ECLI:NL:RBDHA:2026:20098

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
14 juli 2026
Publicatiedatum
20 juli 2026
Zaaknummer
NL26.29632
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
  • A.S. Gaastra
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 17 DublinverordeningArt. 16 DublinverordeningArt. 28 Vreemdelingenwet 2000Art. 30, eerste lid, Vreemdelingenwet 2000
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling niet in behandeling nemen asielaanvraag op grond van Dublinverordening en interstatelijk vertrouwensbeginsel

Eiser diende op 26 maart 2026 een asielaanvraag in, die de minister op 26 mei 2026 niet in behandeling nam omdat Oostenrijk verantwoordelijk is voor de behandeling volgens de Dublinverordening. Eiser stelde dat het interstatelijk vertrouwensbeginsel niet toegepast mocht worden vanwege tekortkomingen in de opvang in Oostenrijk en dat er een risico op indirect refoulement bestond. De rechtbank oordeelt dat de minister terecht mag uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel, aangezien Oostenrijk het claimakkoord heeft aanvaard en eiser onvoldoende heeft onderbouwd dat er systeemfouten zijn in de opvang of procedure.

Daarnaast heeft eiser onvoldoende aannemelijk gemaakt dat hij geen toegang had tot een klachtprocedure in Oostenrijk. Ook het risico op indirect refoulement moet in Oostenrijk worden beoordeeld, tenzij sprake is van systeemfouten, wat niet is aangetoond. De medische situatie van de vader van eiser, die in Nederland verblijft, is onvoldoende onderbouwd met objectieve medische stukken om af te zien van overdracht. De minister hoefde daarom niet af te zien van overdracht op grond van artikel 16 van Pro de Dublinverordening.

Ten slotte is het beroep op artikel 17 van Pro de Dublinverordening, dat een discretionaire bevoegdheid aan lidstaten geeft, niet geslaagd. De minister heeft voldoende gemotiveerd waarom geen sprake is van onevenredige hardheid. De rechtbank verklaart het beroep ongegrond en bevestigt het besluit van de minister. Eiser krijgt geen proceskostenvergoeding.

Uitkomst: Het beroep tegen het niet in behandeling nemen van de asielaanvraag wordt ongegrond verklaard en het besluit van de minister blijft in stand.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.29632

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 14 juli 2026 in de zaak tussen

[eiser], v-nummer: [nummer], eiser

(gemachtigde: mr. F.W. Verweij),
en

de minister van Asiel en Migratie,

(gemachtigde: mr. D. Lut).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over het niet in behandeling nemen van de asielaanvraag van eiser. [1] Eiser is het daar niet mee eens. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank het niet in behandeling nemen van de asielaanvraag.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het niet in behandeling nemen van de asielaanvraag in stand kan blijven. De minister mag voor Oostenrijk uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel en hoeft de minister het door eiser gestelde risico op indirect refoulement niet te beoordelen. Ook heeft de minister op grond van de medische situatie van de vader van eiser niet hoeven afzien van een overdracht aan Oostenrijk en heeft de minister geen toepassing moeten geven aan artikel 17 van Pro de Dublinverordening. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
1.2.
Onder 2 staat het procesverloop van deze zaak. Onder 3 staat hoe het niet in behandeling nemen van de asielaanvraag tot stand is gekomen. De beoordeling van de beroepsgronden volgt vanaf overweging 4. Aan het einde van de uitspraak staat de beslissing van de rechtbank en de gevolgen daarvan.

Procesverloop

2. Eiser heeft op 26 maart 2026 een asielaanvraag ingediend. De minister heeft de aanvraag met het bestreden besluit van 26 mei 2026 niet in behandeling genomen, omdat Oostenrijk verantwoordelijk is voor de behandeling van de asielaanvraag.
2.1.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
2.2.
De rechtbank heeft het beroep, samen met de zaak NL26.29633, op 9 juli 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van de minister.

