is voor het ontruimen en ontruimd houden van de woning, waarbij de hiermee gemoeide kosten voor rekening van de vrouw komen.
3.6.
De man legt aan de vordering het volgende ten grondslag.
De man wil verder met zijn leven en hij heeft daarom belang bij verdeling van de woning en ontslag uit de hoofdelijke aansprakelijkheid voor de hypotheekschuld. Aangezien de vrouw binnen nog altijd niet heeft aangetoond dat zij in staat is om de woning over te nemen, moet de woning overeenkomstig het in het Vonnis bepaalde spoorboekje worden verkocht aan een derde. De vorderingen van de man zijn een aanvulling op dat spoorboekje.
3.7.
De vrouw voert verweer. De vrouw concludeert tot afwijzing van de vorderingen van de man.
3.8.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4.De beoordeling

in conventie
4.1.
De vordering van de vrouw komt neer op een schorsing van de uitvoerbaarheid van het Vonnis. Uitgangspunt is dat een uitgesproken veroordeling hangende een hogere voorziening uitvoerbaar moet zijn en, zonder de voorwaarde van zekerheidstelling, ten uitvoer kan worden gelegd. Afwijking van dit uitgangspunt kan worden gerechtvaardigd door omstandigheden die meebrengen dat het belang van de veroordeelde bij behoud van de bestaande toestand zolang niet op het door hem ingestelde rechtsmiddel is beslist, ook gegeven dit uitgangspunt, zwaarder weegt dan het belang van degene die de veroordeling in de ten uitvoer te leggen uitspraak heeft verkregen, bij de uitvoerbaarheid bij voorraad daarvan. Bij de beoordeling moet worden uitgegaan van de beslissingen in de ten uitvoer te leggen uitspraak en de daaraan ten grondslag liggende vastgestelde feiten en oordelen. De kans van slagen van het aangewende of nog aan te wenden rechtsmiddel blijft buiten beschouwing, tenzij sprake is van een kennelijke misslag.
4.2.
Op grond van het Vonnis had de vrouw gedurende drie maanden na de vonnisdatum, dus tot 16 oktober 2025, de gelegenheid om aan de man aan te tonen dat zij in staat was om de woning en de beleggingsrekening over te nemen en de man te doen ontslaan uit de hoofdelijke aansprakelijkheid. De vrouw heeft hieraan niet voldaan. Uitgangspunt is daarom dat de Woning op grond van het Vonnis moet worden verkocht en geleverd aan een derde. Het door de vrouw ingestelde – en vooralsnog niet doorgezette – hoger beroep heeft geen schorsende werking.
4.3.
De vrouw heeft niet aannemelijk gemaakt dat het Vonnis op een kennelijke misslag berust. Dat stelling van de vrouw dat zij zonder nadere duidelijkheid over de waarde van de aandelen en de pensioenaanspraken niet in staat is om financiering te verkrijgen is in dat verband onvoldoende. Toedeling van een woning is – in ieder geval in juridische zin – mogelijk, ook indien andere bestanddelen van de huwelijksgoederengemeenschap nog niet zijn verdeeld. Daarnaast heeft de vrouw niet aannemelijk gemaakt dat zij in de bodemprocedure aan de orde heeft gesteld dat zij zonder waardering en verdeling van de aandelen niet in staat zou zijn om de woning over te nemen. Tijdens dit kort geding heeft de man recente jaarstukken van de vennootschap en een pensioenberekening aan de vrouw verstrekt. De vrouw heeft evenwel nog altijd niet kunnen aantonen dat zij op korte termijn in staat is om de Woning over te nemen. Zij heeft hierbij niet aannemelijk gemaakt dat deze onmogelijkheid te wijten is aan de man en zij heeft niet concreet gemaakt welke acties vereist zijn om nog meer duidelijkheid te verkrijgen. Zij heeft daartoe ook geen nadere stappen ondernomen en in hoger beroep heeft de vrouw niet voortvarend geprocedeerd. Voorts heeft de vrouw bij de voortgezette mondelinge behandeling bij monde van haar advocaat verklaard dat gelet op de financiële onduidelijkheid en om gezondheidsredenen verkoop van de woning wellicht de beste optie is.
4.4.
Nu niet aannemelijk is het Vonnis berust op een kennelijke misslag en omdat de vrouw niet aannemelijk heeft gemaakt dat zij op zeer korte termijn alsnog in staat is om de woning over te nemen, weegt het belang van de vrouw bij schorsing van de tenuitvoerlegging van het Vonnis niet op tegen het belang van de man bij tenuitvoerlegging ervan. De vorderingen van de vrouw worden daarom afgewezen.
in reconventie
4.5.
Zoals hiervoor is overwogen is het uitgangspunt dat de woning overeenkomstig het in het Vonnis vastgestelde spoorboekje wordt verkocht en geleverd aan een derde. De vrouw heeft – met uitzondering van haar bezwaar tegen een leveringsdatum voor 1 januari 2027 – geen verweer gevoerd tegen de vorderingen van de man, die volgens hem een nadere uitwerking vormen van dat spoorboekje. De vorderingen onder 2 tot en met 4 zijn als onweersproken op de hierna te vermelden wijze toewijsbaar. De vorderingen onder 1 en 5 worden afgewezen. Een en ander wordt hierna toegelicht.
4.6.
In 5.9 en 5.12 van het Vonnis is bepaald dat partijen medewerking moeten verlenen aan verkoop en levering van de woning aan een derde en dat bij gebreke van die medewerking het Vonnis in de plaats van die medewerking treedt. Onder de noodzakelijke medewerking aan de verkoop valt logischerwijs ook de ondertekening van de verkoopopdracht, zoals omschreven in 5.8 van het Vonnis. De man heeft daarom geen belang bij een nieuwe veroordeling tot medewerking aan de verkoop en levering van de woning. De vordering onder 1 wordt daarom afgewezen.
4.7.
In het Vonnis is niets bepaald over een te gunnen ontruimingstermijn met het oog op de levering van de woning aan de koper. Bij de voorgezette mondelinge behandeling heeft de vrouw verklaard dat zij niet in staat is de woning vóór 1 januari 2027 te ontruimen, omdat zij tot haar pensionering eind september 2026 geen vrije dagen meer heeft en omdat er veel spullen in de woning staan en zij daarom meer tijd nodig heeft om de woning verkoopklaar te maken. Hiertegenover heeft de man verklaard dat hij de leveringsdatum aan de markt wil overlaten.
4.8.
In de stellingen van de vrouw met betrekking tot haar pensionering en het verkoopklaar maken van de woning ziet de voorzieningenrechter aanleiding te bepalen dat de woning niet eerder dan 1 november 2026 aan de koper mag worden geleverd. De voorzieningenrechter zal aan de veroordelingen in 5.8 tot en met 5.12 van het Vonnis de voorwaarde verbinden zoals in de beslissing hierna vermeld. Van de vrouw mag dan wel worden verwacht dat zij zich maximaal inspant om – mede in haar eigen belang – de woning verkoopklaar te maken om een zo hoog mogelijke verkoopopbrengst te genereren (zie ook hierna).
4.9.
In het Vonnis is verder bepaald dat partijen een verkoopopdracht verstrekken aan makelaar [naam] van [de makelaar] te [plaats] (hierna: de makelaar) en dat de makelaar bindend zal adviseren over onder meer de verkoopactiviteiten, tenzij partijen in onderling overleg tot een ander besluit komen. Deze veroordeling houdt in dat de vrouw, op verzoek van de man, alle verkoopadviezen van de makelaar moet opvolgen en medewerking moet verlenen aan alle handelingen die nodig zijn voor het verkoopproces, zoals het (verder) verkoopklaar maken van de woning, het maken van foto’s, het toelaten van bezichtigingen en het in goede staat brengen van de woning voorafgaand aan die bezichtigingen. Aangezien dit laatste niet expliciet in het Vonnis staat, worden de vorderingen onder 2 en 3 op de hierna te vermelden wijze toegewezen. Aangezien niet eenvoudig is vast te stellen wat moet worden verstaan onder een “optimale (verkoop)staat”, zal – om onnodige executieproblemen te voorkomen – dat deel van de vorderingen onder 2 en 3 worden afgewezen.
4.10.
De voorzieningenrechter geeft partijen in overweging om de makelaar al op korte termijn advies te vragen over het verkoopklaar maken van de woning, zodat de vrouw daar zo snel mogelijk mee kan aanvangen.
4.11.
De vorderingen onder 2 en 3 worden zoals gevorderd versterkt met een dwangsom. De gevorderde dwangsom zal worden gematigd en gemaximeerd zoals in de beslissing vermeld.
4.12.
Uiteraard moet de vrouw de woning voorafgaand aan de met de koper overeen te komen leveringsdatum ontruimen. De vordering van de man onder 4 is daarom toewijsbaar.
Aangezien de man de ontruiming op grond van de artikelen 555 en verder van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering ten uitvoer kan doen leggen, heeft hij geen belang bij oplegging van een dwangsom of een andere voorziening op dat punt. Aangezien niet op voorhand kan worden vastgesteld welke kosten gemoeid zijn met een gedwongen ontruiming en of die kosten in redelijkheid zijn gemaakt, is de vordering om de ontruimingskosten voor rekening van de vrouw te laten niet toewijsbaar. De vordering onder 5 wordt daarom afgewezen.
Proceskosten in conventie en in reconventie
4.13.
Aangezien partijen voormalig echtgenoten zijn zullen de proceskosten in conventie en in reconventie tussen hen worden gecompenseerd, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.

