ECLI:NL:RBDHA:2026:20023

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
9 juli 2026
Publicatiedatum
20 juli 2026
Zaaknummer
AWB 25/14027v
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:41 AwbArt. 8:54 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verzet tegen niet-ontvankelijkverklaring beroep wegens niet betalen griffierecht afgewezen

Opposante heeft beroep ingesteld tegen een besluit van de minister van Asiel en Migratie, maar de rechtbank verklaarde dit beroep niet-ontvankelijk omdat het griffierecht niet was betaald. Opposante stelde verzet in tegen deze niet-ontvankelijkverklaring.

De rechtbank beoordeelde of het beroep kennelijk niet-ontvankelijk was vanwege het niet betalen van het griffierecht en of dit verzuim verschoonbaar was. Hoewel opposante aanvankelijk verwarring had over de hoogte en het betalingskenmerk van het griffierecht door meerdere nota's en terugstortingen, werd zij na een aangetekende herinneringsnota en nadere correspondentie voldoende geïnformeerd om alsnog te betalen.

Opposante heeft het griffierecht voor het verzoek om voorlopige voorziening wel betaald, maar niet voor het beroep zelf. De rechtbank oordeelde dat het verzuim niet verschoonbaar was omdat opposante na de herinnering en correspondentie had moeten begrijpen dat betaling nog uitstond en zij geen navraag heeft gedaan. Het verzet is daarom ongegrond verklaard en de eerdere uitspraak blijft in stand.

Uitkomst: Het verzet tegen de niet-ontvankelijkverklaring van het beroep wegens niet betaling van griffierecht is ongegrond verklaard.

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG

Zittingsplaats Rotterdam
Bestuursrecht
zaaknummer: AWB 25/14027v

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 9 juli 2026 op het verzet van

[Opposante] ., opposante,

gemachtigde: [naam] ,
tegen de uitspraak van de rechtbank van 13 februari 2026 in het geding tussen
opposante
en
de minister van Asiel en Migratie,voorheen de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder.

Procesverloop

Opposante heeft tegen de beslissing op bezwaar van verweerder van 24 juni 2025 beroep ingesteld.
Bij uitspraak van 13 februari 2026 heeft de rechtbank dat beroep niet-ontvankelijk verklaard.
Opposante heeft tegen deze uitspraak verzet ingesteld.
De rechtbank heeft het verzet op 2 juni 2026 op zitting behandeld. Partijen hebben vooraf (desgevraagd) laten weten bij deze zitting niet aanwezig te zullen zijn.