Beoordeling door de rechtbank

Totstandkoming van het besluit
3. De Europese Unie heeft gezamenlijke regelgeving over het in behandeling nemen van asielaanvragen. Die stond in de Dublinverordening. [2] Op grond van de Dublinverordening nam de minister een asielaanvraag niet in behandeling als werd vastgesteld dat een andere lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan. [3] In dit geval heeft Nederland bij Oostenrijk een verzoek om terugname gedaan. Oostenrijk heeft dit verzoek aanvaard.
Mag de minister voor Oostenrijk uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel?
4. Eiser betoogt dat de minister voor Oostenrijk niet mag uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel, omdat sprake is van aan het systeem gerelateerde tekortkomingen in de opvangvoorzieningen. Eiser stelt dat hij in Oostenrijk verstoken is geweest van opvang en inkomen en dakloos was. Volgens eiser kon daarom in redelijkheid niet van hem worden verwacht dat hij vanuit die situatie een klachtprocedure zou starten bij de Oostenrijkse autoriteiten. De minister heeft dit volgens eiser ten onrechte niet onderkend.
4.1.
De minister stelt zich terecht op het standpunt dat hij voor Oostenrijk mag uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) heeft in verschillende uitspraken geoordeeld dat ten aanzien van Oostenrijk van het interstatelijk vertrouwensbeginsel kan worden uitgegaan. [4] Oostenrijk heeft met het claimakkoord gegarandeerd dat eisers asielaanvraag in behandeling wordt genomen met inachtneming van de Unierechtelijke verplichtingen. Dat eiser stelt dat hij verstoken is geweest van opvang en inkomen, is onvoldoende om aan te nemen dat sprake is van systeemfouten in de asielprocedure of de opvangvoorzieningen in Oostenrijk. Als eiser meent dat de Oostenrijkse autoriteiten hun Unierechtelijke verplichtingen niet nakomen, ligt het op zijn weg zich daarover te beklagen bij de (hogere) Oostenrijkse autoriteiten. Niet is gebleken dat die mogelijkheid voor eiser niet bestaat of bij voorbaat zinloos is. Dat hij geen opvang of inkomen had, maakt dit niet anders. Eiser heeft niet met objectieve stukken onderbouwd dat hij daarom feitelijk geen toegang had tot een klachtprocedure of dat de Oostenrijkse autoriteiten een klacht niet in behandeling zouden nemen. De beroepsgrond slaagt niet.
Moet de minister het risico op indirect refoulement beoordelen?
5. Eiser betoogt dat zijn overdracht aan Oostenrijk een (indirect) risico op refoulement met zich brengt, omdat hij vreest dat de Oostenrijkse autoriteiten hem zullen terugsturen naar Somalië. Volgens eiser kan van hem niet worden verwacht dat hij zich hierover beklaagt bij de Oostenrijkse autoriteiten, omdat juist die autoriteiten verantwoordelijk zijn voor een eventuele gedwongen terugkeer.
5.1.
Uit de uitspraken van het Hof van Justitie van 30 november 2023 [5] en de Afdeling van 12 juni 2024 [6] volgt dat de rechtbank niet mag onderzoeken of in de verantwoordelijke lidstaat een risico op schending van het beginsel van non-refoulement bestaat, indien geen sprake is van systeemfouten in de asielprocedure en de opvangvoorzieningen in die lidstaat. Eiser heeft niet onderbouwd gesteld dat dergelijke systeemfouten zich voordoen. Ook ter zitting heeft eiser bevestigd dergelijke systeemfouten niet te hebben aangevoerd. Voor zover eiser vreest dat de Oostenrijkse autoriteiten hem zullen terugsturen naar Somalië, dient die vrees in Oostenrijk te worden beoordeeld. Dat eiser zich niet tot de Oostenrijkse autoriteiten zou kunnen wenden, heeft hij niet aannemelijk gemaakt. De beroepsgrond slaagt daarom niet.
Had de minister op grond van de medische situatie van de vader van eiser moeten afzien van een overdracht aan Oostenrijk?
6. Eiser betoogt dat de minister onvoldoende rekening heeft gehouden met de medische situatie van zijn vader (die in Nederland verblijft). Eiser heeft verklaard dat zijn vader van hem afhankelijk is, omdat hij suikerpatiënt is, een hoge bloeddruk heeft en een hartoperatie heeft ondergaan. Volgens eiser is hij onder andere daarom naar Nederland gekomen om voor zijn vader te zorgen. Ter zitting heeft eiser toegelicht dat zijn vader alleenstaand is, geen thuiszorg ontvangt en dat hij bij zijn vader woont en hem dagelijks verzorgt. Volgens eiser bestaat die zorg onder meer uit het bereiden van eten, het helpen met aankleden en zijn vader begeleiden naar afspraken in het ziekenhuis. Ter onderbouwing heeft eiser een foto van zijn vader overgelegd waarop hij kort na zijn hartoperatie is te zien.
6.1.
