ECLI:NL:RBDHA:2026:2011

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
6 februari 2026
Publicatiedatum
6 februari 2026
Zaaknummer
09/215010-24
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Op tegenspraak
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 36f SrArt. 45 SrArt. 289 Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Veroordeling tot 11 jaar gevangenisstraf wegens poging tot moord op fietser bij verkeerslicht

Op 29 juni 2024 werd het slachtoffer, staand op zijn fiets bij een rood verkeerslicht in Delft, meerdere keren in het hoofd geschoten door de verdachte. De rechtbank heeft op basis van uitgebreid bewijs, waaronder getuigenverklaringen, camerabeelden en verklaringen van het slachtoffer, vastgesteld dat de verdachte de schutter was.

De rechtbank oordeelde dat de verdachte met voorbedachte rade handelde, gezien de voorbereiding, het gericht schieten op het hoofd en het koelbloedige karakter van de daad. De verdachte heeft het slachtoffer ernstig letsel toegebracht, dat een spoedoperatie vereiste.

De verdachte werd veroordeeld tot een gevangenisstraf van 11 jaar, met aftrek van voorarrest. Daarnaast werd een schadevergoeding van €13.210 toegekend aan het slachtoffer voor materiële en immateriële schade, waarbij een deel van de immateriële schade wegens hersenletsel niet-ontvankelijk werd verklaard. De rechtbank benadrukte de ernst van het feit en het signaal dat met deze straf wordt afgegeven tegen geweldsmisdrijven.

Uitkomst: Verdachte is veroordeeld tot 11 jaar gevangenisstraf wegens poging tot moord met gedeeltelijke toewijzing van schadevergoeding.

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG

Strafrecht
Meervoudige kamer
Parketnummer: 09/215010-24
Datum uitspraak: 6 februari 2026
Tegenspraak
De rechtbank Den Haag heeft op de grondslag van de tenlastelegging en naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting het navolgende vonnis gewezen in de zaak van de officier van justitie tegen de verdachte:
[verdachte],
geboren op [geboortedatum] 1987 te [geboorteplaats] ([land]),
BRP-adres: [adres 1], [postcode] [woonplaats],
op dit moment gedetineerd in Detentiecentrum [locatie] te [plaats 1].

1.Het onderzoek ter terechtzitting

Het onderzoek is gehouden op de terechtzittingen van 16 oktober 2024, 9 januari 2025,
3 april 2025, 13 juni 2025, 5 augustus 2025 en 28 oktober 2025 (alle pro forma) en
23 januari 2026 (inhoudelijke behandeling).
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie
mr. D.M. Kortekaas en van hetgeen door de verdachte en zijn raadslieden mr. A.G. Schol
en mr. J.B. van Faassen naar voren is gebracht.

2.De tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:
hij op of omstreeks 29 juni 2024 te Delft, althans in Nederland,
ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om
[slachtoffer]
opzettelijk (en met voorbedachten rade) van het leven te beroven,
meermalen, althans éénmaal, op of in de richting (van het hoofd) van die [slachtoffer]
heeft geschoten,
terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid

