ECLI:NL:RBDHA:2026:20286

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
21 juli 2026
Publicatiedatum
21 juli 2026
Zaaknummer
09-302224-25
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Vrijspraak
Procedures
  • Op tegenspraak
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 261 SvArt. 342 lid 2 Sv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vrijspraak verkrachting wegens ontbreken wettig en overtuigend bewijs

De rechtbank Den Haag behandelde op 21 juli 2026 de zaak tegen verdachte, die werd beschuldigd van verkrachting op twee momenten in 2023. De tenlastelegging betrof seksuele handelingen waarbij sprake zou zijn geweest van dwang en geweld, mede door een leeftijdsverschil en het negeren van verzet van de aangever.

De verdediging stelde dat de dagvaarding nietig was wegens onvoldoende concreetheid, maar de rechtbank oordeelde dat de dagvaarding in samenhang met het dossier voldoende duidelijk was. De officier van justitie en de verdediging bepleitten beiden vrijspraak van de tenlastegelegde feiten.

De rechtbank vond dat het bewijs niet wettig en overtuigend was. De verklaring van de aangever over de tweede periode (17-18 november 2023) was betrouwbaar, maar de verklaring over de eerste periode (20 mei 2023) minder. Het DNA-onderzoek en het aangetroffen letsel konden zowel passen bij verkrachting als bij vrijwillige seks, waardoor deze bewijsmiddelen geen steun boden voor de tenlastelegging. Ook het getuigenbewijs van de moeder van de aangever werd niet als steunbewijs erkend.

De rechtbank sprak verdachte vrij van de tenlastegelegde feiten en verklaarde de vordering van de benadeelde partij tot schadevergoeding niet-ontvankelijk, omdat de verdachte werd vrijgesproken. De benadeelde partij werd veroordeeld in de kosten van de verdediging, die tot op heden nihil werden begroot.

Uitkomst: Verdachte wordt vrijgesproken van verkrachting wegens ontbreken van wettig en overtuigend bewijs.

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG

Strafrecht
Meervoudige kamer
Parketnummer: 09/302224-25
Datum uitspraak: 21 juli 2026
Tegenspraak
De rechtbank Den Haag heeft op de grondslag van de tenlastelegging en naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting het navolgende vonnis gewezen in de zaak van de officier van justitie tegen de verdachte:
[verdachte],
geboren op [geboortedatum] 1998 te [geboorteplaats] ,
BRP-adres: [adres] .

1.Het onderzoek ter terechtzitting

Het onderzoek is gehouden op de terechtzitting van 7 juli 2026.
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie mr.
A. Briejer en van hetgeen door de verdachte en zijn raadsvrouw mr. N.F.M. van Osta naar voren is gebracht.

2.De tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:
1.
hij op of omstreeks 20 mei 2023 te 's-Gravenhage, althans in Nederland, meermalen, althans éénmaal, door geweld of een andere feitelijkheid en/of bedreiging met geweld of een andere feitelijkheid, te weten
- het uit feitelijke verhoudingen voortvloeiend overwicht, bestaande in het leeftijdsverschil tussen verdachte en [aangever] en/of
- het voorbijgaan aan verbale en/of non-verbale signalen van verzet/weerstand, immers heeft die [aangever] meermaals stop gezegd en/of aangegeven aan hem, verdachte, dat het pijn deed, die [aangever] heeft gedwongen tot het ondergaan van een of meer handelingen die bestonden uit of mede bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [aangever] , te weten het brengen en/of heen en weer bewegen van zijn, verdachtes, penis in de anus van die [aangever] ;
2.
hij in of omstreeks de periode van 17 november 2023 tot en met 18 november 2023 te
's-Gravenhage , althans in Nederland, meermalen, althans éénmaal, door geweld of een andere feitelijkheid en/of bedreiging met geweld of een andere feitelijkheid, te weten
- het uit feitelijke verhoudingen voortvloeiend overwicht, bestaande in het leeftijdsverschil tussen verdachte en [aangever] ,
- het voorbijgaan aan verbale en/of non-verbale signalen van verzet/weerstand, immers heeft die [aangever] meermaals stop gezegd en/of aangegeven aan hem, verdachte, dat het pijn deed,
- het gebruiken van gebiedende taal, door onder andere te zeggen dat die [aangever] stil moest liggen en/of zich niet mocht verweren en/of
- het met beide handen vastpakken van het hoofd van die [aangever] en/of (vervolgens) het brengen van het hoofd van [aangever] naar zijn, verdachtes, penis en/of hem daar vast te houden, die [aangever] heeft gedwongen tot het ondergaan van een of meer handelingen die bestonden uit of mede bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [aangever] , te weten
- het ruw en/of met kracht brengen en/of heen en weer bewegen van zijn, verdachtes, penis in de anus en/of mond van die [aangever] en/of
- het laten betasten van zijn, verdachtes, penis door die [aangever] en/of
- het betasten van de penis van die [aangever] en/of
- het tongzoenen van die [aangever] en/of
- het in zijn, verdachtes, mond nemen van en/of het bijten in het oor van die [aangever] .