Beoordeling van de rechtbank

1. De rechtbank heeft in de beroepszaak op 13 februari 2026 uitspraak gedaan zonder zitting. Artikel 8:54 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) biedt die mogelijkheid als het eindoordeel buiten redelijke twijfel staat. De rechtbank heeft het beroep kennelijk niet-ontvankelijk verklaard. De reden hiervoor is dat opposante het griffierecht niet heeft betaald en dat niet is gebleken dat dit verzuim verschoonbaar is.
2. De beoordeling in deze verzetprocedure is beperkt tot de vraag of de rechtbank terecht uitspraak op het beroep heeft gedaan zonder opposante op zitting te horen. Daarvoor moet de rechtbank beoordelen of het beroep van opposante inderdaad kennelijk niet-ontvankelijk was. Dit doet de rechtbank aan de hand van de in verzet door opposante naar voren gebrachte argumenten. Aan een inhoudelijke beoordeling van de beroepsgronden komt de rechtbank in deze procedure niet toe.
3. Op grond van artikel 8:41, zesde lid, van de Awb leidt het niet tijdig betalen van het griffierecht tot niet-ontvankelijkverklaring van het beroep, tenzij redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat de indiener van het beroep in verzuim is geweest.
4. De rechtbank stelt vast dat opposante het griffierecht voor haar beroepszaak niet heeft betaald. De vraag die door de rechtbank moet worden beantwoord is of het verzuim van het niet betalen van griffierecht door opposante verschoonbaar is.
5. Opposante heeft bij de rechtbank zowel beroep als een verzoek om voorlopige voorziening (procedurenummer AWB 25/14028) ingediend. De rechtbank had opposante in eerste instantie medegedeeld dat € 194,- griffierecht verschuldigd is voor de behandeling van de beroepszaak. Dit bedrag heeft opposante ook betaald op 8 augustus 2025. De rechtbank heeft daarna echter geconstateerd dat niet een bedrag van € 194,- griffierecht geheven had moeten worden, maar een bedrag van € 385,-, omdat het beroep anders dan door een natuurlijk persoon is ingesteld. Op 20 augustus 2025 is daarom het ontvangen bedrag van € 194,- teruggestort op de rekening van opposante. Op 19 augustus 2025 had opposante een nieuwe griffierechtnota ontvangen met het juiste bedrag van € 385,-. Deze nota heeft een betalingskenmerk dat eindigt op 1787.
Voor het verzoek om een voorlopige voorziening had opposante op 16 augustus 2025 een aparte griffierechtnota van € 385,- ontvangen. Deze nota heeft een betalingskenmerk eindigend op 0902. Opposante heeft op 26 augustus 2025 de griffierechtnota met het betalingskenmerk eindigende op 0902 betaald. Daarmee heeft opposante het griffierecht voor het verzoek om voorlopige voorziening betaald. De griffierechtnota voor het beroep (waarvan het betalingskenmerk dus eindigt op 1787) heeft opposante echter niet betaald.
6. Opposante heeft aangevoerd dat door de opeenvolgende betaalverzoeken en de terugstorting verwarring was ontstaan over welk griffierecht op welk moment moest worden betaald en dat zij daardoor de betalingskenmerken van de griffierechtnota’s van het beroep en het verzoek om een voorlopige voorziening door elkaar heeft gehaald.
7. De rechtbank neemt aan dat de opeenvolgende betaalverzoeken en de terugstorting in eerste instantie verwarring bij opposante hebben veroorzaakt over het te betalen griffierecht. Op 17 september 2025 heeft de rechtbank echter een aangetekende herinneringsnota aan (de gemachtigde van) opposante verzonden waarin is vermeld dat het griffierecht met het betalingskenmerk eindigend op 1787 – dit betreft dus het griffierecht voor het beroep – nog niet was voldaan en dat dit alsnog binnen vier weken diende te gebeuren. Vanaf dat moment had opposante moeten begrijpen dat met haar betaling op 26 augustus 2025 niet het griffierecht in haar beroepszaak was voldaan en dat zij nog griffierecht aan de rechtbank moest betalen. Daar komt bij dat de rechtbank opposante op 27 oktober 2025 nog een brief heeft gestuurd om uit leggen waarom aanvankelijk een onjuist griffierecht bedrag was geheven, dat dat bedrag was teruggestort op de rekening van opposante en dat het nieuw geheven bedrag aan verschuldigd griffierecht voor behandeling van het beroepschrift nog altijd niet was ontvangen. Ook blijkt uit de door opposante aangeleverde stukken dat de gemachtigde van opposante naar aanleiding van die brief van 27 oktober 2025 van de rechtbank op 31 oktober 2025 contact heeft gehad met opposante met het verzoek om te controleren of het griffierecht in de beroepszaak was betaald en eveneens te controleren of daarbij het juiste betalingskenmerk vermeld was. Als er na die brief van 27 oktober 205 toch nog onduidelijkheid bij opposante bestond over het te betalen griffierecht had het op haar weg gelegen om daarover navraag te doen bij haar gemachtigde dan wel contact op te nemen met de rechtbank. Dat dit niet is gebeurd komt voor rekening en risico van opposante. Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat opposantes verzuim van het niet betalen van griffierecht voor haar beroepszaak niet verschoonbaar is.

Conclusie en gevolgen

8. De gronden van het verzet slagen niet. De rechtbank ziet daarom geen aanleiding anders te oordelen dan in de uitspraak van 13 februari 2026. Het verzet is ongegrond. Dat betekent dat die uitspraak in stand blijft.
9. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het verzet ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. T. Boesman, rechter, in aanwezigheid van mr. C.L. Rademakers-Heins, griffier. De uitspraak is in het openbaar gedaan op 9 juli 2026.
griffier rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.