ECLI:NL:RBDHA:2026:20276
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing beroep tegen niet in behandeling nemen asielaanvraag op grond van Dublinverordening
Eiser, van Pakistaanse nationaliteit, diende op 23 december 2025 een asielaanvraag in Nederland in. Nederland stelde vast dat Duitsland op grond van de Dublinverordening verantwoordelijk is voor de behandeling van zijn aanvraag, omdat hij daar eerder verzoeken tot internationale bescherming had ingediend. Verweerder nam de aanvraag niet in behandeling en wees op het interstatelijk vertrouwensbeginsel dat ervan uitgaat dat Duitsland zijn internationale verplichtingen nakomt.
Eiser voerde aan dat Duitsland een ander beschermingsbeleid hanteert voor de Ahmadi-gemeenschap en dat overdracht aan Duitsland zou leiden tot indirect refoulement. De rechtbank oordeelde dat het verschil in beschermingsbeleid geen grond is om de aanvraag aan zich te trekken, mede omdat eiser dit niet voldoende onderbouwde met landeninformatie of eigen ervaringen. Ook het feit dat zijn broer in Duitsland bescherming kreeg, was onvoldoende bewijs voor gelijke omstandigheden.
De rechtbank verwees naar jurisprudentie waarin is vastgesteld dat binnen de Dublinprocedure geen ruimte is voor toetsing van indirect refoulement op basis van verschillen in beschermingsbeleid tussen lidstaten. Eiser moet eventuele problemen na overdracht zelf bij de Duitse autoriteiten aankaarten. Omdat geen bijzondere, individuele omstandigheden waren vastgesteld, bleef het bestreden besluit in stand en werd het beroep ongegrond verklaard.
Uitkomst: Het beroep tegen het besluit om de asielaanvraag niet in behandeling te nemen wordt ongegrond verklaard en het besluit blijft in stand.