3.De bewijsbeslissing

3.1.
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van het tenlastegelegde en heeft zich daarbij op het standpunt gesteld dat sprake is van poging tot moord.
3.2.
Het standpunt van de verdediging
De verdediging heeft namens de verdachte integrale vrijspraak van het tenlastegelegde bepleit.
Subsidiair heeft de verdediging zich op het standpunt gesteld dat niet kan worden vastgesteld dat sprake is geweest van voorbedachte raad en dat de verdachte derhalve van dit bestanddeel dient te worden vrijgesproken.
3.3.
Gebruikte bewijsmiddelen
De rechtbank heeft hierna opgenomen de wettige bewijsmiddelen met de voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden.
Wanneer hierna wordt verwezen naar een proces-verbaal, wordt - tenzij anders vermeld - bedoeld een ambtsedig proces-verbaal, opgemaakt in de wettelijke vorm door (een) daartoe bevoegde opsporingsambtena(a)r(en). Wanneer hierna wordt verwezen naar dossierpagina’s, betreft dit de pagina’s van het proces-verbaal in het [onderzoek] met het nummer PL1500-2024206983, van de politie eenheid Den Haag, districtsrecherche Westland-Delft, met bijlagen (doorgenummerd pagina 1 t/m 467).
1. Het proces-verbaal van bevindingen, opgemaakt op 28 juli 2024, met bijlage, voor zover inhoudende (p. 159 - 162):
Op zaterdag 29 juni 2024 te 23:05 heeft slachtoffer [slachtoffer] gebeld naar de meldkamer van politie, om melding te doen van een schietpartij. Hierbij is [slachtoffer] door zijn hoofd geschoten. In het gesprek zegt [slachtoffer] onder andere het volgende:
Ik heb een kogel in mijn hoofd.
Dat is, ah, hoe heet die?
[bijnaam verdachte 1].
Met de fiets.
Hij is donker.
Hij had een jas.
Zo'n groene jas of zo.
Een elektrische fiets.
Hij heeft drie keer op mij geschoten.
Hij had een klein wapen.
2. Het proces-verbaal van verhoor van het slachtoffer [slachtoffer], opgemaakt op 30 juni 2024, voor zover inhoudende (p. 77 - 83):
A: Ben gisteren naar de shop geweest
V: De Coffeeshop?
A: Ja.
V: In?
A: Delft.
V: En welke shop?
A: [bedrijfsnaam 1], en toen kwam ik terug naar huis fietsen en bij de Aldi heb ik die jongen gezien. Hij heeft me geschoten bij die Aldi. Ik stop gewoon voor die licht en hij schiet gewoon op mij.
V: Voor het verkeerslicht stond je?
A: Ja
V: En jij was op de fiets?
A: Ja.
V: Wanneer had je hem voor het laatst gezien?
A: Ja, gisteren
A: Ik ken hem van [straatnaam 1].
A: hij had gisteren groene jas.
A: Hij had een jas met een capuchon,
A: Ja, hij heet eh, [bijnaam verdachte 1].
A: Hij is donker met een bril. Hij was op een fiets.
A: Eh, hij is van [geboorteplaats].
A: hij heeft 3 keer op mij geschoten
V: Heb je een pistool gezien?
A: Hij had ze in zijn zak
V: Wat deed hij er mee?
A: Gewoon pakken en op mij schieten.
V: Ja, en van welke afstand?
A: Twee meter.
3. Het proces-verbaal van verhoor aangever, opgemaakt op 1 juli 2024, voor zover inhoudende (p. 84 - 86):
V: Heb je nog bekende in of rondom de Coffeeshop gezien?
A: Ja
A: [bijnaam verdachte 1]. Toen ik naar binnen ging, was hij buiten.
A: Hij was net klaar in die shop. Toen ik naar binnen ging, toen ging hij naar buiten.
4. Het proces-verbaal van verhoor van getuige [getuige 1], opgemaakt op 30 juni 2024, voor zover inhoudende (p. 88 - 90):
We werden ingehaald door een man op een Fatbike. Ik kan de man als volgt omschrijven:
- Normaal postuur;
- Huidskleur kon ik niet zien, ik zag alleen de rug van deze man.
- Lichtgrijze capuchon, volgens mij van een hoodie.
Ik denk dat het een hoodie met lange mouwen was anders was zijn huidskleur mij wel opgevallen. Vervolgens zag ik dat er een fietser stilstond bij het verkeerslicht Papsouwselaan kruising Westlandseweg. Ik zag dat hij stond op het hoekje van de kruising aan de zijde van de Aldi. Hij stond daar op het fietspad en het verkeerslicht stond op rood. Vervolgens zag ik dat de man op de Fatbike stil ging staan naast de fietser die bij het verkeerslicht stond te wachten. Ik zag dat de man op de Fatbike op ongeveer één meter afstand stond naast de fietser. Mede doordat de man op de Fatbike eigenlijk voor de man op de fiets stond, blokkeerde hij het zicht voor mij.
Ik zag dat de man op de Fatbike iets pakte met zijn rechterhand uit de buurt van zijn middel dan wel rechterbroekzak. Ik zag dat hij zijn rechterarm strekte en omhoog bracht richting de persoon op de fiets. Doordat de man op de Fatbike direct voor mij stond kon ik niet goed zien, waar hij precies op mikte. In elk geval weet ik wel dat dit hoog moet zijn. Hoger dan de borst dan wel hoofd. Hij strekte zijn arm op zo een manier dat het niet anders kan dan dat het op borst of hoofd hoogte was. Vervolgens hoorde ik vier harde knallen. Ik dacht direct aan geweerschoten of pistoolschoten. In de bocht zag ik nog dat de persoon op de fiets snel wegfietste. Bij de Hambrug heb ik op mijn telefoon gekeken. Het was toen exact 22:59 uur. Ik heb teruggerekend. Het incident zou dan ongeveer 22:55 uur hebben plaatsgevonden.
