Uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiseres] , V-nummer: [nummer] , eiseres
de minister van Asiel en Migratie,
Procesverloop
Beoordeling door de rechtbank
Proportionaliteit
Rechtbank Den Haag
Eiseres is op 29 juni 2026 op Schiphol geland en in verzekering gesteld wegens verdenking van gebruik van een vals paspoort. Na haar vrijlating is zij overgedragen aan de Afdeling Asiel & Koninklijke Marechaussee en heeft zij te kennen gegeven asiel te willen aanvragen. De minister heeft daarop op 30 juni 2026 een grensdetentie opgelegd op grond van artikel 6, derde lid, van de Vreemdelingenwet 2000 en artikel 5 van Pro de Screeningsverordening.
Eiseres betoogt dat de grensdetentie onterecht, niet noodzakelijk en disproportioneel is opgelegd, en dat de minister onvoldoende rekening heeft gehouden met haar kwetsbaarheid. De rechtbank oordeelt dat de grensdetentie een bevoegdheid is en geen verplichting, maar dat in dit geval de minister terecht heeft geoordeeld dat een lichter middel niet passend is vanwege het grensbewakingsbelang en het ontbreken van bijzondere individuele omstandigheden die vrijheidsontneming onevenredig maken.
De rechtbank stelt vast dat de screening volgens de Screeningsverordening heeft plaatsgevonden, ook al ontbreekt een volledige verslaglegging, en dat de minister de kwetsbaarheid van eiseres voldoende heeft betrokken. De processen-verbaal vertonen enkele formele onvolkomenheden, maar de inhoud wordt niet betwist. De informatieplicht is naar het oordeel van de rechtbank voldoende nageleefd.
De rechtbank concludeert dat de maatregel rechtmatig is opgelegd en verklaart het beroep ongegrond. Tevens wijst zij het verzoek om schadevergoeding af en veroordeelt eiseres niet in de proceskosten.
Uitkomst: Het beroep tegen de grensdetentie wordt ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding wordt afgewezen.