ECLI:NL:RBDHA:2026:20166

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
20 juli 2026
Publicatiedatum
20 juli 2026
Zaaknummer
09/315221-25
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Op tegenspraak
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 285b SrArt. 342 SvArt. 9 SrArt. 22c SrArt. 22d Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vrijspraak belaging, bedreiging en openlijke geweldpleging; veroordeling vernieling met taakstraf

De rechtbank Den Haag behandelde op 6 juli 2026 de zaak tegen verdachte, die werd beschuldigd van belaging, bedreiging, openlijke geweldpleging en vernieling. De tenlasteleggingen betroffen onder meer het stelselmatig verstoren van de persoonlijke levenssfeer van de aangeefster, bedreiging van een benadeelde partij, en vernieling van een ruit van een restaurant.

Na beoordeling van het bewijs sprak de rechtbank verdachte vrij van belaging, omdat de communicatie tussen verdachte en aangeefster wederkerig en intensief was, waardoor geen sprake was van een stelselmatige inbreuk. Ook werd verdachte vrijgesproken van bedreiging, omdat de verklaring van de aangever niet werd ondersteund door ander bewijs. Eveneens werd verdachte vrijgesproken van openlijke geweldpleging, omdat onvoldoende bewijs bestond dat hij samen met anderen geweld had gepleegd.

Wel werd verdachte veroordeeld voor vernieling van een ruit van het restaurant, bewezen met camerabeelden en aangifte. De rechtbank legde een taakstraf van 20 uur op, met een subsidiaire hechtenisstraf van 10 dagen, rekening houdend met de persoonlijke omstandigheden van verdachte en landelijke richtlijnen.

De vorderingen tot schadevergoeding en contactverboden van de benadeelde partijen werden niet-ontvankelijk verklaard, omdat verdachte werd vrijgesproken van de feiten waarop deze vorderingen betrekking hadden. De rechtbank veroordeelde de benadeelde partijen tot vergoeding van de door verdachte gemaakte proceskosten, begroot op nihil.

Uitkomst: Verdachte is vrijgesproken van belaging, bedreiging en openlijke geweldpleging, maar veroordeeld voor vernieling met een taakstraf van 20 uur en 10 dagen vervangende hechtenis.

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG

Strafrecht
Meervoudige kamer
Parketnummer: 09/315221-25
Datum uitspraak: 20 juli 2026
Tegenspraak
De rechtbank Den Haag heeft op de grondslag van de tenlastelegging en naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting het navolgende vonnis gewezen in de door de politierechter naar de meervoudige kamer verwezen zaak van de officier van justitie tegen de verdachte:
[verdachte]
geboren op [geboortedatum] 1995 te [geboorteplaats] ,
BRP-adres: [adres 1] .

1.Het onderzoek ter terechtzitting

Het onderzoek is gehouden op de terechtzitting van 6 juli 2026 (inhoudelijke behandeling).
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie mr. I.G.M. Oostrom en van hetgeen door de verdachte en zijn raadsvrouw mr. A.N. Slijters naar voren is gebracht.