De minister heeft zich terecht op het standpunt gesteld dat eiser zijn gestelde afhankelijkheidsrelatie onvoldoende heeft onderbouwd, zodat hij niet op grond van artikel 16 van Pro de Dublinverordening heeft hoeven afzien van overdracht. Hoewel eiser tijdens het aanmeldgehoor heeft verklaard dat zijn vader medische klachten heeft en van hem afhankelijk is, heeft eiser geen medische stukken overgelegd die dit onderbouwen. Een foto is daarvoor onvoldoende. Deze foto betreft de vader van eiser direct na een hartoperatie. Ter zitting heeft eiser toegelicht dat deze operatie ongeveer een jaar geleden heeft plaatsgevonden en dat het nu een stuk beter met hem gaat. Uit deze foto kan niet worden afgeleid wat de huidige medische situatie van zijn vader is. Ook heeft eiser niet met objectieve gegevens onderbouwd dat zijn vader daadwerkelijk op zijn persoonlijke zorg is aangewezen en dat deze zorg niet door anderen kan worden verleend. Dat eiser ter zitting heeft verklaard dat hij bij zijn vader woont, voor hem kookt, hem helpt met aankleden, hem begeleidt naar afspraken in het ziekenhuis en dat zijn vader geen thuiszorg ontvangt, maakt dit niet anders. Deze verklaringen zijn niet met objectieve stukken onderbouwd. De minister heeft zich in dit verband terecht op het standpunt gesteld dat weliswaar is gebleken dat de vader van eiser in Nederland verblijft, maar niet dat hij ernstig ziek is, omdat daarvan geen medische stukken zijn overgelegd. De enkele verklaringen van eiser zijn daarvoor onvoldoende. De minister heeft hierin dan ook geen aanleiding hoeven zien om af te zien van overdracht aan Oostenrijk. De beroepsgrond slaagt niet.
Had de minister toepassing moeten geven aan artikel 17 van Pro de Dublinverordening?
7. Eiser betoogt dat de minister onvoldoende gemotiveerd is ingegaan op zijn beroep op artikel 17 van Pro de Dublinverordening, zoals dat luidde tot 12 juni 2026. Volgens eiser is het begrip 'onevenredige hardheid' niet gedefinieerd in het beleid van de minister, terwijl de toepassing van artikel 17 van Pro de Dublinverordening een kwestie van Unierecht is. De minister had daarom moeten motiveren hoe dit nationale criterium zich verhoudt tot het Unierecht en de bedoeling van de Uniewetgever. Zolang die motivering ontbreekt, is volgens eiser sprake van een motiverings- en zorgvuldigheidsgebrek. Ter zitting heeft eiser dit betoog nog aangevuld door te stellen dat de minister gelet op alle individuele omstandigheden van het geval, waaronder de aanwezigheid van de vader van eiser in Nederland en zijn gestelde medische situatie, aanleiding moeten zien gebruik te maken van de in artikel 17 van Pro de Dublinverordening neergelegde discretionaire bevoegdheid.
7.1.
De minister stelt zich niet ten onrechte op het standpunt dat hij geen toepassing had moeten geven aan artikel 17 van Pro de Dublinverordening. Voor zover eiser betoogt dat de minister nader had moeten motiveren hoe het begrip 'onevenredige hardheid' zich verhoudt tot het Unierecht, volgt de rechtbank hem daarin niet. Uit de rechtspraak van het Hof van Justitie [7] volgt dat artikel 17 van Pro de Dublinverordening de lidstaten een discretionaire bevoegdheid toekent om een verzoek om internationale bescherming onverplicht aan zich te trekken. Het is aan de lidstaten om te bepalen in welke gevallen en onder welke omstandigheden zij van die bevoegdheid gebruik maken. Het is geen verplichting. De minister heeft deze bevoegdheid uitgewerkt in paragraaf C2/5 van de Vreemdelingencirculaire 2000 (Vc 2000), zoals dat luidde tot 12 juni 2026. Volgens paragraaf C2/5 van de Vc 2000 maakt de minister enkel gebruik van deze bevoegdheid als sprake is van bijzondere, individuele omstandigheden waardoor overdracht van een onevenredige hardheid getuigt. Niet is gebleken dat deze invulling zich niet verdraagt met artikel 17 van Pro de Dublinverordening of indruist tegen de bedoeling van de Uniewetgever. Eiser heeft deze stelling ook niet nader onderbouwd. De enkele verwijzing naar niet nader gespecificeerde passages uit de preambule of de wetsgeschiedenis van de Dublinverordening is daarvoor onvoldoende.
Over de vader van eiser heeft de minister zich terecht op het standpunt gesteld dat weliswaar is gebleken dat de vader van eiser in Nederland verblijft, maar niet dat uit objectieve stukken blijkt dat hij ernstig ziek is of voor zijn dagelijkse verzorging afhankelijk is van eiser. Dat eiser zijn vader graag wil ondersteunen en verzorgen, is daarvoor onvoldoende. De minister heeft hiermee voldoende gemotiveerd waarom hij in de door eiser aangevoerde bijzondere, individuele omstandigheden geen aanleiding ziet gebruik te maken van de in artikel 17 van Pro de Dublinverordening neergelegde discretionaire bevoegdheid. De beroepsgrond slaagt niet.

Conclusie en gevolgen

8. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiser geen gelijk krijgt een het niet in behandeling nemen van zijn asielaanvraag in stand blijft. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.S. Gaastra, rechter, in aanwezigheid van mr. N. Habibi, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Zoals bedoeld in artikel 28 van Pro de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000).
2.Sinds 12 juni 2026 staat deze regelgeving in de Asiel- en Migratiebeheerverordening.
3.Dit staat ook in artikel 30, eerste lid, van de Vw 2000 (zoals dat luidde tot 12 juni 2026).
4.Zie de uitspraken van 13 mei 2024 (ECLI:NL:RVS:2024:2017), 24 oktober 2024 (ECLI:NL:RVS:2024:4303), 8 januari 2025 (ECLI:NL:RVS:2025:31) en 9 december 2025 (ECLI:NL:RBDHA:2025:23339).
5.Hof van Justitie, 30 november 2023, ECLI:EU:C:2023:934.
6.ABRvS 12 juni 2024, ECLI:NL:RVS:2024:2359.
7.Hof van Justitie, 23 januari 2019, ECLI:EU:C:2019:53, C-661/17 M.A. e.a.