ECLI:NL:RBDHA:2026:20091
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Vernietiging inreisverbod wegens motiveringsgebrek, rechtsgevolgen blijven in stand
Eiser, met de Albanese nationaliteit, werd op 1 maart 2024 gedwongen uitgezet naar Albanië en kreeg een terugkeerbesluit met een inreisverbod van twee jaar opgelegd. Eiser stelde dat bijzondere individuele omstandigheden, waaronder zijn werkrelatie met een Grieks bedrijf, niet zijn meegewogen bij het opleggen van het inreisverbod. De rechtbank oordeelde dat het bestreden besluit niet deugdelijk was gemotiveerd omdat verweerder niet heeft toegelicht waarom het belang van eiser geen aanleiding gaf om af te zien van het inreisverbod of de duur ervan te verkorten.
Hoewel het beroep gegrond werd verklaard en het inreisverbod werd vernietigd wegens strijd met artikel 3:46 Awb Pro, bepaalde de rechtbank dat de rechtsgevolgen van het besluit in stand blijven. Verweerder had in het verweerschrift en tijdens de zitting alsnog gemotiveerd waarom het werkbelang van eiser niet tot een andere beslissing leidde. Daarnaast werd verweerder veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten van eiser, vastgesteld op €1.868,-.
De uitspraak werd gedaan door rechter C.E. Bos en griffier C.L. Rademakers-Heins op 2 juli 2026. Partijen werd gewezen op de mogelijkheid tot hoger beroep bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen vier weken na verzending van de uitspraak.
Uitkomst: Het inreisverbod wordt vernietigd wegens motiveringsgebrek, maar de rechtsgevolgen blijven in stand; verweerder wordt veroordeeld in de proceskosten.