2.De tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:
1
hij in of omstreeks 25 juni 2025 tot en met 20 november 2025 te 's-Gravenhage, althans in Nederland, wederrechtelijk stelselmatig opzettelijk inbreuk heeft gemaakt op eens anders persoonlijke levenssfeer, te weten die van [aangeefster] , door
- die [aangeefster] berichten te sturen,
- ( in)direct contact met die [aangeefster] te zoeken,
- familieleden van die [aangeefster] te benaderen,
met het oogmerk die [aangeefster] , te dwingen iets te doen, niet te doen, te dulden en/of vrees aan te jagen;
2
hij op of omstreeks 19 november 2025 te 's-Gravenhage [benadeelde partij 1] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht en/of met zware mishandeling, door die [benadeelde partij 1] dreigend de woorden toe te voegen:
- niemand is meer veilig, als ik mijn kinderen niet meer kan zien, dan jij ook niet,
- je kan me niet tegenhouden, de politie heeft geen capaciteit en houden me ook niet tegen,
- jij bent wisselgeld, als er niet goed voor mijn kinderen wordt gezorgd, zal jij ervoor boeten,
- als het niet binnen een week geregeld is, gaan we verder, maar dan wel tien keer zo erg,
- ik leg vuurwerk en granaten voor jouw huis en voor jouw panden zodat alles gesloten wordt en/of
- ik ben niet van het vechten maar van het grotere werk, pang pang pang (vergezeld
door een schietgebaar),
althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking;
4
hij op of omstreeks 19 november 2025 te 's-Gravenhage op/aan de Laan van Meedervoort, in elk geval openlijk in vereniging geweld heeft gepleegd tegen een of meer goederen, te weten een of meer ruiten van een pand, gelegen [adres 2] ( [restaurant] ), welk in vereniging gepleegde geweld bestond uit het gooien van meerdere stenen, terwijl verdachte een of meer van die ruiten opzettelijk heeft vernield;
subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:
hij op of omstreeks 19 november 2025 te ’s-Gravenhage tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen opzettelijk en wederrechtelijk een of meer ruiten van een pand, gelegen [adres 2] ( [restaurant] ), in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan [aangever] , in elk geval aan een ander toebehoorde(n) heeft vernield, beschadigd en/of onbruikbaar gemaakt en/of weggemaakt.

