ECLI:NL:RBDHA:2026:20158

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
17 juli 2026
Publicatiedatum
20 juli 2026
Zaaknummer
NL26.36840 en NL26.36818
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 59 VwArt. 94 VwArt. 106 Vw
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ongegrond beroep tegen terugkeerbesluit, inreisverbod en vreemdelingenbewaring

Deze uitspraak betreft het beroep van eiser tegen een terugkeerbesluit, een inreisverbod voor twee jaar en een maatregel van vreemdelingenbewaring opgelegd door de minister van Asiel en Migratie. Eiser, van Surinaamse nationaliteit, betwist de rechtmatigheid van deze besluiten en vordert tevens schadevergoeding wegens vermeende onrechtmatigheid van de vreemdelingenbewaring.

De rechtbank oordeelt dat het terugkeerbesluit van 2 juli 2026 niet onverplicht is genomen, omdat het een aanvulling vormt op een eerder besluit van 17 maart 2026, met name ter motivering in het licht van het non-refoulementbeginsel. Het inreisverbod wordt niet inhoudelijk betwist en wordt geacht rechtmatig te zijn. De maatregel van vreemdelingenbewaring is op dezelfde dag van oplegging alweer opgeheven na betaling van een borgsom, waardoor de beoordeling zich beperkt tot de vraag of onrechtmatigheid en schadevergoeding aan de orde zijn.

De rechtbank stelt vast dat de kennisgeving van de maatregel aan de rechtbank niet onverwijld is verzonden, maar dit leidt niet tot onrechtmatigheid gezien de snelle opheffing. Er is geen grond voor toekenning van schadevergoeding. De beroepen worden ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding wordt afgewezen. Eiser krijgt geen proceskosten toegekend.

Uitkomst: De beroepen tegen het terugkeerbesluit, het inreisverbod en de maatregel van vreemdelingenbewaring zijn ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding is afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Amsterdam
Bestuursrecht
Zaaknummers: NL26.36840 en NL26.36818

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaken tussen

[eiser] , V-nummer: [V-nummer] , eiser

(gemachtigde: mr. R.M. Seth Paul),
en

de minister van Asiel en Migratie, verweerder, hierna: de minister

(gemachtigde: mr. Ö. Sari).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over zowel het aan eiser opgelegde terugkeerbesluit en inreisverbod voor de duur van twee jaar als de maatregel van vreemdelingenbewaring die aan eiser is opgelegd. Deze maatregel is opgelegd op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw). Eiser is het niet eens met het terugkeerbesluit, het inreisverbod en de maatregel van vreemdelingenbewaring. Hij voert daartegen een aantal beroepsgronden aan. Onder meer aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de rechtmatigheid van het terugkeerbesluit, het inreisverbod en de maatregel van vreemdelingenbewaring en de vraag of aan eiser een schadevergoeding moet worden toegekend. [1]
1.1.
Omdat de vreemdelingenbewaring is opgeheven, beperkt de beoordeling van de maatregel van vreemdelingenbewaring zich in deze zaken tot de vraag of aan eiser schadevergoeding moet worden toegekend. In dit verband beoordeelt de rechtbank onder meer aan de hand van de beroepsgronden van eiser of de tenuitvoerlegging van de maatregel van vreemdelingenbewaring op enig moment voorafgaande aan de opheffing daarvan onrechtmatig is geweest.
1.2.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de beroepen ongegrond zijn. Het opleggen van het terugkeerbesluit, het inreisverbod en de maatregel van vreemdelingenbewaring is niet onrechtmatig. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit heeft.

Procesverloop

2. Met het bestreden besluit van 2 juli 2026 heeft de minister aan eiser, die stelt van Surinaamse nationaliteit te zijn en te zijn geboren op [geboortedag] 2007, een terugkeerbesluit en een inreisverbod voor de duur van twee jaar opgelegd. De minister heeft op diezelfde dag aan eiser de maatregel van vreemdelingenbewaring opgelegd en de rechtbank daarvan in kennis gesteld.
2.1.
Eiser wordt geacht beroep te hebben ingesteld tegen de maatregel van vreemdelingenbewaring [2] en heeft tegen het terugkeerbesluit en inreisverbod zelf beroep ingesteld. Het beroep tegen de maatregel van vreemdelingenbewaring moet ook worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.
2.2.
De minister heeft de maatregel van vreemdelingenbewaring op 2 juli 2026 opgeheven.
2.3.
De rechtbank heeft de beroepen op 10 juli 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van de minister.