5. Het proces-verbaal van verhoor van getuige [getuige 2], opgemaakt op 30 juni 2024, voor zover inhoudende (p. 92 - 94):
Ik zag dat er een fietser stond te wachten voor het rode verkeerslicht aan de kant
van de Aldi. Ik zag dat we werden ingehaald door een man op een Fatbike toen wij ter hoogte van de hoofdingang van de Aldi fietsten. Ik kan de man op de Fatbike als volgt omschrijven:
- Grijs vest met zijn capuchon op.
Ik zag dat de man op de Fatbike eigenlijk haaks stond met zijn voorwiel richting die
man op de fiets. Ik zag dat de man op de Fatbike plots in zijn rechterhand een zilverkleurig dan wel metaalkleuring handvuurwapen vast had. Ik zag dat het een handvuurwapen was met een korte loop en ik zag dat de achterzijde van het pistool wat dikker was dan de loop. Ik zag dat de man op de Fatbike dit wapen richtte op de man op de fiets. Ik zag dat de man op de Fatbike zijn wapen richtte op de bovenkant van zijn lichaam. Vervolgens hoorde ik harde knallen. Afkomstig van dat pistool. Het kon nergens anders vandaan komen. Ik hoorde vier schoten. Ik hoorde dat er niet veel tijd tussen de schoten zat. Ten tijde van het laatste schot ongeveer, zag ik dat de man op de fiets heel hard wegfietste.
6. Het proces-verbaal van bevindingen, opgemaakt op 2 juli 2024, voor zover inhoudende (p. 120 - 127):
Ik, verbalisant, deed onderzoek naar de bewakingscamerabeelden van coffeeshop [bedrijfsnaam 1], gevestigd in de [straatnaam 2] te Delft, opgenomen op zaterdagavond 29 juni 2024. Het slachtoffer, [slachtoffer], verklaarde dat hij, kort voordat hij werd neergeschoten bij coffeeshop [bedrijfsnaam 1] was geweest. Uit zowel de verklaring van het slachtoffer als de verklaring van getuigen had de verdachte onder andere het volgende signalement:
Donkere huidskleur;
Groene jas;
Grijze hoodie met capuchon;
Brildragend;
Fietsend op een fatbike.
Ik zag dat op 29 juni 2024 om 22.41:43 uur een persoon kwam gefietst op een zogenoemde fatbike. Ik zag dat de persoon er als volgt uitzag:
Donker getint;
Brildragend;
Sigaret in zijn mond;
Kort geschoren haar bovenop en aan de zijkant van zijn hoofd. In zijn nek, vanaf de
bovenkant van zijn oren zwart haar tot in zijn jas;
Zwarte sik;
Groene jas;
Grijze capuchon;
Donkere broek;
Fel oranje schoenen van het merk Nike met zwarte en grijze accenten.
Terwijl de verdachte in de coffeeshop was, zag ik op andere camerabeelden, dat een persoon uit de richting van de Koornmarkt kwam gefietst. Ik zag dat deze persoon qua uiterlijke kenmerken volledig overeenkwam met slachtoffer [slachtoffer].
Ik zag dat de verdachte vervolgens de coffeeshop verliet en langs het slachtoffer liep. Ik zag dat het slachtoffer kort in de richting keek van de verdachte. Ik zag de mond van het slachtoffer niet bewegen. Ik zag dat de verdachte om 22:44:03 uur op de fatbike stapte, langs coffeeshop [bedrijfsnaam 1] fietste en vervolgens met lage snelheid over de [straatnaam 2] in de richting van de Oude Delft fietste. Ik zag dat het slachtoffer vervolgens coffeeshop [bedrijfsnaam 1] verliet over de [straatnaam 2] in de richting van de Oude Delft fietste.
7. Het proces-verbaal van bevindingen, opgemaakt op 23 juli 2024, voor zover inhoudende (p. 168 - 179):
29 juni 2024 22:46:29:
Ik zag, komende vanuit de richting van de Oude Delft, verdachte [verdachte] over de Peperstraat fietsen in de richting van coffeeshop [bedrijfsnaam 2]. Ik zag dat [verdachte] de fatbike waarop hij reed voor de coffeeshop parkeerde en coffeeshop [bedrijfsnaam 2] inliep. Ik zag dat verdachte [verdachte] vervolgens de coffeeshop om 22:50:32 uur verliet en naar de fatbike liep waarop hij eerder was aangekomen.
29 juni 2024 22:51:15:
Ik zag dat verdachte [verdachte] vervolgens over de Peperstraat fietste in de richting van de Binnenwatersloot.
8. Het proces-verbaal van bevindingen, opgemaakt op 15 april 2025, voor zover inhoudende (p. 372 - 375):
WhatsAppgesprek tussen verdachte [verdachte] en telefoonnummer [telefoonnummer 1],in gebruik bij [getuige 3], eerder in dit onderzoek gehoord als getuige. Dit betreffen gesprekken van 30 juni 2024 02:08:16 uur tot en met 2 juli 2024 om 06:24:13 uur. Het schietincident vond een aantal uur hiervoor plaats, op 29 juni 2024 omstreeks 23:00 uur. Eerder bleek uit proces-verbaal van bevindingen DH5R024058-83 dat slachtoffer [slachtoffer] de gebruiker was van Facebookprofiel [profielnaam]. Kennelijk stuurde [verdachte] 20 seconden nadat hij de foto had gestuurd dat hij deze man gisteren ergens mee geslagen had. Tijdens het vertalen door de beëdigde tolk hoorde ik de tolk zeggen dat de hierboven beschreven vertaling de letterlijke vertaling betreft. Wel kon het ook worden vertaald als het volgende: “Deze man hier heb ik gisteren wat ergs aangedaan.”
9. Het proces-verbaal van bevindingen, opgemaakt op 15 oktober 2024, voor zover inhoudende (p. 251 - 253):
