ECLI:NL:RBDHA:2026:20360

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
16 juli 2026
Publicatiedatum
22 juli 2026
Zaaknummer
AWB 25/12423
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8 EVRM
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging afwijzing verblijfsaanvraag op grond van familieleven artikel 8 EVRM

Eiseres, geboren in 1947 en Indonesische staatsburger, verzocht om verblijf bij haar dochter in Nederland. De minister wees dit verzoek af, stellende dat er geen sprake was van bijkomende elementen van afhankelijkheid die het familieleven volgens artikel 8 EVRM Pro rechtvaardigen.

De rechtbank oordeelt dat de minister onvoldoende heeft gemotiveerd waarom er geen sprake zou zijn van dergelijke afhankelijkheid. Eiseres heeft medische beperkingen en is afhankelijk van zorg en ondersteuning van haar dochter, vooral sinds het overlijden van haar vaste vertrouwenspersoon in Indonesië. De minister heeft onvoldoende rekening gehouden met deze omstandigheden en de feitelijke situatie van eiseres.

De rechtbank vernietigt het bestreden besluit en beveelt de minister binnen zes weken een nieuw besluit te nemen, waarbij de minister de belangenafweging tussen het familieleven en het Nederlandse staatsbelang zorgvuldig moet maken. De rechtbank wijst de proceskosten af, maar veroordeelt de minister tot vergoeding van het griffierecht.

Uitkomst: Het beroep wordt gegrond verklaard en het bestreden besluit wordt vernietigd, met opdracht aan de minister een nieuw besluit te nemen.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummer: AWB 25/12423

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 16 juli 2026 in de zaak tussen

[eiseres], v-nummer: [nummer], eiseres

(gemachtigde: [gemachtigde/dochter]),
en

de minister van Asiel en Migratie

(gemachtigde: mr. R.A. Mandersloot).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de aanvraag van eiseres. Eiseres heeft een aanvraag gedaan voor verblijf bij haar dochter, [gemachtigde/dochter], in Nederland. Eiseres is het niet eens met de afwijzing van de aanvraag. Zij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de aanvraag.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de minister zich onvoldoende gemotiveerd op het standpunt heeft gesteld dat geen sprake is van bijkomende elementen van afhankelijkheid tussen eiseres en haar dochter. Eiseres krijgt dus gelijk en het beroep is dus gegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

2. Eiseres heeft op 24 februari 2022 een aanvraag ingediend voor verblijf bij haar dochter, [gemachtigde/dochter] (referent), in Nederland. De minister heeft deze aanvraag met het besluit van 1 november 2022 afgewezen. Met het bestreden besluit van 14 mei 2025 op het bezwaar van eiseres is de minister bij de afwijzing van de aanvraag gebleven.
2.1.
Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
2.2.
De rechtbank heeft het beroep op 8 april 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiseres, referent en de gemachtigde van de minister.
Achtergrond
3. Eiseres is in 1947 geboren en heeft de Indonesische nationaliteit. Referent is het enige kind van eiseres, zij is geboren in 1977. Toen referent nog jong was, is eiseres gescheiden en sindsdien woonden zij samen totdat referent ging studeren. Later ging referent in Singapore wonen en eiseres bezocht haar daar regelmatig. In Singapore kreeg eiseres in 2015 een herseninfarct, waarna zij hulp nodig had en bij referent bleef wonen. In 2016 kreeg eiseres een verblijfsrecht in Singapore. Sinds 2018 woont referent in Nederland samen met haar Nederlandse partner. Eiseres is teruggekeerd naar Indonesië, waar zij werd verzorgd door buren en kennissen van haar dochter. Zij heeft haar dochter sindsdien een aantal keer bezocht en zij verblijft sinds 2021 permanent bij referent en haar partner.

