ECLI:NL:RBDHA:2026:20030

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
8 juni 2026
Publicatiedatum
20 juli 2026
Zaaknummer
NL26.4105
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek voorlopige voorziening in vreemdelingenzaak ongewenstverklaring

De minister van Asiel en Migratie heeft op 3 juli 2024 vastgesteld dat verzoeker geen rechtmatig verblijf heeft op grond van het Unierecht en hem ongewenst verklaard met de verplichting Nederland te verlaten. Op 29 december 2025 verklaarde de minister het bezwaar van verzoeker tegen dit besluit ongegrond. Verzoeker stelde beroep in en vroeg de voorzieningenrechter om een voorlopige voorziening.

Op 7 mei 2026 behandelde de voorzieningenrechter het verzoek samen met het hoofdberoep. Tijdens de zitting waren verzoeker, zijn gemachtigde, de gemachtigde van de minister en een tolk aanwezig. De voorzieningenrechter oordeelde dat nu de hoofdzaak is behandeld en uitspraak is gedaan, een voorlopige voorziening niet meer nodig is.

Daarom wees de voorzieningenrechter het verzoek om voorlopige voorziening af en zag geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling. De uitspraak werd op 8 juni 2026 in het openbaar bekendgemaakt en is niet vatbaar voor hoger beroep of verzet.

Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening wordt afgewezen omdat de hoofdzaak reeds is behandeld.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.4105

uitspraak van de voorzieningenrechter in de zaak tussen

[verzoeker] , V-nummer: [V-nummer] , verzoeker

(gemachtigde: mr. D. van Elp),
en

de minister van Asiel en Migratie, verweerder

(gemachtigde: mr. E. Sweerts).

Procesverloop

De minister heeft op 3 juli 2024 vastgesteld dat verzoeker geen rechtmatig verblijf heeft op grond van het Unierecht, hem ongewenst verklaard en bepaald dat hij Nederland moet verlaten. Met het besluit van 29 december 2025 heeft de minister het bezwaar van verzoeker tegen het primaire besluit ongegrond verklaard. Verzoeker heeft hiertegen beroep ingesteld en de voorzieningenrechter gevraagd om een voorlopige voorziening te treffen.
De voorzieningenrechter heeft het verzoek, samen met het beroep NL26.4102, op 7 mei 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: verzoeker, de gemachtigde van verzoeker, en de gemachtigde van de minister. Als tolk is verschenen: M. Wasewicz.

Beoordeling door de voorzieningenrechter

1. Bij uitspraak van vandaag, zaaknummer NL26.4102, heeft de rechtbank uitspraak gedaan op het beroep. Een voorlopige voorziening is daarom niet meer nodig. De voorzieningenrechter wijst het verzoek om die reden af.
2. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. C.M. Dijksterhuis, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. F.J. Attema, griffier. Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op 8 juni 2026.

Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.