3.De geldigheid van de dagvaarding

3.1
Het standpunt van de verdediging
De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat de dagvaarding nietig is, omdat de dagvaarding onvoldoende concreet maakt welke seksuele handelingen op welk moment zouden hebben plaatsgevonden en welk concreet dwangmiddel daarop betrekking heeft.
Het is voor de verdachte onduidelijk waartegen hij zich precies moet verdedigen.
3.2
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de dagvaarding geldig is, omdat verdachte wist wat hem verweten werd, gelet op de combinatie van de tenlastelegging en het dossier.
3.3
Het oordeel van de rechtbank
Op grond van artikel 261, eerste lid, van het Wetboek van Strafvordering (hierna: Sv) behelst de dagvaarding een opgave van het ten laste gelegde feit. De tenlastelegging dient een feitelijke omschrijving te bevatten van het strafbare feit waar de verdachte van wordt verdacht. Achtergrond daarvan is dat alle partijen – de verdachte, de officier van justitie en de rechter – op de hoogte zijn van de gronden waarop de vervolging rust. In het verlengde daarvan ligt het doel dat de verdediging de mogelijkheid moet hebben zich adequaat voor te bereiden. Daarbij geldt dat de tenlastelegging in samenhang met het dossier gelezen mag en kan worden.
Naar het oordeel van de rechtbank zijn de verweten gedragingen en de periode waarin zich die gedragingen zouden hebben voorgedaan, mede in het licht van het dossier, voldoende feitelijk omschreven. Het is dan ook voldoende duidelijk waar de tenlastelegging op ziet en wat de verdenking inhoudt, zoals overigens ook is gebleken uit wat door de verdachte ter zitting naar voren is gebracht en de door zijn raadsvrouw gevoerde verdediging. Het verweer van de verdediging wordt daarom verworpen. De dagvaarding is geldig.