Beoordeling door de rechtbank

Is sprake van familieleven op grond van artikel 8 van Pro het EVRM?
Toetsingskader
4. De rechtbank stelt voorop dat de minister familie- of gezinsleven in de zin van artikel 8 van Pro het EVRM aanneemt tussen meerderjarigen en hun ouders als sprake is van bijkomende elementen van afhankelijkheid die de gebruikelijke banden overstijgen. Daarbij moet de minister alle individuele omstandigheden van het geval betrekken. Elementen zoals de mate van financiële en materiele (praktische) afhankelijkheid, de gezondheid van betrokkene en de banden met het land van herkomst kunnen bij de beoordeling hiervan relevant zijn, net als bijvoorbeeld de mate van emotionele afhankelijkheid en de vraag of betrokkenen eerder hebben samengewoond. Uit rechtspraak van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens volgt ook dat de omstandigheid dat een referent de enige overlevende relatie is van een vreemdeling een element kan zijn dat duidt op het bestaan van bijkomende elementen van afhankelijkheid. [1] Het is aan de vreemdeling om te stellen, en zoveel mogelijk te onderbouwen, uit welke feiten en omstandigheden de bijkomende elementen van afhankelijkheid zouden kunnen blijken. Het is vervolgens aan de minister om te beoordelen of daadwerkelijk bijkomende elementen van afhankelijkheid bestaan. Deze beoordeling is van feitelijke aard. De bestuursrechter moet het onderzoek van de minister naar de relevante feiten en omstandigheden en de door de minister gegeven motivering voor het antwoord op de vraag of familieleven bestaat in de zin van artikel 8 van Pro het EVRM, als dit wordt betwist, volledig toetsen. Bij de weging van de elementen heeft de minister beoordelingsruimte. De uitkomst van de beoordeling of bijkomende elementen van afhankelijkheid bestaan, toetst de bestuursrechter daarom volgens de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) enigszins terughoudend. [2]
Standpunt van de minister
5. De minister stelt zich op het standpunt dat tussen referent en eiseres niet is gebleken van bijkomende elementen van afhankelijkheid. De minister legt aan zijn standpunt ten grondslag dat eiseres en referent sinds de tijd dat referent ging studeren, een eigen leven hebben geleid en vrijwillig van elkaar zijn gescheiden. Daarbij wijst de minister erop dat eiseres, ook na haar herseninfarct in Singapore, nog drie jaar zelfstandig heeft kunnen wonen in Indonesië, nadat eiseres in 2018 naar Nederland vertrok. Dat eiseres referent nadat zij was vertrokken naar Nederland meermaals heeft opgezocht en dat eiseres en referent in Singapore een tijd zouden hebben samengewoond is voor bijkomende elementen van afhankelijkheid volgens de minister niet voldoende. Verder heeft eiseres volgens de minister niet aangetoond dat zij daadwerkelijk financieel wordt ondersteund door referent zodat niet is gebleken van enige financiële afhankelijkheid.
5.1.
Met betrekking tot de medische klachten van eiseres is volgens de minister niet met medische stukken aannemelijk gemaakt dat zij voor zorg afhankelijk is van referent. De minister wijst daartoe op het advies van het Bureau Medische Advisering van 28 oktober 2022 waaruit volgt dat mantelzorg niet noodzakelijk is voor welslagen van de behandeling die eiseres ondergaat bij een fysiotherapeut. Verder volgt uit het rapport dat eiseres bij een neuroloog is geweest en bloedverdunners slikt om een nieuw infarct te voorkomen. De minister wijst erop dat eiseres in Indonesië werd geholpen door buren en vrienden van referent en dat eiseres iemand inhuurde om haar te helpen met koken, of maaltijden liet thuisbezorgen. Volgens de minister is niet gebleken dat eiseres op medische gronden of voor haar levensonderhoud exclusief afhankelijk is van referent.
5.2.
De minister baseert zijn standpunt verder op de omstandigheid dat eiseres sterkere banden heeft met Indonesië dan met Nederland. Dat eiseres daar naar eigen zeggen weinig sociale contacten heeft en dat daar niemand woont om op terug te vallen doet daar volgens de minister niet aan af. Daarbij heeft referent in het bezwaarschrift aangegeven dat zij bereid is om met eiseres terug te keren naar Indonesië.
Betoog van eiseres
6. Eiseres betoogt dat de minister in het bestreden besluit heeft miskend dat zij geheel afhankelijk is van de zorg van referent, en dat terugkeer naar Indonesië daarom in strijd is met het recht op familieleven als bedoeld in artikel 8 van Pro het EVRM. Eiseres verklaart dat zij voor haar levensonderhoud, huisvesting, voeding, medische bezoeken en acupunctuur afhankelijk is van referent. Het bestreden besluit is volgens eiseres ook in strijd met het evenredigheidsbeginsel. Ter zitting heeft eiseres er nog op gewezen dat zij in Indonesië niemand meer heeft die haar kan helpen, omdat haar vaste vertrouwenspersoon in 2021 is overleden en dat eiseres juist daarom naar Nederland is vertrokken om bij referent te wonen.
Oordeel van de rechtbank
7. Het betoog slaagt. Vooropgesteld moet worden dat een onderscheid gemaakt moet worden tussen de vraag of sprake is van familieleven in de zin van artikel 8 van Pro het EVRM, waarbij beoordeeld moet worden of sprake is van bijkomende elementen van afhankelijkheid, en de vraag of dat gezinsleven recht geeft op verblijf in Nederland, waarbij de minister het belang van dat gezinsleven moet afwegen tegen het belang van de Nederlandse staat. De minister is aan die belangenafweging niet toegekomen omdat hij zich op het standpunt stelt dat niet is gebleken van bijkomende elementen van afhankelijkheid. De rechtbank is van oordeel dat de minister zich onvoldoende gemotiveerd op dat standpunt heeft gesteld. Bij dit oordeel is van belang dat niet in geding is dat referent het enige kind van eiseres is en dat zij, met uitzondering van de periode waarin referent naar de universiteit ging, tot het vertrek van referent naar Singapore samen hebben gewoond. Ook sinds eind 2015, toen eiseres een herseninfarct kreeg, hebben zij in Singapore samen gewoond. Zoals hiervoor al aangegeven moet de minister deze omstandigheden bij de beoordeling betrekken. [3] Weliswaar is eiseres teruggekeerd naar Indonesië nadat referent naar Nederland kwam, maar niet is weersproken dat eiseres daar moest worden gesteund en dat zij referent in 2021 naar Nederland is gevolgd toen haar ‘trusted individual’ die voor haar zorgde overleed tijdens de coronapandemie. Deze omstandigheden zijn door de minister ter zitting niet weersproken. Dat betekent dat eiseres, anders dan de minister heeft verondersteld, ook in Indonesië afhankelijk was van hulp van derden en dat zij dus niet geheel zelfstandig in Indonesië heeft kunnen verblijven
7.1.
Verder is van belang dat eiseres kampt met aanzienlijke medische problemen, voortkomende uit een herseninfarct in 2015, bestaande uit evenwichtsklachten, mobiliteitsklachten (uitval linkerkant) en een hoge bloeddruk. Het is aannemelijk dat eiseres zorgbehoeftig is, en niet voor zichzelf kan zorgen. Dat in de medische rapportage van het Bureau Medische Advisering van 28 oktober 2022 volgt dat mantelzorg niet benodigd is voor het welslagen van de behandeling bij een fysiotherapeut zegt immers niets over de zelfredzaamheid van eiseres in haar dagelijks leven. De rechtbank volgt verder niet de tegenwerping van de minister dat eiseres in Indonesië gebruik kan maken van vergelijkbare medische voorzieningen als hier in Nederland en dat mede daarom geen sprake zou zijn van bijkomende elementen van afhankelijkheid. Dit is een omstandigheid die naar het oordeel van de rechtbank minder relevant is voor de vraag of tussen eiseres en referent sprake is van bijkomende elementen van afhankelijkheid en eerder thuishoort in een eventueel te maken belangenafweging in het kader van artikel 8 van Pro het EVRM. Dit geldt ook voor de tegenwerping van de minister dat eiseres een sterkere band heeft met Indonesië en dat referent heeft aangegeven onder omstandigheden terug te kunnen keren naar Indonesië.
7.2.
Het voorgaande maakt dat sprake is van een motiveringsgebrek bij de beoordeling of sprake is van gezinsleven. Het besluit moet daarom worden vernietigd. Dit betekent niet dat eiseres nu bij haar referent mag blijven, maar wel dat de minister opnieuw moet beoordelen of eiseres in aanmerking komt voor een afhankelijk verblijfsrecht bij referent. Daarbij zal de minister ofwel beter moeten motiveren waarom in dit geval toch geen sprake is van bijkomende elementen van afhankelijkheid, ofwel een afweging moeten maken tussen de belangen om dit gezinsleven in Nederland te kunnen uitoefenen en de belangen van de Nederlandse staat.