3.De bewijsbeslissing

3.1.
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gerekwireerd tot vrijspraak van het onder 1 en 2 tenlastegelegde en tot bewezenverklaring van het onder 4 tenlastegelegde. Feit 3 ontbreekt op de dagvaarding.
3.2.
Het standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft vrijspraak van alle feiten bepleit. Ten aanzien van feit 4 subsidiair heeft zij aangevoerd dat op dezelfde dag ook aan andere vernieling op een andere locatie heeft plaatsgevonden en dat uit de potentiële bewijsmiddelen niet blijkt dat die betrekking hebben op de ten laste gelegde vernieling.
3.3.
Het oordeel van de rechtbank
3.3.1.
Vrijspraak feit 1 (belaging)
Bij de beoordeling van de vraag of de ten laste gelegde gedragingen zijn aan te merken als belaging als bedoeld in artikel 285b van het Wetboek van Strafrecht, moet worden beoordeeld of de aard, de duur, de frequentie en de intensiteit van de gedragingen, de omstandigheden waaronder deze hebben plaatsgevonden en de invloed daarvan op het persoonlijk leven en de persoonlijke vrijheid van de aangeefster (naar objectieve maatstaven bezien) zodanig zijn geweest dat deze zijn aan te merken als een stelselmatige inbreuk op haar persoonlijke levenssfeer.
Uit het dossier en het verhandelde ter zitting is de rechtbank gebleken dat de relatie tussen de verdachte en de aangeefster in 2025 in ernstige mate verstoord is geraakt en dat sindsdien sprake is geweest van veelvuldig over en weer gaande lelijke en ongepaste berichten tussen hen. Hoewel wederkerig contact op zichzelf een bewezenverklaring van belaging niet zonder meer in de weg hoeft te staan - bijvoorbeeld wanneer reacties louter defensief zijn of er een grote disbalans is in de intensiteit van de communicatie - is dit in de onderhavige zaak anders. Ondanks het zonder meer afkeurenswaardig handelen door de verdachte, zijn de wederkerige vijandelijkheden tussen hem en de aangeefster dusdanig dat niet worden vastgesteld dat het handelen van de verdachte is aan te merken als een stelselmatige inbreuk op de persoonlijke levenssfeer van de aangeefster. Reeds hierom kunnen de gedragingen van de verdachte niet worden aangemerkt als belaging in de zin van artikel 285b van het Wetboek van Strafrecht.
De rechtbank zal de verdachte van feit 1 vrijspreken.
3.3.2.
Vrijspraak feit 2 (bedreiging)
Volgens het tweede lid van artikel 342 van Pro het Wetboek van Strafvordering - dat de tenlastelegging in haar geheel betreft en niet een onderdeel daarvan - kan het bewijs dat een verdachte het ten laste gelegde feit heeft begaan door de rechter niet uitsluitend worden aangenomen op basis van de verklaring van één getuige. Deze bepaling strekt ter waarborging van de deugdelijkheid van de bewijsbeslissing, in die zin dat zij de rechter verbiedt tot een bewezenverklaring te komen als de verklaring van één getuige met betrekking tot de feiten en omstandigheden op zichzelf staat en onvoldoende steun vindt in ander bewijsmateriaal.
De ten laste gelegde bedreiging blijkt uit de verklaring van de aangever, maar vindt verder geen steun in een ander bewijsmiddel.
De rechtbank zal de verdachte van feit 2 vrijspreken.
3.3.3.
Vrijspraak feit 4 primair (openlijk geweld)
De rechtbank is van oordeel dat dit feit niet wettig en overtuigend is bewezen, omdat zij op basis van het dossier niet kan vaststellen dat sprake is geweest van het ‘
in vereniging’plegen van geweld. Op de beelden is weliswaar een tweede persoon te zien, maar aanwijzingen dat deze tweede persoon een significante of wezenlijke bijdrage heeft geleverd aan het geweld ontbreken.
De rechtbank zal de verdachte daarom vrijspreken van het onder feit 4 primair ten laste gelegde feit.
De rechtbank zal de verdachte van feit 4 primair vrijspreken.
3.3.4.
Bewezenverklaring feit 4 subsidiair (vernieling)
De rechtbank acht feit 4 subsidiair wettig en overtuigend bewezen.
De rechtbank heeft hierna opgenomen de wettige bewijsmiddelen met de voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden. De rechtbank overweegt dat voldoende blijkt dat de gebruikte bewijsmiddelen betrekking hebben op de ten laste gelegde vernieling. Deze vernieling is zaak 2.6 in het dossier met dossiernummer [nummer] . Dat dossiernummer staat in de bewijsmiddelen vermeld.
Wanneer hierna wordt verwezen naar een proces-verbaal, wordt - tenzij anders vermeld - bedoeld een ambtsedig proces-verbaal, opgemaakt in de wettelijke vorm door (een) daartoe bevoegde opsporingsambtena(a)r(en). Wanneer hierna wordt verwezen naar dossierpagina’s, betreft dit de pagina’s van het proces-verbaal met het nummer PL1500-2025393603 van de politie eenheid Den Haag (p. 1 t/m 197).
1. Het proces-verbaal van aangifte, opgemaakt op 19 november 2025, voor zover inhoudende (p. 50):
Pleegdatum/tijd: 19 november 2025
Ik, [aangever] , wil aangifte doen van vernieling aan het restaurant waar ik mede-eigenaar van ben, namelijk [restaurant] , gevestigd aan [adres 2] .
Ik ben naar het restaurant gegaan en zag daar een groot gat in [de] voorruit van ons restaurant. Ook zag ik een grote stoeptegel op onze bezorgscooters. Onze scooters stonden binnen.Ik zag ook dat er aan de andere deel van [de] vooruit een ster, dat was duidelijk een gevolg een steen [die] gegooid is.
2. Het proces-verbaal van bevindingen, opgemaakt op 20 november 2025, voor zover inhoudende (p. 53):
Op 20 november 2025 werd ik, verbalisant, aangesproken door een collega om te kijken naar camerabeelden waarop te zien was een man die een ruit ingooide.
Ik zag twee mannen op de beelden. Ik herkende één van deze mannen. Dit was de man die daadwerkelijk iets gooide naar een pand. Ik herkende deze man als [verdachte] .
Vanuit mijn functie uit de tijd dat ik nog in de surveillance werkte in het
verzorgingsgebied van bureau Scheveningen ben ik regelmatig met [verdachte] in aanraking geweest. Ik weet dat [verdachte] lichamelijk gehandicapt is. Zo heeft hij een linkerarm die hij altijd hoog houdt en niet of nauwelijks kan gebruiken. Ook heeft [verdachte] een bepaalde manier van lopen. Hij loopt vanwege zijn handicap mank.
Op de beelden die aan mij getoond werden, zag ik een man die zijn linker arm op dezelfde manier hielt als [verdachte] altijd deed. Ik zag dat de man een paar stappen liep en daarop was te zien dat de man mank liep. Doordat zowel de man mank liep en zijn linkerarm omhoog [hield] herkende [ik] deze man als [verdachte] .
3. Het proces-verbaal van bevindingen, opgemaakt op 23 november 2025, voor zover inhoudende (p. 139-140):
Op de beelden zag ik, verbalisant, het volgende:
Op 00.44:06 uur zag ik dat er een persoon aan de rechterkant in beeld op het trottoir stond.
Twee politie collega’s herkende[n] aan de hand van de camerabeelden deze persoon, het ging om [verdachte] .
00.44:21 uur zag ik dat [verdachte] aan de rechterkant op het trottoir het beeld in liep. Daarbij had hij in zijn rechterhand iets vast en stond naar de camera gericht. Ik zag dat [verdachte] zijn rechterhand omhoog bewoog en in een versnelde beweging zijn arm naar voren richtte en iets gooide.
00.44:25 zag ik dat [verdachte] met een versnelde pas het beeld aan de linkerkant uit liep, daarbij keek hij over zijn rechterschouder achterom.
3.4.
De bewezenverklaring
De rechtbank is met betrekking tot het onder 4 subsidiair ten laste gelegde feit van oordeel dat dit feit wettig en overtuigend is bewezen.
De rechtbank verklaart ten laste van de verdachte bewezen dat:
hij op 19 november 2025 te ’s-Gravenhage opzettelijk en wederrechtelijk een ruit van een pand, gelegen [adres 2] (restaurant [restaurant] ), die geheel aan [aangever] toebehoorde, heeft vernield.

