ECLI:NL:RBDHA:2026:20276

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
9 juli 2026
Publicatiedatum
21 juli 2026
Zaaknummer
NL26.18670
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 17 DublinverordeningArt. 18 DublinverordeningArt. 30 Vreemdelingenwet 2000Art. 3 EVRMArt. 4 Handvest
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing beroep tegen niet in behandeling nemen asielaanvraag op grond van Dublinverordening

Eiser, van Pakistaanse nationaliteit, diende op 23 december 2025 een asielaanvraag in Nederland in. Nederland stelde vast dat Duitsland op grond van de Dublinverordening verantwoordelijk is voor de behandeling van zijn aanvraag, omdat hij daar eerder verzoeken tot internationale bescherming had ingediend. Verweerder nam de aanvraag niet in behandeling en wees op het interstatelijk vertrouwensbeginsel dat ervan uitgaat dat Duitsland zijn internationale verplichtingen nakomt.

Eiser voerde aan dat Duitsland een ander beschermingsbeleid hanteert voor de Ahmadi-gemeenschap en dat overdracht aan Duitsland zou leiden tot indirect refoulement. De rechtbank oordeelde dat het verschil in beschermingsbeleid geen grond is om de aanvraag aan zich te trekken, mede omdat eiser dit niet voldoende onderbouwde met landeninformatie of eigen ervaringen. Ook het feit dat zijn broer in Duitsland bescherming kreeg, was onvoldoende bewijs voor gelijke omstandigheden.

De rechtbank verwees naar jurisprudentie waarin is vastgesteld dat binnen de Dublinprocedure geen ruimte is voor toetsing van indirect refoulement op basis van verschillen in beschermingsbeleid tussen lidstaten. Eiser moet eventuele problemen na overdracht zelf bij de Duitse autoriteiten aankaarten. Omdat geen bijzondere, individuele omstandigheden waren vastgesteld, bleef het bestreden besluit in stand en werd het beroep ongegrond verklaard.

Uitkomst: Het beroep tegen het besluit om de asielaanvraag niet in behandeling te nemen wordt ongegrond verklaard en het besluit blijft in stand.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Rotterdam
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.18670

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser], V-nummer: [nummer], eiser

(gemachtigde: mr. T. Thissen),
en

de minister van Asiel en Migratie, verweerder

(gemachtigde: mr. N. Rijerkerk).