Op 10 juli 2024 heeft de verdachte vanuit het detentiecentrum telefonisch een gesprek gevoerd met een man. De verdachte belt naar de gebruiker van telefoonnummer [telefoonnummer 2]. Uit onderzoek blijkt dat de verdachte op 29 juni 2024 te 23:59:02 uur en te 23:59:17 uur telefonisch contact heeft met de gebruiker van telefoonnummer [telefoonnummer 2]. Dit gesprek vindt plaats een uur na het incident. Uit onderzoek van de camerabeelden blijkt dat de verdachte opvallende sportschoenen droeg. Tijdens de doorzoekingen in de woning van de verdachte ([adres 1] te [plaats 2]) en de doorzoeking bij de (ex)-vriendin ([adres 2] te [plaats 3]) zijn de opvallende sportschoenen NIET aangetroffen. De verdachte belt vanuit de PI de gebruiker van het telefoonnummer [telefoonnummer 2].
[verdachte] (Verdachte)
[telefoonnummer 2] (gebelde persoon).
[verdachte]: De sportschoenen gooi weg.
[telefoonnummer 2]: Dat ding is weg. Dat ding is al naar het gat gegaan broer.
[verdachte]: Goed papa, goed papa.
10. Het proces-verbaal van bevindingen, opgemaakt op 30 november 2024, voor zover inhoudende, met bijlagen (p. 257 - 261):
Op 16 juli 2024 heeft de verdachte vanuit het detentiecentrum telefonisch een gesprek gevoerd. De verdachte belt naar de gebruiker van telefoonnummer [telefoonnummer 2]. In dit gesprek wordt onder ander het volgende gezegd door [verdachte]: ik heb een bodywarmer bij je achtergelaten. [verdachte] vraagt: kan je het voor mij wassen?
11. Het geschrift, te weten medische informatie van de afdeling neurochirurgie van Haaglanden MC betreffende [slachtoffer], gedateerd 16-7-2024, voor zover inhoudende (p. 166):
Er was sprake op 30-06-2024 van uitwendig waargenomen letsel: er was een huiddefect links temporaal, met daaronder zwelling. Er was sprake van iets bloedverlies hieruit. Er was sprake van het vermoeden van inwendig (schedelhersen)letsel. Patiënt had een verminderd bewustzijn.
Beeldvormend onderzoek toonde een fractuur van de schedel, bloeding en contusie van de hersenen m.n. van de linker temporaalkwab en een corpus alienum in deze hersenkwab.
Hierop is patiënt met spoed geopereerd, waarbij een kogel verwijderd werd. De botfragmenten niet teruggeplaatst.
Er is op dit moment geen uitspraak te doen over de duur van de genezing of de permanentheid van eventuele klachten.
12. Het proces-verbaal van verhoor verdachte, opgemaakt op 4 juli 2024, voor zover inhoudende (p. 321 - 329):
V: Dan vervolgens stuur jij op 30 juni 2024 om 12:38:01 uur de volgende foto naar [getuige 3]:
De politie toont de verdachte een screenshot van Facebookprofiel [profielnaam], waar [slachtoffer] de gebruiker van is.
A: Dit is de persoon die mij lastig valt waartegen ik aangifte tegen wilde doen.
13. De verklaring van de verdachte, afgelegd op de terechtzitting van 23 januari 2026, voor zover inhoudende:
In de avond van 29 juni 2024 ben ik in Delft bij twee coffeeshops geweest, eerst bij [bedrijfsnaam 1] en daarna bij [bedrijfsnaam 2]. Ik reed die avond op een fatbike. Ik droeg een groen trainingspak met een groene bodywarmer erover. Ik herken mijzelf op de foto op pagina 121 van het dossier, bij coffeeshop [bedrijfsnaam 1]. Ik hoor de voorzitter zeggen dat zij ziet dat ik op die foto een bril op heb, een groene jas draag met lange mouwen en een lichtgrijze capuchon. Die is van het trainingspak. Ik herken mijzelf ook op de vier foto’s op pagina 170 van het dossier, genomen bij [bedrijfsnaam 2]. [bijnaam verdachte 1] is de naam die ik gebruik, mijn bijnaam. Ik ken aangever [slachtoffer] van gezicht.
14. De eigen waarneming van de rechtbank, gedaan op de terechtzitting van 23 januari 2026, van de foto’s op de pagina’s 335 t/m 336 en 170 van het dossier, die zijn getoond ter terechtzitting:
De rechtbank neemt waar:
- op foto 3 (p. 336): bij zijn aanhouding droeg de verdachte rode schoenen;
- op de vier foto’s op p. 170: op 29 juni 2024 droeg de verdachte in coffeeshop [bedrijfsnaam 2] andere schoenen dan bij zijn aanhouding, van een ander model en met een andere kleur, te weten oranje/roze.
3.4.
Bewijsoverwegingen
3.4.1.
Was de verdachte de schutter?
Op basis van de bewijsmiddelen stelt de rechtbank het volgende vast.
Op 29 juni 2024 om 22.41:43 uur kwam de verdachte aan bij coffeeshop [bedrijfsnaam 1] in Delft, waar hij en [slachtoffer] elkaar hebben gezien. Om 22:44:03 uur fietste de verdachte weg bij [bedrijfsnaam 1] en even later fietste [slachtoffer] ook weg. Om 22:46:29 uur kwam de verdachte aan bij coffeeshop [bedrijfsnaam 2], waar hij om 22:51:15 uur weer wegfietste.
Omstreeks 22:55 uur stond [slachtoffer] op zijn fiets te wachten voor het rode verkeerslicht op de kruising van de Papsouwselaan en de Westlandseweg. Er kwam een man aanrijden op een fatbike. De man zette zijn fatbike haaks voor [slachtoffer]. Vervolgens vuurde de man met een vuurwapen meerdere schoten af op [slachtoffer], die geraakt werd in zijn hoofd.