5.De beslissing

De voorzieningenrechter:
in conventie
5.1.
wijst de vorderingen van de vrouw af;
5.2.
compenseert de kosten van de procedure tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt;
in reconventie
5.3.
bepaalt dat de vrouw, in het licht van de veroordelingen in 5.8 tot en met 5.12 van het Vonnis, alleen tot medewerking aan de verkoop en levering van de woning aan een derde gehouden is indien en voor zover met de koper een opleverdatum wordt afgesproken die niet eerder is dan 1 november 2026;
5.4.
veroordeelt de vrouw de verkoopadviezen van de makelaar op eerste verzoek van de man, op te volgen en alle medewerking te verlenen aan die werkzaamheden die nodig zijn voor een gunstig verkoopproces, waaronder het gelegenheid bieden voor het maken van foto's en bezichtigingen door de makelaar met potentiële kopers, waarbij de woning steeds in een zoveel mogelijk presentabele staat moet verkeren;
5.5.
veroordeelt de vrouw om aan de man een dwangsom te betalen van € 500,00 voor iedere dag of gedeelte daarvan dat zij niet voldoet aan de veroordeling onder 5.4, tot een maximum van € 10.000,00 is bereikt;
5.6.
veroordeelt de vrouw de woning uiterlijk één dag voor de levering aan een derde te ontruimen en ontruimd te houden;
5.7.
compenseert de kosten van de procedure tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt;
5.8.
verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
5.9.
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. H.J. Vetter en in het openbaar uitgesproken op 29 juni 2026. WJ.