4.De strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het bewezen verklaarde is volgens de wet strafbaar, omdat er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten.

5.De strafbaarheid van de verdachte

De verdachte is eveneens strafbaar, omdat er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die zijn strafbaarheid uitsluiten.

6.De strafoplegging

6.1.
De vordering van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van tien dagen, met aftrek van de tijd in voorarrest doorgebracht.
6.2.
Het standpunt van de verdediging
De verdediging verzoekt de rechtbank om, bij een eventuele veroordeling voor alle feiten, de straf te beperken tot de duur van het voorarrest.
6.3.
Het oordeel van de rechtbank
Na te melden straf is in overeenstemming met de ernst van het gepleegde feit, de omstandigheden waaronder dit is begaan en gegrond op de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan tijdens het onderzoek op de terechtzitting is gebleken.
De rechtbank neemt hierbij in het bijzonder het volgende in aanmerking.
Ernst van het feit
De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan vernieling van een ruit van een bedrijfspand, na een conflict in de relationele sfeer. Door aldus te handelen heeft de verdachte er blijk van gegeven geen respect te hebben voor het eigendom van een ander. De rechtbank rekent dit de verdachte aan.
Strafblad
De rechtbank heeft kennisgenomen van het strafblad van de verdachte van 26 februari 2026. De rechtbank stelt vast dat de inhoud daarvan louter betrekking heeft op oude feiten. Dit weegt bij de strafoplegging noch in het voordeel, noch in het nadeel van de verdachte mee.
Persoon van de verdachte
De rechtbank heeft kennisgenomen van een reclasseringsadvies over de verdachte van 24 februari 2026 en het voortgangsgesprek van 17 juni 2026.
Strafmodaliteit en strafmaat
De rechtbank heeft bij de bepaling van de strafmodaliteit en strafmaat aansluiting gezocht bij de landelijke oriëntatiepunten voor straftoemeting. Daarin is bij een vernieling met geringe schade als uitgangspunt vermeld een taakstraf voor de duur van twintig uren.
De rechtbank acht een taakstraf van twintig uren passend en geboden, met aftrek van de tijd in voorarrest doorgebracht.