De man die de schoten afvuurde heeft hetzelfde signalement als de verdachte, die nog geen vijf minuten daarvoor op beelden is te zien op een fatbike, fietsend in de richting van de plek van het schietincident.
Aangever [slachtoffer] heeft verklaard dat hij is beschoten door “[bijnaam verdachte 1]”, de bijnaam van de verdachte, en heeft op een foto de verdachte als deze [bijnaam verdachte 1] aangewezen.
De verdachte heeft bij de politie verklaard dat hij [bijnaam verdachte 1] wordt genoemd en werd lastiggevallen door [slachtoffer].
De verdachte heeft kort na de schietpartij aan zijn ex-vriendin [getuige 3] een foto van [slachtoffer] gestuurd en er in het Papiaments iets bij gezegd (“E gai aki ma dal kos ajera”) wat op verschillende manieren kan worden vertaald. De tolk heeft vertaald dat hij deze man gisteren ergens mee heeft geslagen of: “Deze man heb ik gisteren iets ergs aangedaan.” Gezien echter de verklaring van de verdachte bij de politie dat hij tegen [getuige 3] heeft gezegd dat hij met deze vent heeft willen vechten, gaat de rechtbank ervan uit dat de verdachte hier heeft willen uitdrukken dat hij [slachtoffer] iets aan heeft gedaan. De rechtbank neemt hierbij in aanmerking het tijdstip van dit gesprek, kort na het schietincident, en het sturen van de foto van [slachtoffer].
De verdachte heeft nadien vanuit detentie telefonisch de opdracht gegeven om zijn sportschoenen weg te gooien. Volgens de verdachte waren de schoenen die hij droeg bij zijn aanhouding dezelfde als die hij droeg in de coffeeshop. De rechtbank heeft waargenomen dat dit andere schoenen betrof. Ook heeft hij in detentie telefonisch aan iemand gevraagd zijn bodywarmer te wassen, waarbij ook over “dat ding” is gesproken, dat weg is en al naar het gat is gegaan.
Uit al deze feiten en omstandigheden, in onderlinge samenhang bezien, leidt de rechtbank af dat de verdachte de persoon is geweest die op [slachtoffer] heeft geschoten. Verdachte wordt [bijnaam verdachte 1] genoemd. Het signalement past bij verdachte. Het berichtje aan zijn vriendin betrof blijkbaar de gewelddadige ontmoeting met [slachtoffer]. Met de verzoeken die de verdachte heeft gedaan over zijn schoenen en bodywarmer wilde hij blijkbaar de schoenen en kleding die hij bij de schietpartij droeg laten wegmaken respectievelijk laten ontdoen van schietsporen, met het ‘ding” dat weg was ging het kennelijk om het vuurwapen dat niet door de politie gevonden mocht worden.
De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat [slachtoffer], die geweigerd heeft vragen van de verdediging en de rechter-commissaris over de verdenking van een schietincident te beantwoorden, een onbetrouwbare getuige is gebleken. Primair dienen zijn verklaringen daarom van het bewijs te worden uitgesloten. Subsidiair zijn de verklaringen van [slachtoffer] volgens de verdediging onvoldoende betrouwbaar om enig gewicht aan toe te kunnen kennen.
De rechtbank ziet in de weigering van aangever om vragen te beantwoorden over betrokkenheid bij een schietincident geen aanleiding om daaraan het vergaande gevolg van bewijsuitsluiting te verbinden. Weliswaar heeft hij daarmee zijn verplichting als getuige om vragen te beantwoorden geschonden, maar deze omstandigheid acht de rechtbank op zichzelf onvoldoende om daaraan de door de verdediging bepleite consequentie te verbinden. Dat aangever met zijn weigering de waarheid geweld heeft aangedaan en de belangen van de verdediging heeft geschonden heeft de verdediging onvoldoende onderbouwd om (mede) op grond daarvan zijn verklaringen van het bewijs uit te sluiten.
De rechtbank ziet, anders dan de verdediging, geen aanleiding om aan de betrouwbaarheid van de verklaringen van de aangever te twijfelen. Aangever heeft zowel in zijn telefonische melding zeer kort nadat hij in zijn hoofd is geschoten als in zijn twee verklaringen bij de politie consistent en duidelijk verklaard dat [bijnaam verdachte 1] degene is die op hem heeft geschoten. Aan die betrouwbaarheid doet niet af dat de aangever als naam van de dader ook de naam “[bijnaam verdachte 2]” heeft genoemd. Uit het proces-verbaal waarin hij naast de (bij)naam [bijnaam verdachte 1] ook de naam [bijnaam verdachte 2] noemt leidt de rechtbank af dat de aangever, gevraagd naar de persoon van de dader, de hem niet bekende officiële voornaam van de verdachte heeft willen geven, nu hij die naam aarzelend heeft genoemd, daarbij heeft gezegd niet te weten hoe de dader heette, dat hij die naam moest zoeken en vervolgens heeft gezegd dat de dader [bijnaam verdachte 1] heette. De verklaringen van aangever komen op belangrijke punten met elkaar overeen. De rechtbank acht deze verklaringen betrouwbaar, te meer nu deze worden ondersteund door de andere bewijsmiddelen.
De verdediging heeft aangevoerd dat het door een van de getuigen gegeven signalement dat de schutter een mediterraan/licht getint uiterlijk zou hebben niet overeenkomt met het signalement van de verdachte.