Beoordeling door de rechtbank van het terugkeerbesluit

3. Eiser betoogt dat het terugkeerbesluit onverplicht is genomen, omdat het voor hem geen nieuw rechtsgevolg in het leven roept. Op 17 maart 2026 is aan eiser immers al een terugkeerbesluit met een vertrektermijn van 28 dagen opgelegd. Deze termijn is verstreken en eiser is niet vertrokken.
3.1.
Ter zitting heeft de minister toegelicht dat het nieuwe terugkeerbesluit is genomen omdat in het terugkeerbesluit van 17 maart 2026 niet is gemotiveerd waarom dat besluit niet in strijd was met het beginsel van non-refoulement. Volgens de minister was hij dus wel degelijk verplicht een nieuw terugkeerbesluit te nemen en heeft hij daarmee alsnog voldaan aan de motiveringsvereisten.
3.2.
De rechtbank is van oordeel dat eisers beroepsgrond niet slaagt. Met de motivering dat het terugkeerbesluit niet in strijd is met het beginsel van non-refoulement heeft de minister het reeds bestaande terugkeerbesluit gewijzigd dan wel aangevuld. Uit het oogpunt van kenbaarheid was de minister verplicht dit in een schriftelijk besluit aan eiser kenbaar te maken. Het terugkeerbesluit van 2 juli 2026 is daarom niet onverplicht genomen.

Beoordeling door de rechtbank van het inreisverbod

4. Gelet op het voorgaande volgt de rechtbank eiser ook niet in zijn betoog dat het inreisverbod onrechtmatig is omdat het daaraan ten grondslag liggende terugkeerbesluit onverplicht is genomen. Eiser heeft het inreisverbod verder niet inhoudelijk betwist, zodat de rechtbank uitgaat van de rechtmatigheid van dat besluit.

Beoordeling door de rechtbank van de maatregel van vreemdelingenbewaring

5. De minister heeft aan eiser de maatregel van vreemdelingenbewaring opgelegd. In deze maatregel staat dat de openbare orde de maatregel vordert, omdat het risico bestaat dat eiser zich aan het toezicht zal onttrekken en eiser de voorbereiding van het vertrek of de uitzettingsprocedure ontwijkt of belemmert. Op dezelfde dag heeft de minister de maatregel echter al weer opgeheven, omdat door eisers moeder een borgsom van € 1.500,- is betaald.
6. Eiser betoogt dat uit het dossier niet blijkt dat de minister de rechtbank onverwijld in kennis heeft gesteld van de maatregel van vreemdelingenbewaring.
6.1.
Voor zover eiser hiermee bedoelt te betogen dat de maatregel van vreemdelingenbewaring onrechtmatig was overweegt de rechtbank dat de vraag of
onverwijldis kennisgegeven in deze procedure niet meer relevant is. De bestreden maatregel is immers op dezelfde dag al weer opgeheven, zodat het alleen nog gaat over de vraag of schadevergoeding moet worden toegekend. Daarbij komt dat de zaak op 3 juli 2026 bij de rechtbank is geregistreerd. Dat niet is gebleken of daarbij een begeleidende brief/e-mail is verstuurd door de minister maakt, mede gelet op voorgaande, niet dat sprake is van onrechtmatig handelen van de minister.
Leidt ambtshalve toetsing tot een ander oordeel?
7. Los van de door eiser aangevoerde gronden, ziet de rechtbank in de door de minister en eiser verstrekte gegevens geen grond om te komen tot het oordeel dat aan de rechtmatigheidsvoorwaarden voor deze maatregel niet is voldaan. [3]

Conclusie en gevolgen

8. De beroepen tegen het terugkeerbesluit, het inreisverbod en de maatregel van vreemdelingenbewaring zijn ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart de beroepen ongegrond;
- wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. P.L.C.M. Ficq, rechter, in aanwezigheid van
D.P. van Middelkoop, griffier.
Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Voor zover deze uitspraak gaat over de maatregel van vreemdelingenbewaring moet het hogerberoepschrift worden ingediend binnen één week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden of na de dag van plaatsing daarvan in het digitale dossier. Voor zover deze uitspraak gaat over het terugkeerbesluit en inreisverbod moet het hogerberoepschrift worden ingediend binnen vier weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden of na de dag van plaatsing daarvan in het digitale dossier.

Voetnoten

1.Het beroep tegen een maatregel van bewaring wordt ook aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding. Dit volgt uit artikel 106, eerste lid, van de Vw.
2.Dit volgt uit artikel 94, eerste lid, van de Vw.
3.Vergelijk HvJEU 8 november 2022, ECLI:EU:C:2022:858 en 4 september 2025, ECLI:EU:C:2025:647.