7.De vordering van de benadeelde partij/de schadevergoedingsmaatregel

[aangeefster] heeft zich met betrekking tot feit 1 (belaging) gevoegd in het strafproces en een schadevergoeding van € 7.173,97 gevorderd, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. Dit bedrag bestaat uit € 2.573,97 aan materiële schade en € 4.600,00 aan immateriële schade. Daarnaast is verzocht aan de verdachte een contactverbod in de zin van artikel 38v van het Wetboek van Strafrecht op te leggen dan wel in de vorm van bijzondere voorwaarden.
[benadeelde partij 2] heeft zich gevoegd in het strafproces en schadevergoeding ter hoogte van € 514,25 gevorderd.
[benadeelde partij 1] heeft zich gevoegd in het strafproces en verzocht aan de verdachte een contact- en een locatieverbod in de zin van artikel 38v van het Wetboek van Strafrecht op te leggen dan wel in de vorm van bijzondere voorwaarden.
7.1.
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de benadeelde partijen in de vorderingen niet-ontvankelijk moeten worden verklaard, gezien de vordering dat de verdachte van de daarmee samenhangende feiten vrijgesproken dient te worden.
7.2.
Het standpunt van de verdediging
De verdediging heeft verzocht om de benadeelde partijen in de vorderingen niet-ontvankelijk te verklaren, gezien de bepleite vrijspraak.
7.3.
Het oordeel van de rechtbank
De vordering van [aangeefster]
De rechtbank zal [aangeefster] niet-ontvankelijk verklaren in haar vordering, aangezien de verdachte van het feit waarop de vordering betrekking heeft, zal worden vrijgesproken.
Dit brengt mee dat de benadeelde partij dient te worden veroordeeld in de kosten die de verdachte tot aan deze uitspraak in verband met zijn verdediging tegen die vordering heeft moeten maken, welke kosten de rechtbank begroot op nihil.
Contactverbod
Nu de verdachte zal worden vrijgesproken van het onder 1 ten laste gelegde feit, zal de rechtbank geen contactverbod opleggen.
Het verzoek tot contactverbod van [benadeelde partij 1]
Nu de verdachte zal worden vrijgesproken van het onder 2 ten laste gelegde feit, zal de rechtbank geen contactverbod opleggen.
De vordering van [benadeelde partij 2]
De rechtbank zal [benadeelde partij 2] niet-ontvankelijk verklaren in zijn vordering, aangezien de verdachte niet wordt veroordeeld voor het feit waar de vordering betrekking op heeft, nu dat feit niet (meer) ten laste is gelegd.
Dit brengt mee dat de benadeelde partij dient te worden veroordeeld in de kosten die de verdachte tot aan deze uitspraak in verband met zijn verdediging tegen die vordering heeft moeten maken, welke kosten de rechtbank begroot op nihil.

8.De toepasselijke wetsartikelen

De op te leggen straf is gegrond op artikelen 9, 22c, 22d en 350 van het Wetboek van Strafrecht.
Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij ten tijde van het bewezen verklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van deze uitspraak rechtens gelden.

9.De beslissing

De rechtbank:
verklaart niet wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte de onder 1, 2 en 4 primair ten laste gelegde feiten heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij;
verklaart wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 4 subsidiair ten laste gelegde feit heeft begaan, zoals hierboven onder 3.4 bewezen is verklaard;
verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;
verklaart het bewezen verklaarde strafbaar en dat het bewezen verklaarde uitmaakt:
opzettelijk en wederrechtelijk enig goed dat geheel of ten dele aan een ander toebehoort, vernielen;
verklaart de verdachte daarvoor strafbaar;
veroordeelt de verdachte tot:
een
taakstrafvoor de tijd van
20 (TWINTIG) UREN;
beveelt, voor het geval dat de verdachte de taakstraf niet naar behoren verricht, dat
vervangende hechteniszal worden toegepast voor de tijd van
10 (TIEN) DAGEN;
beveelt dat de tijd, door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de taakstraf geheel in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht;
bepaalt de maatstaf volgens welke de aftrek overeenkomstig artikel 27 van Pro het Wetboek van Strafrecht zal geschieden op twee (2) uren per dag.
verklaart de benadeelde partijen [aangeefster] en [benadeelde partij 2] niet-ontvankelijk in de vorderingen;
veroordeelt de benadeelde partijen [aangeefster] en [benadeelde partij 2] in de kosten door de verdachte ter verdediging tegen de vorderingen gemaakt, en begroot deze kosten op nihil.
Dit vonnis is gewezen door
mr. R.P. van der Weide, voorzitter,
mr. S.M. Krans, rechter,
mr. A. Tsjapanova, rechter,
in tegenwoordigheid van mr. L.E. Kramer, griffier,
en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank van 20 juli 2026.