Uit het dossier blijkt dat het donker was, dat de verdachte kleding met lange mouwen droeg en een capuchon over zijn hoofd had, waardoor de getuige niet zijn hele gezicht kon zien. Onder die omstandigheden kent de rechtbank aan de door de getuige gegeven typering van de huidskleur geen gewicht toe en acht zij het door de getuigen gegeven signalement voor het overige bruikbaar.
De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de conclusie dat de verdachte de persoon is geweest die op 29 juni 2024 [slachtoffer] heeft beschoten.
3.4.2.
Opzet op de dood?
De verdachte heeft met een vuurwapen op korte afstand in de richting van het hoofd en/of bovenlichaam van [slachtoffer] geschoten. [slachtoffer] is daarbij in zijn hoofd geraakt. Deze gedraging dient naar zijn uiterlijke verschijningsvorm te worden aangemerkt als zo zeer gericht op het toebrengen van dodelijk letsel, dat de rechtbank op grond hiervan vaststelt dat – bij het in dezen ontbreken van contra-indicaties – het opzet van de verdachte hierop ten volle was gericht.
3.4.3.
Voorbedachte raad?
Tot slot moet de rechtbank de vraag beantwoorden of er sprake was van voorbedachte raad op de dood van [slachtoffer] en dus van een poging tot moord.
Voor een bewezenverklaring van het bestanddeel met ‘voorbedachte rade’ moet komen vast te staan dat de verdachte zich gedurende enige tijd heeft kunnen beraden op het te nemen of het genomen besluit en hij niet heeft gehandeld in een ogenblikkelijke gemoedsopwelling, zodat hij de gelegenheid heeft gehad na te denken over de betekenis en de gevolgen van zijn voorgenomen daad en zich daarvan rekenschap te geven. Bij de vraag of sprake is van voorbedachte raad gaat het bij uitstek om een weging en waardering van de omstandigheden van het concrete geval door de rechter, waarbij deze het gewicht moet bepalen van de aanwijzingen die voor of tegen het bewezen verklaren van voorbedachte raad pleiten.
De vaststelling dat de verdachte voldoende tijd had om zich te beraden op het te nemen of het genomen besluit vormt weliswaar een belangrijke objectieve aanwijzing dat met voorbedachte raad is gehandeld, maar behoeft de rechter niet ervan te weerhouden aan contra-indicaties een zwaarder gewicht toe te kennen. Daarbij kan bijvoorbeeld worden gedacht aan de omstandigheid dat de besluitvorming en uitvoering in plotselinge hevige drift plaatsvinden, dat slechts sprake is van een korte tijdspanne tussen besluit en uitvoering of dat de gelegenheid tot beraad eerst tijdens de uitvoering van het besluit ontstaat. Zo kunnen bepaalde omstandigheden (of een samenstel daarvan) de rechter uiteindelijk tot het oordeel brengen dat de verdachte in het gegeven geval niet met voorbedachte raad heeft gehandeld.
Voor de bewezenverklaring van voorbedachte raad acht de rechtbank in het bijzonder de volgende feiten en omstandigheden redengevend.
De verdachte en de aangever hebben elkaar kort voor het schietincident gezien in coffeeshop [bedrijfsnaam 1] en kort daarna heeft het schietincident plaatsgevonden. In het bezit van een vuurwapen is de verdachte, die een capuchon over zijn hoofd had gedaan, naar de aangever toe gefietst en heeft met zijn fatbike de weg geblokkeerd. Vervolgens heeft de verdachte op korte afstand meermalen met een vuurwapen gericht op de aangever geschoten. Daarna is hij weggefietst. Dit handelen laat voldoende ruimte om na te kunnen denken over de betekenis en gevolgen van de voorgenomen daad en zich daarvan rekenschap te geven. Uit niets is gebleken dat op het moment waarop de verdachte schoot bij hem sprake is geweest van een ogenblikkelijke gemoedsopwelling. De twee getuigen van het schietincident hebben niets verklaard wat daarop wijst. Integendeel, de beschrijving die zij daarvan hebben gegeven, wijst op een doelgerichte, koelbloedige actie van de dader. De rechtbank kent er hier ook betekenis aan toe dat de verdachte niet heeft verklaard over een ogenblikkelijke gemoedsopwelling. Wel heeft hij verklaard zich bedreigd te hebben gevoeld door de aangever. Dat wijst niet per se op handelen in een ogenblikkelijke gemoedsopwelling. Evengoed kan de verdachte hier het motief hebben genoemd in het scenario waarin hij volgens plan heeft gehandeld.
De rechtbank is dan ook van oordeel dat de verdachte met voorbedachte raad heeft gehandeld en acht daarmee een poging tot moord bewezen.
3.5.
De bewezenverklaring
De rechtbank is met betrekking tot het ten laste gelegde feit van oordeel dat dit feit wettig en overtuigend is bewezen.
De rechtbank verklaart ten laste van de verdachte bewezen dat:
hij op 29 juni 2024 te Delft ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om [slachtoffer] opzettelijk en met voorbedachten rade van het leven te beroven, meermalen in de richting (van het hoofd) van die [slachtoffer] heeft geschoten, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.

