ECLI:NL:RBDHA:2026:20091

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
2 juli 2026
Publicatiedatum
20 juli 2026
Zaaknummer
NL24.10708
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3:46 AwbArt. 8:72 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging inreisverbod wegens motiveringsgebrek, rechtsgevolgen blijven in stand

Eiser, met de Albanese nationaliteit, werd op 1 maart 2024 gedwongen uitgezet naar Albanië en kreeg een terugkeerbesluit met een inreisverbod van twee jaar opgelegd. Eiser stelde dat bijzondere individuele omstandigheden, waaronder zijn werkrelatie met een Grieks bedrijf, niet zijn meegewogen bij het opleggen van het inreisverbod. De rechtbank oordeelde dat het bestreden besluit niet deugdelijk was gemotiveerd omdat verweerder niet heeft toegelicht waarom het belang van eiser geen aanleiding gaf om af te zien van het inreisverbod of de duur ervan te verkorten.

Hoewel het beroep gegrond werd verklaard en het inreisverbod werd vernietigd wegens strijd met artikel 3:46 Awb Pro, bepaalde de rechtbank dat de rechtsgevolgen van het besluit in stand blijven. Verweerder had in het verweerschrift en tijdens de zitting alsnog gemotiveerd waarom het werkbelang van eiser niet tot een andere beslissing leidde. Daarnaast werd verweerder veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten van eiser, vastgesteld op €1.868,-.

De uitspraak werd gedaan door rechter C.E. Bos en griffier C.L. Rademakers-Heins op 2 juli 2026. Partijen werd gewezen op de mogelijkheid tot hoger beroep bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen vier weken na verzending van de uitspraak.

Uitkomst: Het inreisverbod wordt vernietigd wegens motiveringsgebrek, maar de rechtsgevolgen blijven in stand; verweerder wordt veroordeeld in de proceskosten.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Rotterdam
Bestuursrecht
zaaknummer: NL24.10708

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser], V-nummer: [nummer], eiser

(gemachtigde: mr. S.C. van Paridon),
en
de minister van Asiel en Migratie,voorheen de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder
(gemachtigde: mr. E. Spijkerman).

Procesverloop

Bij besluit van 24 februari 2024 (het bestreden besluit) heeft verweerder aan eiser een terugkeerbesluit en een inreisverbod voor de duur van twee jaar opgelegd.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
Op 19 juni 2026 heeft verweerder een verweerschrift ingediend.
De rechtbank heeft het beroep op 25 juni 2026 op zitting behandeld. Partijen hebben zich laten vertegenwoordigen door hun gemachtigden.

Overwegingen

1. Eiser heeft de Albanese nationaliteit en is geboren op [geboortedatum] 1986. Eiser is op 1 maart 2024 (gedwongen) uitgezet naar Albanië. Bij bericht van 11 juni 2026 heeft verweerder het standpunt ingenomen dat het inreisverbod van rechtswege is komen te vervallen op 2 maart 2026.
2. Tussen partijen is niet in geschil en ook voor de rechtbank staat vast dat eiser procesbelang heeft bij de beoordeling van zijn beroep tegen het bestreden besluit.
3. Eiser voert aan dat er bijzondere individuele omstandigheden zijn op grond waarvan verweerder had moeten afzien van het opleggen van een inreisverbod. In dit kader stelt hij dat hij tijdens het gehoor voorafgaand aan het opleggen van het inreisverbod op 24 februari 2024 heeft verklaard dat de gevolgen van het opleggen van een inreisverbod voor hem vreselijk zullen zijn omdat hij dan niet meer voor het bedrijf kan werken waar hij op dat moment in Albanië voor werkte. Dit bedrijf, zo verklaarde eiser, werkt immers samen met een Grieks bedrijf. Verweerder heeft deze verklaring van eiser niet kenbaar betrokken bij de belangenafweging om al dan niet een inreisverbod op te leggen. Dit maakt dat volgens eiser sprake is van een motiveringsgebrek in de zin van artikel 3:46 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
3.1.
Verweerder heeft in het bestreden besluit onder het kopje ‘Zienswijze’ vermeld dat niet is gebleken dat afgezien zou moeten worden van het opleggen van dit besluit. Hierbij is verwezen naar het verslag van het gehoor dat voorafgaand aan het opleggen van het inreisverbod heeft plaatsgevonden. Het bestreden besluit is naar het oordeel van de rechtbank niet deugdelijk gemotiveerd. Eiser heeft in het gehoor een concreet belang naar voren gebracht om geen inreisverbod aan hem op te leggen. In het bestreden besluit is niet gemotiveerd waarom dat gestelde belang verweerder geen aanleiding geeft om af te zien van oplegging van het inreisverbod dan wel de duur ervan te verkorten. Het standpunt van verweerder op de zitting dat verweerder in het besluit niet inhoudelijk hoefde te reageren op eisers verklaring, volgt de rechtbank niet. Het inreisverbod kent dus een motiveringsgebrek. De beroepsgrond slaagt.
4. Het beroep is gegrond. De rechtbank vernietigt het bestreden besluit voor zover dit ziet op het inreisverbod, wegens strijd met artikel 3:46 van Pro de Awb. De rechtbank ziet evenwel aanleiding om, met toepassing van artikel 8:72, derde lid, aanhef en onder a, van de Awb, te bepalen dat de rechtsgevolgen van het vernietigde inreisverbod in stand blijven. In het verweerschrift en op de zitting is verweerder alsnog op het punt over de werkzaamheden van eiser ingegaan. Verweerder heeft het standpunt ingenomen dat de enkele omstandigheid dat eiser wil werken in de Europese Unie niet betekent dat van een inreisverbod had moeten worden afgezien. Verder heeft verweerder erop gewezen dat eiser niet met stukken heeft onderbouwd dat hij door de oplegging van het inreisverbod niet meer bij zijn werkgever in Albanië kan werken. De rechtbank is van oordeel dat verweerder hiermee alsnog deugdelijk heeft gemotiveerd waarom eisers verklaring geen aanleiding geeft om af te zien van het inreisverbod of de duur ervan te verkorten.
5. Vanwege het hiervoor geconstateerde gebrek zal de rechtbank verweerder veroordelen in de door eiser gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.868,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 934,- en een wegingsfactor 1).

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het bestreden besluit voor zover dit betrekking heeft op het inreisverbod;
- bepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde deel van het bestreden besluit in stand blijven;
- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 1.868,-.
Deze uitspraak is gedaan door mr. C.E. Bos, rechter, in aanwezigheid van mr. C.L. Rademakers - Heins, griffier.
Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen vier weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.