ECLI:NL:RBDHA:2026:20126

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
3 juli 2026
Publicatiedatum
20 juli 2026
Zaaknummer
NL25.54456
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8 EVRMArt. 20 VWEUArt. 21 VWEU
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing beroep op verblijfsrecht minderjarige Nederlandse dochter op grond van Chavez-Vilchez arrest

De minister heeft de reguliere verblijfsvergunning van eiser ingetrokken vanwege het verbroken gezinsverband met de referent. Eiser stelde dat hij op grond van het arrest Chavez-Vilchez een verblijfsrecht ontleent aan zijn minderjarige Nederlandse dochter. De rechtbank oordeelt dat de minister het beroep terecht heeft afgewezen omdat eiser slechts marginale zorg- en opvoedtaken verricht en er geen zodanige afhankelijkheid bestaat dat zijn dochter het EU-grondgebied zou moeten verlaten als eiser terugkeert naar Suriname.

Eiser voerde aan dat hij de relatie met de moeder van zijn dochter had hersteld en meer zorg- en opvoedtaken zou uitvoeren, maar dit is onvoldoende onderbouwd. De minister motiveerde dat eiser een beperkte omgangsregeling heeft, niet deelt in opvoedbeslissingen, niet meekomt naar medische afspraken en geen aantoonbare financiële ondersteuning biedt. De rechtbank bevestigt dat het zwaartepunt van de zorg bij de moeder ligt.

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond, waardoor de intrekking van de verblijfsvergunning in stand blijft. Eiser krijgt geen vergoeding van griffierecht of proceskosten. De uitspraak is gedaan door rechter G. Schnitzler op 3 juli 2026.

Uitkomst: De rechtbank verklaart het beroep ongegrond en handhaaft de intrekking van de verblijfsvergunning.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.54456

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser] , V-nummer: [V-nummer] , eiser

(gemachtigde: mr. S.V. Ramdihal),
en

de minister van Asiel en Migratie,

(gemachtigde: mr. R.A. Mandersloot).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over de vraag of de minister de aanvraag van eiser voor een verblijfsvergunning bij zijn minderjarige Nederlandse dochter mocht afwijzen, omdat zij niet zodanig afhankelijk van elkaar zijn dat zijn dochter het grondgebied van de Europese Unie zou moeten verlaten als eiser terugkeert naar Suriname. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de afwijzing van de aanvraag in stand kan blijven. Het beroep is dus ongegrond. Dat betekent dat eiser geen gelijk krijgt. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

2. De minister heeft met het besluit van 11 november 2024 de verblijfsvergunning van eiser met het verblijfsdoel ‘verblijf als familie- of gezinslid bij [referent] ’ ingetrokken. Met het bestreden besluit van 9 oktober 2025 is de minister bij die intrekking gebleven en heeft de minister het beroep van eiser op het arrest Chavez-Vilchez om bij zijn minderjarige Nederlandse dochter te verblijven afgewezen.
3. Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
4. De rechtbank heeft het beroep op 11 juni 2026 op zitting behandeld. Hieraan heeft deelgenomen: de gemachtigde van de minister. Eiser en zijn gemachtigde hebben zich afgemeld voor de zitting.

Beoordeling door de rechtbank

Het bestreden besluit
5. De minister heeft de verblijfsvergunning van eiser met het verblijfsdoel ‘verblijf als familie- of gezinslid bij [referent] ’ ingetrokken, omdat is gebleken dat de gezinsband tussen eiser en [referent] is verbroken. De minister heeft daarom ook aan eiser een terugkeerbesluit opgelegd. Eiser heeft in bezwaar aangevoerd dat de minister geen terugkeerbesluit kan opleggen, omdat hij een minderjarige Nederlandse dochter heeft en daarom een verblijfsrecht ontleent aan het arrest Chavez-Vilchez van het Hof van Justitie van de Europese Unie (Hof). [1]
6. De minister heeft het beroep van eiser op het arrest Chavez-Vilchez afgewezen, omdat geen sprake is van een zodanige afhankelijkheid tussen eiser en zijn minderjarige dochter waardoor zijn dochter gedwongen zou zijn het grondgebied van de Europese Unie te verlaten als aan eiser een verblijfsrecht wordt geweigerd.
Het standpunt van eiser
7. Eiser voert aan dat hij de relatie met de moeder van zijn dochter heeft hersteld en dat hij van plan is om met haar en zijn dochter samen te wonen. Eiser voert dan ook meer zorg- en opvoedtaken uit waardoor wel sprake is van een zodanige afhankelijkheid tussen hem en zijn minderjarige Nederlandse dochter.
Het oordeel van de rechtbank
8. De rechtbank stelt voorop dat de minister het beroep van eiser op het arrest Chavez-Vilchez in de bezwaarfase had moeten opvatten als een nieuwe aanvraag. Gelet op het feit dat eiser en zijn gemachtigde zich voor de zitting bij de rechtbank hebben afgemeld en hebben verzocht om het beroep schriftelijk af te doen, begrijpt de rechtbank dat er geen bezwaar bestaat tegen een beoordeling van het bestreden besluit voor zover dat gaat over het beroep op het arrest Chavez-Vilchez en dat partijen geen prijs stellen op het terugverwijzen van het bestreden besluit naar de minister om het beroepschrift als bezwaarschrift te behandelen.
9. De rechtbank oordeelt dat de minister voldoende heeft gemotiveerd dat eiser marginale zorg- en opvoedtaken verricht voor zijn dochter waardoor geen sprake is van een daadwerkelijke afhankelijkheidsrelatie. De minister heeft in het bestreden besluit gemotiveerd dat eiser een beperkte omgangsregeling heeft met zijn dochter en dat zijn dochter twee weekenden per maand bij hem verblijft. Eiser heeft een aantal foto’s overgelegd waarop hij samen met zijn dochter is te zien, maar hieruit blijkt onvoldoende hoe eiser feitelijk invulling geeft aan de omgangsregeling. Daarnaast heeft de minister gemotiveerd dat eiser niet deelt in beslissingen over de opvoeding van zijn dochter en gaat hij niet met zijn dochter naar de huisarts of het ziekenhuis wanneer dat nodig is. Ook heeft eiser niet aannemelijk gemaakt dat hij zijn dochter daadwerkelijk financieel ondersteunt, omdat hij alleen documenten heeft overgelegd waaruit blijkt dat hij meerdere keren geld heeft opgenomen. De stellingen van eiser in beroep dat de relatie met de moeder van zijn dochter is hersteld en dat zij samen zullen gaan wonen heeft eiser niet onderbouwd. Uit de voorgaande omstandigheden heeft de minister terecht geconcludeerd dat het zwaartepunt van de zorg- en opvoedtaken bij de moeder van eisers dochter ligt en dat eiser dus alleen marginale zorg- en opvoedtaken verricht. Daarom is het ook niet aannemelijk dat eisers dochter gedwongen zou worden om het grondgebied van de Europese Unie te verlaten als eiser zou terugkeren naar Suriname.

Conclusie en gevolgen

10. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiser geen gelijk krijgt. Eiser krijgt daarom het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. G. Schnitzler, rechter, in aanwezigheid van
mr.B.J. van Rossum, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 3 juli 2026.
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen vier weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Arrest van het Hof van 10 mei 2017, ECLI:EU:C:2017:354.