ECLI:NL:RBDHA:2026:20216
Rechtbank Den Haag
- Voorlopige voorziening
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verzoek voorlopige voorziening in asielzaak na afwijzing verblijfsvergunning
Verzoeker heeft een aanvraag ingediend voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd, welke door de minister van Asiel en Migratie op 10 maart 2026 in de algemene procedure is afgewezen als kennelijk ongegrond. Verzoeker stelde hiertegen beroep in en vroeg de voorzieningenrechter om een voorlopige voorziening te treffen.
De voorzieningenrechter behandelde het verzoek op 13 mei 2026 samen met een gerelateerde zaak. Tijdens de zitting waren verzoeker, zijn gemachtigde, een tolk en de gemachtigde van de minister aanwezig. Inmiddels heeft de rechtbank op 23 juni 2026 uitspraak gedaan op het beroep in de hoofdzaak.
Gezien deze uitspraak acht de voorzieningenrechter een voorlopige voorziening niet meer noodzakelijk en wijst het verzoek af. Tevens is er geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling. Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.
Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening wordt afgewezen omdat de rechtbank inmiddels op het beroep heeft beslist.