4.De bewijsbeslissing

4.1
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gerekwireerd tot vrijspraak van het onder 1 en het onder 2 tenlastegelegde.
4.2
Het standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft namens de verdachte vrijspraak van het onder 1 en het onder 2 tenlastegelegde bepleit.
4.3
Vrijspraak
De rechtbank is van oordeel dat het onder 1 en het onder 2 tenlastegelegde niet wettig en overtuigend kan worden bewezen en overweegt daartoe als volgt.
Juridisch kader zedenzaken
Volgens artikel 342, lid 2, Sv kan het bewijs dat de verdachte de ten laste gelegde feiten heeft begaan, door de rechter niet uitsluitend worden aangenomen op de verklaring van één getuige. Deze bepaling beoogt de deugdelijkheid van de bewijsbeslissing te waarborgen, in die zin dat artikel 342, lid 2, Sv de rechter verbiedt tot een bewezenverklaring te komen als de door één getuige naar voren gebrachte feiten en omstandigheden op zichzelf staan en onvoldoende steun vinden in ander bewijsmateriaal.
Van steunbewijs kan sprake zijn als de getuigenverklaring een zelfstandige, eigen waarneming inhoudt ten aanzien van de handelingen waar de verdachte van wordt beschuldigd of ten aanzien van de emotionele of fysieke toestand van de aangever op het moment dat het strafbare feit plaatsvindt, of (vlak) daarna.
Waar het gaat om de vraag of de strafbare feiten kunnen worden bewezen, moet de rechtbank nagaan of de verklaring van aangever betrouwbaar kan worden geacht en of de verklaring van aangever in voldoende mate wordt ondersteund door ander bewijs.
Oordeel van de rechtbank
Op grond van de verklaringen van de aangever en de verdachte staat vast dat zij elkaar op 20 mei 2023 in Den Haag hebben ontmoet, dat zij samen naar de woning van de verdachte zijn gegaan en dat zij daar seks hebben gehad.
Voorts staat op grond van de verklaringen van de aangever en de verdachte vast dat de aangever op 17 november 2023 naar de woning van de verdachte in Den Haag is gegaan, dat de aangever en de verdachte de nacht in deze woning hebben doorgebracht en dat de aangever en de verdachte wederom seks hebben gehad.
De aangever heeft verklaard dat hij tot die seks op 20 mei en op 17-18 november 2023 is gedwongen door de verdachte, terwijl de verdachte heeft verklaard dat de seks vrijwillig was.
De rechtbank is van oordeel dat de verklaring van de aangever ten aanzien van feit 2 (op 17 en 18 november 2023) voldoende betrouwbaar is en voor het bewijs kan worden gebruikt. De aangever heeft in de kern consistent verklaard over de seks tegen zijn wil en heeft daarbij details genoemd die zijn verhaal authentiek maken. Ook heeft de aangever direct op 18 november 2023 bij de politie melding gemaakt van verkrachting, waarna hij zijn verklaring – nog vers in het geheugen – heeft afgelegd.
De rechtbank stelt vast dat de verklaring van aangever ten aanzien van feit 1 (op 20 mei 2023) minder gedetailleerd is en dat aangever pas op 18 november 2023, bijna 6 maanden later, bij de politie melding heeft gemaakt van verkrachting. Dat maakt de verklaring van aangever ten aanzien van feit 1 minder betrouwbaar; de verklaring ten aanzien van 20 mei 2023 kan op zichzelf beschouwd niet voor het bewijs worden gebruikt.
Ten aanzien van het steunbewijs geldt het volgende. Uit het NFI-onderzoek is gebleken dat bij de anus van aangever sprake was van spermavloeistof waarbij het DNA-profiel een match opleverde met de verdachte. Ook is bij het onderzoek aan het lichaam van aangever ontdekt dat hij een aambei bij zijn anus had. De vraag is hoe deze bevindingen moeten worden gewaardeerd.
De rechtbank is evenals de officier van justitie en de verdediging van oordeel dat deze onderzoeksbevindingen passen bij zowel het tenlastegelegde (verkrachting) als bij het alternatieve scenario van verdachte (de seks was vrijwillig). De DNA-match en het aangetroffen letsel bieden daarom geen steun voor wat aangever heeft verklaard ten opzichte van de gang van zaken volgens de verdachte. Deze bewijsmiddelen kunnen er daarom niet toe leiden dat wettig en overtuigend is bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan.
De verklaring van de moeder van aangever kan naar het oordeel van de rechtbank evenmin als steunbewijs dienen, omdat deze verklaring geen eigen, zelfstandige waarneming bevat ten aanzien van de handelingen waar de verdachte van wordt beschuldigd of ten aanzien van de emotionele of fysieke toestand van de aangever vlak na het moment dat het strafbare feit plaatsvond.
Gelet op het voorgaande en in aanmerking genomen dat er ook overigens geen steunbewijs is dat alleen past bij het tenlastegelegde (verkrachting), en dus niet past bij het alternatieve scenario van de verdachte (vrijwillige seks), acht de rechtbank niet wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte de hem tenlastegelegde feiten heeft begaan en zal hem dan ook van die feiten vrijspreken.

5.De vordering van de benadeelde partij

[aangever] heeft zich als benadeelde partij gevoegd in het strafproces en vordert een schadevergoeding van € 15.100,00, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. Dit bedrag bestaat uit € 100,00 aan materiële schade en € 15.000,00 aan immateriële schade.
5.1
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering van de benadeelde partij niet-ontvankelijk moet worden verklaard.
5.2
Het standpunt van de verdediging
De verdediging heeft verzocht om de benadeelde partij niet-ontvankelijk te verklaren in zijn vordering.
5.3
Het oordeel van de rechtbank
De rechtbank zal de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaren in zijn vordering, aangezien de verdachte van de feiten waarop de vordering betrekking heeft, zal worden vrijgesproken.
Dit brengt mee dat de benadeelde partij moet worden veroordeeld in de kosten die de verdachte tot aan deze uitspraak in verband met zijn verdediging tegen die vordering heeft moeten maken. De rechtbank begroot deze kosten tot op heden op nihil.

6.De beslissing

De rechtbank:
verklaart niet wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte de onder 1 en 2 ten laste gelegde feiten heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij;
de vordering van de benadeelde partij;
bepaalt dat de benadeelde partij [aangever] niet-ontvankelijk is in de vordering tot schadevergoeding;
veroordeelt benadeelde partij [aangever] in de kosten door de verdachte ter verdediging tegen de vordering gemaakt, tot op heden begroot op nihil.
Dit vonnis is gewezen door
mr. S.E. Bandsma, voorzitter,
mr. M. Rootring, rechter,
mr. S. Pereth, rechter,
in tegenwoordigheid van mr. L. Molenaar, griffier,
en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank van 21 juli 2026.
Mr. S.E Bandsma is buiten staat dit vonnis te ondertekenen.