4.De strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het bewezen verklaarde is volgens de wet strafbaar, omdat er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten.

5.De strafbaarheid van de verdachte

De verdachte is eveneens strafbaar, omdat er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die zijn strafbaarheid uitsluiten.

6.De strafoplegging

6.1.
De vordering van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van elf jaren, met aftrek van de tijd in voorarrest doorgebracht.
6.2.
Het standpunt van de verdediging
De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat iedere straf te hoog is voor iemand die zegt onschuldig te zijn.
6.3.
Het oordeel van de rechtbank
Na te melden straf is in overeenstemming met de ernst van het gepleegde feit, de omstandigheden waaronder dit is begaan en gegrond op de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan tijdens het onderzoek op de terechtzitting is gebleken.
De rechtbank neemt hierbij in het bijzonder het volgende in aanmerking.
Ernst van het feit
De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan poging tot moord. Hij heeft meermalen met een vuurwapen geschoten op aangever [slachtoffer], die met zijn fiets stond te wachten bij het rode verkeerslicht. [slachtoffer] is geraakt in zijn hoofd en is met spoed geopereerd, waarbij een kogel verwijderd werd uit zijn hersenkwab.
Dat het slachtoffer dit heeft overleefd, is een bijzonder gelukkige omstandigheid die niet aan het handelen van de verdachte te danken is. De verdachte heeft geprobeerd het slachtoffer het meest fundamentele recht, namelijk het recht op leven, te ontnemen. Met zijn handelen heeft de verdachte het slachtoffer zowel lichamelijk als psychisch leed aangedaan. Blijkens de toelichting bij zijn vordering benadeelde partij ondervindt hij nog altijd (hoofd)pijnklachten, heeft hij last van herbelevingen en is sprake van concentratieklachten en geheugenverlies. Bovendien wordt hij dagelijks geconfronteerd met een groot ontsierend litteken aan de zijkant van zijn hoofd.
Met zijn handelen heeft de verdachte ook de samenleving als geheel geschokt. Getuigen hebben de schietpartij van dichtbij op straat zien gebeuren. Het handelen van de verdachte zal bij hen, maar ook bij anderen die daarvan op de hoogte zijn geraakt, gevoelens van angst en onveiligheid hebben veroorzaakt. Ook in algemene zin brengt een schietpartij - ook als deze geen dodelijke afloop kent - voor het grote publiek dat gevoel van onveiligheid mee. Hoewel dit schietincident kenmerken vertoont van een afrekening, althans een poging daartoe, zijn het motief en de achtergrond hierbij tot op heden onduidelijk gebleven. De verdachte heeft hierover geen openheid van zaken gegeven en heeft op geen enkele manier verantwoordelijkheid genomen voor zijn handelen.
Strafblad
De rechtbank heeft kennisgenomen van het strafblad van de verdachte van 9 december 2025, waaruit blijkt dat hij niet eerder is veroordeeld wegens strafbare feiten.
Persoon van de verdachte
De rechtbank heeft tevens kennisgenomen van:
- een Pro Justitiarapport van het Pieter Baan Centrum (PBC), uitgebracht op 20 oktober 2025 door [naam 1], GZ-psycholoog, en [naam 2], psychiater;
- een Pro Justitiarapport, op 8 november 2024 opgesteld door [naam 3] MSc, GZ- psycholoog;
- een Pro Justitiarapport, op 11 november 2024 opgesteld door prof. dr. [naam 4], psychiater;
- een reclasseringsrapport, op 9 december 2025 opgesteld door [naam 5], als reclasseringswerker werkzaam bij GGZ Reclassering Fivoor.
De verdachte heeft niet meegewerkt aan het opmaken van de Pro Justitiarapporten en ook aan het onderzoek in het PBC, waar de verdachte ter klinische observatie opgenomen is geweest, heeft de verdachte zijn medewerking onthouden. Volgens het PBC-rapport kwamen in de korte contactmomenten met onderzoekers en in de meer uitgebreide contacten met groepsleiders en medeobservandi geen aanwijzingen naar voren voor het bestaan van ernstige psychiatrische of psychologische problemen bij betrokkene. Ook zijn er geen aanwijzingen voor een forensisch relevante verstandelijke beperking. Door het ontbreken van onderzoek konden deze echter evenmin worden uitgesloten. Op grond van het dossier waren er wel sterke aanwijzingen voor een stoornis in cannabisgebruik.
De verschillende rapporteurs hebben dan ook niet kunnen adviseren over eventuele stoornissen, toerekenbaarheid, risico’s en afdoeningsmogelijkheden.
De reclassering is verzocht te rapporteren in verband met de mogelijke oplegging van de tbs-maatregel, al dan niet met voorwaarden.
De reclassering heeft in haar rapport geconcludeerd dat zij, mede gelet op de weigering van de verdachte om aan de Pro-Justitiarapportages mee te werken, geen mogelijkheden ziet om voorwaarden op te stellen in het kader van een tbs met voorwaarden, omdat zij geen zicht heeft op het risico op recidive en letselschade. Ook is niet bekend wat de risicofactoren zijn en op welke wijze eventuele interventies dienen te worden vormgegeven.
Uitgangspunt is dat strafbare feiten aan de dader zijn toe te rekenen. De deskundigen hebben geen advies kunnen geven over de mate waarin de bewezenverklaarde poging tot moord aan de verdachte kan worden toegerekend en de rechtbank ziet in het dossier of het verhandelde ter terechtzitting geen aanknopingspunten om aan te nemen dat de verdachte het bewezenverklaarde feit onder invloed van een gebrekkige ontwikkeling of ziekelijke stoornis van zijn geestvermogens heeft gepleegd. De rechtbank gaat daarom overeenkomstig genoemd uitgangspunt uit van de volledige toerekenbaarheid van het bewezenverklaarde feit aan de verdachte.
Straf
De rechtbank is van oordeel dat uit de aard en de ernst van het bewezen verklaarde, zoals hiervoor omschreven, volgt dat niet kan worden volstaan met een andere of lichtere straf dan een onvoorwaardelijke vrijheidsbenemende straf van aanzienlijke duur.
Met de op te leggen straf beoogt de rechtbank een duidelijk signaal te geven aan de verdachte en aan anderen dat het plegen van dit soort ernstige geweldsmisdrijven niet wordt getolereerd en dat daartegen streng wordt opgetreden. Bij de bepaling van de duur van de gevangenisstraf is tevens acht geslagen op straffen die in soortgelijke zaken worden opgelegd. De rechtbank acht daarom de door de officier van justitie geëiste gevangenisstraf voor de duur van elf jaar, met aftrek van voorarrest, passend en geboden.
Tenuitvoerlegging van de op te leggen gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat aan de verdachte voorwaardelijke invrijheidstelling wordt verleend als bedoeld in artikel 6:2:10 van Pro het Wetboek van Strafvordering.

