ECLI:NL:RBDHA:2026:20295

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
21 juli 2026
Publicatiedatum
21 juli 2026
Zaaknummer
NL26.24912
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:22 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek voorlopige voorziening tegen overdracht asielaanvraag

In deze bestuursrechtelijke zaak heeft de voorzieningenrechter van de Rechtbank Den Haag op 21 juli 2026 uitspraak gedaan over het verzoek van eiseres om een voorlopige voorziening te treffen. Eiseres verzocht om te voorkomen dat zij gedurende de behandeling van haar beroep tegen het niet in behandeling nemen van haar asielaanvraag zou worden overgedragen aan een andere lidstaat op grond van het Dublin-verdrag.

De voorzieningenrechter behandelde het verzoek op zitting op 15 juli 2026, waarbij zowel eiseres, haar gemachtigde, een tolk en de gemachtigde van de minister aanwezig waren. Na het onderzoek ter zitting is het verzoek beoordeeld in samenhang met de bodemzaak.

De rechtbank heeft het beroep van eiseres ongegrond verklaard, waardoor de voorlopige voorziening niet langer noodzakelijk was. Daarom wees de voorzieningenrechter het verzoek af. Wel werd de minister veroordeeld tot betaling van de door eiseres gemaakte proceskosten, vastgesteld op € 934,00 conform het Besluit proceskosten bestuursrecht, omdat artikel 6:22 van Pro de Algemene wet bestuursrecht werd toegepast in de bodemzaak.

De uitspraak is openbaar gemaakt en er staat geen hoger beroep of verzet open tegen deze beslissing.

Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening tegen overdracht van de asielaanvraag is afgewezen en de minister is veroordeeld tot betaling van proceskosten.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Groningen
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.24912

uitspraak van de voorzieningenrechter in de zaak tussen

[naam], eiseres,

V-nummer: [nummer]
mede namens haar minderjarige dochter,
[naam],
V-nummer: [nummer]
(gemachtigde: mr. A.J. de Boer),
en

de minister van Asiel en Migratie,

(gemachtigde: mr. R.R. de Groot).

Inleiding

1. In deze uitspraak beslist de voorzieningenrechter op het verzoek van verzoekster tot het treffen van de voorlopige voorziening om gedurende de behandeling van haar beroep tegen het niet in behandeling nemen van haar asielaanvraag niet te worden overgedragen.
1.1.
De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 15 juli 2026 op zitting behandeld, samen met de behandeling van het beroep [1] . Hieraan hebben deelgenomen: eiseres, de gemachtigde van eiseres, een tolk en de gemachtigde van de minister. Het onderzoek ter zitting is gesloten.

Beoordeling door de voorzieningenrechter

2. Bij uitspraak van vandaag heeft de rechtbank het beroep van verzoeker ongegrond verklaard. Een voorlopige voorziening is daarom niet meer nodig. De voorzieningenrechter wijst het verzoek daarom af.
3. Gelet op de uitkomst van de bodemzaak, waarbij artikel 6:22 van Pro de Algemene wet bestuursrecht is toegepast, veroordeelt de voorzieningenrechter de minister wel in de door verzoeker gemaakte proceskosten. De voorzieningenrechter stelt de proceskosten op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht vast op € 934,00 (één punt voor het indienen van het verzoek om een voorlopige voorziening, met een waarde van € 934,00 per punt).

Beslissing

De voorzieningenrechter:
  • wijst het verzoek om voorlopige voorziening af;
  • veroordeelt de minister in de proceskosten van verzoeker tot een bedrag van
Deze uitspraak is gedaan door mr. N.M. van Waterschoot, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. M.A. van der Meulen - Postma, griffier en openbaar gemaakt door middel van gepseudonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.
De uitspraak is openbaar gemaakt en bekendgemaakt op:
Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.

Voetnoten

1.Zaaknummer NL26.24911.