ECLI:NL:RBDHA:2026:20154

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
17 juli 2026
Publicatiedatum
20 juli 2026
Zaaknummer
NL26.37231
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 59 VwArt. 59c VwArt. 106 VwArt. 5.5 VbArt. 5.6 Vb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ongegrond beroep tegen maatregel vreemdelingenbewaring wegens onderduikrisico en belemmering uitzetting

Deze uitspraak betreft het beroep van een Hondurese vreemdeling tegen de aan haar opgelegde maatregel van vreemdelingenbewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000. De minister stelde dat de maatregel noodzakelijk was vanwege een onderduikrisico en het risico dat de vreemdeling de uitzettingsprocedure zou ontwijken of belemmeren.

De rechtbank heeft het beroep op 10 juli 2026 behandeld en beoordeelt dat de minister de maatregel rechtmatig heeft opgelegd. Uit het dossier blijkt dat de vreemdeling binnen 24 uur na inbewaringstelling is overgeplaatst naar een detentiecentrum. De minister werkt bovendien voldoende voortvarend aan de uitzetting, ondanks dat het paspoort van de vreemdeling nog bij de IND ligt; er is een laissez passer aangevraagd en een vertrekgesprek gevoerd.

De rechtbank concludeert dat geen minder dwingende maatregelen doeltreffend kunnen worden toegepast en dat de maatregel niet onrechtmatig is. Het beroep wordt ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding wordt afgewezen. De vreemdeling krijgt geen vergoeding van proceskosten.

Uitkomst: Het beroep tegen de maatregel van vreemdelingenbewaring wordt ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Amsterdam
Bestuursrecht
Zaaknummer: NL26.37231

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiseres] , V-nummer: [V-nummer] , eiseres

(gemachtigde: mr. C. Chen),
en

de minister van Asiel en Migratie, verweerder, hierna: de minister

(gemachtigde: mr. Ö. Sari).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over de maatregel van vreemdelingenbewaring die aan eiseres is opgelegd. Deze maatregel is opgelegd op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw). Eiseres is het niet eens met die maatregel. Zij voert daartegen een aantal beroepsgronden aan. Onder meer aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de rechtmatigheid van die maatregel en de vraag of aan eiseres een schadevergoeding moet worden toegekend. [1]
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het beroep ongegrond is. Het opleggen van de maatregel van vreemdelingenbewaring is niet onrechtmatig. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit heeft.

Procesverloop

2. Met het bestreden besluit van 4 juli 2026 heeft de minister aan eiseres, die de Hondurese nationaliteit heeft en is geboren op [geboortedag] 2002, de maatregel van vreemdelingenbewaring opgelegd en de rechtbank daarvan in kennis gesteld.
2.1.
Deze kennisgeving wordt gelijkgesteld met een door eiseres ingesteld beroep. Het beroep wordt ook aangemerkt als een verzoek om schadevergoeding.
2.2.
De rechtbank heeft het beroep op 10 juli 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiseres, de gemachtigde van eiseres, C. de Windt als tolk en de gemachtigde van de minister.