Conclusie en gevolgen

8. Het beroep is gegrond. Dat betekent dat het bestreden besluit wordt vernietigd. De minister moet een nieuw besluit op bezwaar nemen met inachtneming van deze uitspraak. De minister moet dit doen met inachtneming van deze uitspraak. De rechtbank geeft de minister een termijn van zes weken na deze uitspraak om een nieuw besluit te nemen.
9. Alleen de kosten van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand komen voor vergoeding in aanmerking. Van dergelijke kosten is niet gebleken, zodat geen aanleiding bestaat om de minister in de proceskosten van eiseres te veroordelen. De minister moet wel het door eiseres betaalde griffierecht ter hoogte van € 194 aan haar vergoeden.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het bestreden besluit;
- bepaalt dat de minister binnen zes weken na deze uitspraak een nieuw besluit op bezwaar moet nemen;
- bepaalt dat de minister aan eiseres het door eiseres betaalde griffierecht ter hoogte van € 194 moet vergoeden.
Deze uitspraak is gedaan door mr. G.A. van der Straaten, rechter, in aanwezigheid van mr. R.C. Lubbers, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op:
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen vier weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Zie het arrest van 10 december 2024, Martinez Alvarado tegen Nederland (zaaknummer 4470/21).
2.Zie bijvoorbeeld de uitspraak van 27 maart 2024, ECLI:NL:RVS:2024:1188.
3.Zie het arrest van het EHRM van 10 december 2024, ECLI:CE:ECHR:2024:1210JUD000447021, Martinez Alvarado t. Nederland, punt 43.