ECLI:NL:RBDHA:2026:20085
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Vernietiging inreisverbod wegens motiveringsgebrek, rechtsgevolgen blijven in stand
Eiser, met de Albanese nationaliteit, werd op 5 maart 2024 gedwongen uitgezet naar Albanië en kreeg een terugkeerbesluit met een inreisverbod van twee jaar opgelegd door verweerder. Eiser stelde dat bijzondere omstandigheden, waaronder een arbeidsmogelijkheid in Italië, niet zijn meegewogen bij het opleggen van het inreisverbod, wat een motiveringsgebrek oplevert.
De rechtbank oordeelt dat het bestreden besluit niet deugdelijk is gemotiveerd omdat verweerder niet heeft toegelicht waarom het belang van eiser om in Italië te werken niet tot afzien van het inreisverbod leidde. Dit leidt tot vernietiging van het besluit voor zover het het inreisverbod betreft.
Desondanks blijft de rechtbank de rechtsgevolgen van het inreisverbod in stand houden, omdat verweerder in het verweerschrift en tijdens de zitting alsnog een deugdelijke motivering heeft gegeven. Verweerder wijst erop dat het enkele feit dat eiser wil werken in de EU niet voldoende is om af te zien van het inreisverbod en dat eiser geen bewijs heeft geleverd van zakelijke belangen.
De rechtbank veroordeelt verweerder tot betaling van de proceskosten van eiser, vastgesteld op €1.868,-. De uitspraak is gedaan door rechter C.E. Bos en griffier C.L. Rademakers - Heins op 2 juli 2026.
Uitkomst: Het inreisverbod wordt vernietigd wegens motiveringsgebrek, maar de rechtsgevolgen blijven in stand en verweerder wordt veroordeeld in de proceskosten.