7.De vordering van de benadeelde partij/de schadevergoedingsmaatregel

[slachtoffer] heeft zich als benadeelde partij gevoegd in het strafproces en vordert een schadevergoeding van € 55.210,00, te vermeerderen met de wettelijke rente. Dit bedrag bestaat uit € 210,00 aan materiële schade en € 55.000,00 aan immateriële schade.
7.1
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft geconcludeerd tot toewijzing van de vordering van de benadeelde partij, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
7.2
Het standpunt van de verdediging
De verdediging heeft zich primair op het standpunt gesteld dat - gelet op de bepleite vrijspraak - de benadeelde partij niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in zijn vordering. Subsidiair heeft de verdediging zich ten aanzien van de materiële schade gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank en heeft ten aanzien van de immateriële schade verzocht het toe te wijzen bedrag aanmerkelijk te matigen, met dien verstande dat voor het litteken een bedrag van € 13.000,00 kan worden toegewezen. De verdediging heeft zich ten aanzien van het hersenletsel en de psychische klachten op het standpunt gesteld dat deze posten onvoldoende zijn onderbouwd en dat de vordering voor dit deel dient te worden afgewezen.
7.3
Het oordeel van de rechtbank
De vordering, voor zover deze betrekking heeft op de post materiële schade, is namens de verdachte niet gemotiveerd betwist en namens de benadeelde partij voldoende onderbouwd. Op grond van het dossier en het onderzoek ter terechtzitting kan dan ook worden vastgesteld dat de benadeelde partij rechtstreeks schade heeft geleden door het bewezen verklaarde feit, ter grootte van het gevorderde bedrag.
Op grond van het dossier en het onderzoek ter terechtzitting kan worden vastgesteld dat de benadeelde partij rechtstreeks immateriële schade heeft geleden door het bewezen verklaarde feit. Gelet op wat namens de benadeelde partij ter toelichting op zijn vordering is aangevoerd, zal de rechtbank de geleden immateriële schade vaststellen op een bedrag van
€ 13.000,00 voor de post ‘litteken’. De rechtbank heeft bij het vaststellen van dit bedrag aansluiting gezocht bij de ‘Rotterdamse schaal’, een ordening van smartengeldbedragen. Naar het oordeel van de rechtbank past het feit in de categorie b ‘ernstige littekenvorming’ van die schaal (9.2).
De rechtbank zal, voor zover de vordering betrekking heeft op de post ‘hersenletsel’, de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaren in de vordering. Dit deel van de vordering is namens de verdachte gemotiveerd betwist en namens de benadeelde partij onvoldoende onderbouwd. De benadeelde partij de gelegenheid geven voor een nadere onderbouwing van dit deel van de vordering zou een onevenredige belasting van het strafgeding opleveren. De benadeelde partij kan dit deel van de vordering slechts bij de burgerlijke rechter aanbrengen.
De rechtbank zal - gelet op het voorgaande - de vordering toewijzen tot een bedrag van
€ 13.210,00, bestaande uit € 210,00 aan materiële schade en € 13.000,00 aan immateriële schade.
De rechtbank zal de gevorderde wettelijke rente toewijzen met ingang van 29 juni 2024, omdat vast is komen te staan dat de schade vanaf die datum is ontstaan.
Nu de vordering gedeeltelijk wordt toegewezen, zal de verdachte worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met de vordering heeft gemaakt. De rechtbank begroot deze kosten tot op heden op nihil. Daarnaast wordt de verdachte veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.
De verdachte zal voor het bewezen verklaarde strafbare feit worden veroordeeld en hij is daarom tegenover de benadeelde partij aansprakelijk voor schade die door dit feit aan hem is toegebracht. De rechtbank zal aan de verdachte de verplichting opleggen om aan de Staat te betalen een bedrag van € 13.210,00, vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf
29 juni 2024 tot aan de dag dat dit bedrag is betaald, ten behoeve van [slachtoffer].

8.De toepasselijke wetsartikelen

De op te leggen straf en maatregel zijn gegrond op de artikelen:
- 36f, 45 en 289 van het Wetboek van Strafrecht.
Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij ten tijde van het bewezen verklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van deze uitspraak rechtens gelden.

9.De beslissing

De rechtbank:
verklaart wettig en overtuigend bewezen, dat de verdachte het ten laste gelegde feit heeft begaan, zoals hierboven onder 3.5 bewezen is verklaard;
verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;
verklaart het bewezen verklaarde strafbaar en dat het bewezen verklaarde uitmaakt:
poging tot moord;
verklaart de verdachte daarvoor strafbaar;
veroordeelt de verdachte tot:
een gevangenisstraf voor de duur van
11 (ELF) JAREN;
bepaalt dat de tijd door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de hem opgelegde gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht;
wijst de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij deels toe tot een bedrag van € 13.210,00 en veroordeelt de verdachte om dit bedrag, vermeerderd met de gevorderde wettelijke rente daarover vanaf 29 juni 2024 tot de dag waarop deze vordering is betaald, te betalen aan [slachtoffer];
bepaalt dat de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk is in de vordering tot schadevergoeding en dat de benadeelde partij dit deel van de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen;
veroordeelt de verdachte tevens in de proceskosten van de benadeelde partij, begroot op nihil, en de kosten die ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog gemaakt moeten worden;
legt aan de verdachte de verplichting op tot betaling aan de Staat van een bedrag van
€ 13.210,00, vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf 29 juni 2024 tot de dag waarop dit bedrag is betaald, ten behoeve van [slachtoffer];
bepaalt dat, als de verdachte niet het volledige bedrag betaalt en/of niet het volledige bedrag op hem kan worden verhaald, gijzeling zal worden toegepast voor de duur van 91 dagen. Het toepassen van gijzeling ontslaat de verdachte niet van zijn betalingsverplichting aan de Staat;
bepaalt dat als de verdachte de toegewezen schadevergoeding deels of geheel aan de benadeelde partij heeft betaald, de verdachte niet verplicht is om dat deel te betalen aan de Staat en dat als de verdachte het toegewezen bedrag deels of geheel aan de Staat heeft betaald, de verdachte niet verplicht is om dat deel aan de benadeelde partij te betalen.
Dit vonnis is gewezen door
mr. P. van Essen, voorzitter,
mr. H.P.M. Meskers, rechter,
mr. J. Herfkens, rechter,
in tegenwoordigheid van mr. H.A.F. Tromp, griffier,
en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank van 6 februari 2026.