Beoordeling door de rechtbank

Toetsingskader
3. De minister kan als het belang van de openbare orde of de nationale veiligheid dat vordert, de vreemdeling die geen rechtmatig verblijf heeft in vreemdelingenbewaring stellen. [2] De minister stelt een vreemdeling slechts in vreemdelingenbewaring, voor zover geen minder dwingende maatregelen doeltreffend kunnen worden toegepast en de vreemdelingenbewaring blijft achterwege of wordt beëindigd indien deze niet langer noodzakelijk is met het oog op het doel van de vreemdelingenbewaring. [3] Deze vreemdeling kan in vreemdelingenbewaring worden gesteld op grond dat het belang van de openbare orde of nationale veiligheid zulks vordert, indien a) een onderduikrisico bestaat, of b) de vreemdeling de voorbereiding van het vertrek of de uitzettingsprocedure ontwijkt of belemmert. [4] De maatregel kan alleen worden opgelegd wegens het bestaan van een onderduikrisico, indien ten minste twee van de gronden, genoemd in artikel 5.6, tweede lid, van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb) zich voordoen. [5]
De aan eiseres opgelegde maatregel van vreemdelingenbewaring
4. De minister heeft aan eiseres de maatregel van vreemdelingenbewaring opgelegd. In deze maatregel staat dat de openbare orde de maatregel vordert, omdat het risico bestaat dat eiseres zich aan het toezicht zal onttrekken en eiseres de voorbereiding van het vertrek of de uitzettingsprocedure ontwijkt of belemmert.
4.1.
In de maatregel heeft de minister als gronden vermeld dat eiseres:
a. Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen, dan wel een poging daartoe heeft gedaan, waarbij de vreemdeling zich gedurende enige tijd aan het toezicht heeft onttrokken of zich zonder toestemming tussen de lidstaten van de Europese Unie beweegt;
b. eerder een besluit, kennisgeving of aanzegging heeft ontvangen waaruit de plicht de Europese Unie dan wel Nederland te verlaten blijkt en zij daaraan niet uit eigen beweging binnen de daarin besloten of gestelde termijn gevolg heeft gegeven;
h. heeft te kennen gegeven dat zij geen gevolg zal geven aan de verplichting tot terugkeer;
j. een aanvraag voor het verlenen van een verblijfsvergunning asiel heeft ingediend die niet-ontvankelijk is verklaard of is afgewezen als kennelijk ongegrond;
r. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft;
s. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan.
5. Namens eiseres betoogt haar gemachtigde dat uit het dossier niet blijkt of zij binnen de vereiste 24 uur vanuit de politiecel is overgeplaatst naar het huis van bewaring.
5.1.
De rechtbank is van oordeel dat deze beroepsgrond niet slaagt. Uit de in het dossier geplaatste schermafbeelding van BVH eenheid Noord-Holland blijkt dat eiseres op
4 juli 2026, de dag van de inbewaringstelling, om 15:56 uur is ‘uitgeboekt’ en is overgedragen aan een andere eenheid/instantie. Daaruit blijkt naar het oordeel van de rechtbank voldoende duidelijk dat eiseres de politiecel nog op dezelfde dag heeft verlaten. De rechtbank maakt uit de overige stukken in het dossier op dat eiseres is geplaatst in [locatie] . Hoewel niet verder gespecificeerd, is er geen reden om aan te nemen dat eiseres niet direct op 4 juli 2026 om 15:56 uur is overgebracht naar dat detentiecentrum.
6. Eiseres betoogt verder dat de minister onvoldoende voortvarend aan haar uitzetting werkt. Het paspoort van eiseres bevindt zich al bij de IND, het aanvragen van een laissez passer werkt daarom alleen maar vertragend, aldus eiseres.
6.1.
De rechtbank is van oordeel dat deze beroepsgrond ook niet slaagt. Ter zitting heeft de minister erkend dat het paspoort van eiseres zich nog bij de IND bevindt, ten gevolge van de asielaanvraag van eiseres in 2023. De minister heeft daarover verklaard dat naar het paspoort moet worden gezocht omdat sindsdien al meer dan drie jaar is verstreken. De opdracht om naar het paspoort van eiseres te zoeken is uitgezet door de regievoerder. Daarnaast heeft de regievoerder op 8 juli 2026 een laissez passer-aanvraag verstuurd naar de Hondurese autoriteiten, voor het geval het paspoort van eiseres niet (tijdig) kan worden gevonden. Ook is op 7 juli 2026 een vertrekgesprek gevoerd met eiseres. Dat acht de rechtbank voldoende voortvarend.
Leidt ambtshalve toetsing tot een ander oordeel?
6. Los van de door eiseres aangevoerde gronden, ziet de rechtbank in de door de minister en eiseres verstrekte gegevens geen grond om te komen tot het oordeel dat aan de rechtmatigheidsvoorwaarden voor deze maatregel niet is voldaan. [6]

Conclusie en gevolgen

7. Het beroep tegen de maatregel van vreemdelingenbewaring is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen. Eiseres krijgt geen vergoeding van haar proceskosten.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
- wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. P.L.C.M. Ficq, rechter, in aanwezigheid van
D.P. van Middelkoop, griffier.
Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen één week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden of na de dag van plaatsing daarvan in het digitale dossier.

Voetnoten

1.Het beroep tegen een maatregel van bewaring wordt ook aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding. Dit volgt uit artikel 106, eerste lid, van de Vw.
2.Dit volgt uit artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw.
3.Dit volgt uit artikel 59c van de Vw.
4.Dit volgt uit artikel 5.5 van het Vb.
5.Dit volgt uit artikel 5.6, eerste lid, van het Vb.
6.Vergelijk HvJEU 8 november 2022, ECLI:EU:C:2022:858 en 4 september 2025, ECLI:EU:C:2025:647.