ECLI:NL:RBDHA:2026:2010

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
5 februari 2026
Publicatiedatum
6 februari 2026
Zaaknummer
NL25.19842
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:41 AwbArt. 8:54 AwbArt. 8:75 AwbArt. 8:75a Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Toewijzing proceskosten na intrekking beroep wegens niet tijdig beslissen MVV nareis

Verzoekster had beroep ingesteld tegen het niet tijdig nemen van een besluit op haar aanvraag om een machtiging tot voorlopig verblijf (MVV) in het kader van nareis. Nadat de minister van Asiel en Migratie alsnog de aanvraag op 17 december 2025 had ingewilligd, trok verzoekster haar beroep in en verzocht om vergoeding van de proceskosten.

De rechtbank oordeelde dat verweerder geheel aan het beroep tegemoet was gekomen door alsnog het besluit te nemen. Op grond van artikel 8:75a van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) kan de rechtbank in een dergelijk geval het bestuursorgaan veroordelen in de proceskosten. De rechtbank stelde de proceskosten vast op € 453,50, gebaseerd op een puntensysteem voor beroepskosten en een lichte wegingsfactor.

Daarnaast wees de rechtbank erop dat de minister verplicht is het door verzoekster betaalde griffierecht van € 194 te vergoeden, waarvoor verzoekster zich rechtstreeks tot verweerder moet wenden. De uitspraak werd gedaan door rechter M.L. Weerkamp en griffier A.S.J.I. Hendrickx op 5 februari 2026.

Uitkomst: De rechtbank veroordeelt de minister tot vergoeding van de proceskosten van verzoekster na intrekking van het beroep wegens niet tijdig beslissen op de MVV nareis aanvraag.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.19842

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[verzoekster], verzoekster,

V-nummer: [V-nummer 1]
Mede namens de minderjarige kinderen:
[kind 1],
V-nummer: [V-nummer 2]
[kind 2],
V-nummer: [V-nummer 3]
(gemachtigde: mr. A. Kortrijk),
en
de minister van Asiel en Migratie, [1] verweerder.

Procesverloop

Verzoekster heeft beroep ingesteld tegen het niet tijdig nemen van een besluit op de aanvraag om verlening van een machtiging tot voorlopig verblijf in het kader van nareis voor verblijf bij [referent] van 16 augustus 2024.
Bij besluit van 17 december 2025 heeft verweerder de aanvraag ingewilligd.
Verzoekster heeft het beroep ingetrokken en daarbij verzocht om verweerder te veroordelen tot vergoeding van de proceskosten.
De rechtbank doet op grond van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) uitspraak zonder zitting.

Overwegingen

1. De veroordeling van een partij in de proceskosten is geregeld in de artikelen 8:75 en 8:75a van de Awb en nader uitgewerkt in het Bpb. [2] Als een beroep wordt ingetrokken, omdat het bestuursorgaan geheel of gedeeltelijk aan de indiener van het beroepschrift is tegemoet gekomen, kan de rechtbank op verzoek van de indiener dat bestuursorgaan bij afzonderlijke uitspraak veroordelen in de proceskosten. Dit is geregeld in artikel 8:75a van de Awb.
2. Nu verweerder niet binnen de hiervoor geldende termijn op de aanvraag van verzoekster heeft besloten en deze aanvraag hangende een beroep tegen het niet tijdig beslissen heeft ingewilligd, is verweerder geheel aan het beroep van verzoekster tegemoetgekomen.
3. Het verzoek wordt als kennelijk gegrond toegewezen. De rechtbank veroordeelt verweerder in de door verzoekster gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Bpb voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 467 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift met een waarde per punt van
€ 934 met een wegingsfactor 0,5). De rechtbank is van oordeel dat de wegingsfactor ‘licht’ van toepassing is aangezien het beroep alleen ziet op het niet tijdig nemen van een besluit.
4. De rechtbank wijst erop dat verweerder op grond van artikel 8:41, zevende lid, van de Awb verplicht is het door verzoekster betaalde griffierecht van € 194 te vergoeden. Verzoekster zal zich hiervoor dan ook tot verweerder moeten wenden.

Beslissing

De rechtbank:
- veroordeelt verweerder in de proceskosten van verzoekster tot een bedrag van
€ 453,50 (vierhonderddrieënvijftig euro en vijftig cent).
Deze uitspraak is gedaan op 5 februari 2026 door mr. M.L. Weerkamp, rechter, in aanwezigheid van A.S.J.I. Hendrickx, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
Deze uitspraak is bekendgemaakt op:
Bent u het niet eens met deze uitspraak?
Als u het niet eens bent met deze uitspraak, kunt u een brief sturen naar de rechtbank waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een verzetschrift. U moet dit verzetschrift indienen binnen 6 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven. Als u graag een zitting wilt waarin u uw verzetschrift kunt toelichten, kunt u dit in uw verzetschrift vermelden.

Voetnoten

1.Voorheen de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid.
2.Besluit proceskosten bestuursrecht.