Procesverloop

Bij besluit van 1 april 2026 (het bestreden besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiser tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd (asielaanvraag) niet in behandeling genomen omdat Duitsland verantwoordelijk is voor de behandeling ervan.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Hij heeft tevens de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.
De rechtbank heeft het beroep, samen met het verzoek om een voorlopige voorziening (NL26.18671), op 17 juni 2026 op zitting behandeld. Eiser en zijn gemachtigde zijn ter zitting verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. Eiser stelt van Pakistaanse nationaliteit te zijn en te zijn geboren op [geboortedatum] 1984. Eiser heeft op 23 december 2025 een asielaanvraag in Nederland ingediend.
1.1.
Uit onderzoek in Eurodac is gebleken dat eiser op 1 oktober 2016 en 9 augustus 2021 in Duitsland een verzoek tot internationale bescherming heeft ingediend. Op 28 januari 2026 heeft Nederland aan Duitsland verzocht om eiser terug te nemen op grond van artikel 18, eerste lid en onder d, van de Verordening (EU) nr. 604/2013 (Dublinverordening). Duitsland heeft dit terugnameverzoek op 30 januari 2026 op die grondslag aanvaard.
Totstandkoming van het besluit
2. Met het bestreden besluit heeft verweerder de asielaanvraag van eiser met toepassing van artikel 30, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) niet in behandeling genomen, omdat Duitsland op grond van de Dublinverordening verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan. Verweerder stelt zich op het standpunt dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij bij overdracht aan Duitsland een reëel risico loopt op een met artikel 3 van Pro het Europees verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) en artikel 4 van Pro het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (Handvest) strijdige behandeling. Ook heeft eiser volgens verweerder geen andere redenen aannemelijk gemaakt die aanleiding geven om zijn asielaanvraag in Nederland in behandeling te nemen.
Beoordeling van de beroepsgronden door de rechtbank
3. Eiser stelt zich op het standpunt dat verweerder de asielaanvraag van eiser naar zich toe moet trekken op grond van artikel 17 van Pro de Dublinverordening. Duitsland hanteert ten aanzien van mensen die behoren tot de Ahmadi-gemeenschap een ander beschermingsbeleid dan Nederland. Zijn asielaanvraag is in Duitsland afgewezen, terwijl hij in Nederland voor bescherming in aanmerking kan komen. Overdracht aan Duitsland zal daarom leiden tot indirect refoulement. Het standpunt van verweerder dat er geen aanwijzingen zijn dat Duitsland zijn verdragsverplichtingen jegens eiser niet nakomt en de verwijzing naar Afdelingsjurisprudentie waarin is geoordeeld dat er geen sprake is van indirect refoulement bij verschillen in beschermingsbeleid, volstaat niet als voldoende motivering waarom verweerder geen gebruik maakt van de discretionaire bevoegdheid. De Afdeling heeft slechts geoordeeld dat dergelijke verschillen niet zonder meer wijzen op een tekortkoming in de asielprocedure van de verantwoordelijke lidstaat. Daaruit volgt echter niet dat een verschil in beschermingsbeleid in een individueel geval geen aanleiding kan geven om gebruik te maken van de discretionaire bevoegdheid. Verweerder motiveert niet waarom dit verschil in beschermingsbeleid geen aanleiding geeft de behandeling van de aanvraag aan zich te trekken, noch waarom overdracht in dit geval niet tot indirect refoulement kan leiden in de praktijk. Het bestreden besluit berust niet op een draagkrachtige motivering.
3.1.
Op grond van artikel 17, eerste lid, van de Dublinverordening in verbinding met paragraaf C2/5, tweede gedachtestreepje (onder ‘discretionaire bepalingen’), van de Vreemdelingencirculaire (Vc) trekt verweerder een asielaanvraag onverplicht aan zich indien bijzondere, individuele omstandigheden maken dat de overdracht van de vreemdeling aan de voor de behandeling van het verzoek om internationale bescherming verantwoordelijke lidstaat van een onevenredige hardheid getuigt. In paragraaf C2/5 van de Vc staat verder dat verweerder terughoudend gebruik maakt van de bevoegdheid om het verzoek om internationale bescherming te behandelen op grond van artikel 17 van Pro de Dublinverordening, als Nederland daartoe op grond van de Dublinverordening niet verplicht is.
3.2.
De rechtbank stelt voorop dat tussen partijen niet in geschil is dat ten aanzien van Duitsland van het interstatelijk vertrouwensbeginsel kan worden uitgegaan, waardoor mag worden verondersteld dat Duitsland zich aan alle internationale verplichtingen houdt (zie bijvoorbeeld de Afdelingsuitspraken van 25 januari 2024, ECLI:NL:RVS:2024:292, 6 mei 2024, ECLI:NL:RVS:2024:1902, en 14 februari 2025, ECLI:NL:RVS:2025:588). Nu vaststaat dat ten aanzien van Duitsland mag worden uitgegaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel is de rechtbank van oordeel dat het door eiser gestelde verschil in beschermingsbeleid tussen Nederland en Duitsland geen grond kan vormen voor het oordeel dat verweerder de asielaanvraag aan zich moet trekken. Bovendien heeft eiser met de enkele stelling dat hij geen toegang heeft gehad tot het doen van beroep in zijn asielprocedures in Duitsland en dat Ahmadi’s in Nederland wel tot een risicoprofiel behoren niet onderbouwd dat sprake is van een verschil in beschermingsbeleid. Ter zitting heeft eiser nog naar voren gebracht dat zijn broer in Duitsland wel bescherming heeft gekregen. Niet is gesteld of gebleken dat ten aanzien van zijn broer sprake is van dezelfde omstandigheden als bij eiser. Bovendien hebben de Duitse autoriteiten met het claimakkoord gegarandeerd dat eisers asielaanvraag in behandeling wordt genomen met inachtneming van de internationale verplichtingen. In dat kader zijn de Duitse autoriteiten gebonden aan de verplichting om eiser niet uit te zetten als dat strijdig zou zijn met artikel 3 van Pro het EVRM en artikel 4 van Pro het Handvest. Mocht eiser zich na overdracht aan Duitsland, onverhoopt, geconfronteerd zien met problemen, dient hij zich hierover te beklagen bij de Duitse autoriteiten (vgl. het arrest van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens van 2 december 2008, ECLI:CE:ECHR:2008:1202DEC003273308, in de zaak K.R.S. tegen het Verenigd Koninkrijk). Eiser heeft niet met landeninformatie of aan de hand van eigen ervaringen aannemelijk gemaakt dat dit in Duitsland voor Dublinclaimanten niet kan of zinloos is.
3.3.
Voor zover eiser een beroep doet op indirect refoulement naar Pakistan bij overdracht aan Duitsland omdat er een verschil is in beschermingsbeleid met Nederland, oordeelt de rechtbank als volgt. De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State heeft in de uitspraak van 12 juni 2024, ECLI:NL:RVS:2024:2359, in navolging van het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 30 november 2023, ECLI:EU:C:2023:934, geoordeeld dat binnen de kaders van een Dublinprocedure geen ruimte is voor het toetsen van het risico op indirect refoulement als gevolg van het (verschil in) beschermingsbeleid dat geldt in de lidstaat waarnaar de vreemdeling wordt overgedragen. Ook materiële meningsverschillen tussen lidstaten over de vraag wanneer een vreemdeling in aanmerking komt voor internationale bescherming, zijn niet relevant bij de toetsing van een overdrachtsbesluit. Voor zover eiser vreest voor (indirect) refoulement door het verschil in beschermingsbeleid in Duitsland, moet hij dat risico daar zelf melden en aantonen dat sprake is van systeemfouten. Dit is anders wanneer niet langer uitgegaan kan worden van het interstatelijk vertrouwensbeginsel.
3.4.
Nu ook anderszins niet van bijzondere, individuele omstandigheden is gebleken die aanleiding geven tot toepassing van artikel 17 van Pro de Dublinverordening, heeft verweerder geen aanleiding hoeven zien om de asielaanvraag van eiser onverplicht aan zich te trekken op grond van artikel 17, eerste lid, van de Dublinverordening in verbinding met paragraaf C2/5, tweede gedachtestreepje (onder ‘discretionaire bepalingen’), van de Vc.
3.5.
De beroepsgrond slaagt niet.

Conclusie en gevolgen

4. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat het bestreden besluit in stand blijft. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. S.N. Abdoelkadir, rechter, in aanwezigheid van mr. E. Op den Kamp, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.