ECLI:NL:RBDHA:2026:20014

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
19 juni 2026
Publicatiedatum
20 juli 2026
Zaaknummer
NL25.48434
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 2.34 Wet basisregistratie personenArt. 1.7 Wet basisregistratie personenArt. 8:72 Algemene wet bestuursrecht
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing EU-verblijfsdocument wegens vermeende schijnerkenning niet gerechtvaardigd

Eiseres diende een aanvraag in voor een EU-verblijfsdocument op grond van het arrest Chavez-Vilchez. De minister wees deze aanvraag af omdat eiseres niet zou voldoen aan de voorwaarde dat zij een minderjarig kind met de Nederlandse nationaliteit heeft. De minister baseerde dit op een melding bij het college van burgemeester en wethouders Almere dat de Nederlandse nationaliteit van het kind zou moeten worden gewijzigd vanwege een vermeende schijnerkenning.

De rechtbank oordeelt dat de minister niet zonder meer kan afgaan op deze melding en dat eiseres voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat haar zoon de Nederlandse nationaliteit bezit. Het kind is erkend door een Nederlandse man en beschikt over een geldig Nederlands paspoort. De melding van de minister leidt niet automatisch tot het verlies van de Nederlandse nationaliteit.

De rechtbank vernietigt het bestreden besluit wegens strijd met het motiveringsbeginsel en draagt de minister op binnen zes weken een nieuw besluit te nemen. Tevens wordt de minister veroordeeld tot vergoeding van griffierecht en proceskosten aan eiseres.

Uitkomst: De rechtbank vernietigt het besluit van de minister en beveelt een nieuw besluit te nemen waarbij wordt uitgegaan van de Nederlandse nationaliteit van het minderjarige kind.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.48434

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiseres] , V-nummer: [V-nummer] , eiseres

(gemachtigde: mr. W. Hoebba),
en

de minister van Asiel en Migratie,

(gemachtigde: mr. R.A. Mandersloot).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over de vraag of de minister eiseres haar aanvraag voor een EU-verblijfsdocument mocht afwijzen, omdat niet is voldaan aan de voorwaarde dat zij een minderjarig kind met de Nederlandse nationaliteit heeft. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de minister de aanvraag ten onrechte heeft afgewezen om deze reden. Het beroep is gegrond. Dat betekent dat eiseres gelijk krijgt. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel is gekomen en welk gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

2. Eiseres heeft een aanvraag ingediend voor een EU-verblijfsdocument op grond van het arrest Chavez-Vilchez. De minister heeft deze aanvraag met het besluit van
11 december 2023 afgewezen. Met het bestreden besluit van 10 september 2025 op het bezwaar van eiseres is de minister bij de afwijzing van de aanvraag gebleven.
3. Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
4. De minister heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
5. De rechtbank heeft het beroep op 11 juni 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiseres, de gemachtigde van eiseres en de gemachtigde van de minister.

Beoordeling door de rechtbank

Het bestreden besluit
6. De minister heeft in het bestreden besluit, kort samengevat, geoordeeld dat eiseres niet in aanmerking komt voor een EU-verblijfsdocument, omdat zij niet voldoet aan de voorwaarde dat haar minderjarige kind de Nederlandse nationaliteit heeft. De minister wijst er in dit verband op dat hij op grond van artikel 2.34 Wet basisregistratie personen (Wet BRP) melding heeft gedaan bij het college van burgemeester en wethouders Almere (het college) met het verzoek om de geregistreerde Nederlandse nationaliteit van de zoon van eiseres te wijzigen in de Surinaamse. Omdat die melding is gedaan, stelt dat de minister dat hij op grond van artikel 1.7, tweede lid, van de Wet BRP niet langer hoeft uit te gaan van de nationaliteit die nu in de BRP is opgenomen. De achtergrond van deze melding is dat de minister denkt dat er sprake is van een zogenaamde ‘schijnerkenning’. Dat wil zeggen dat de erkenning alleen heeft plaatsgevonden met als doel verblijfsrecht in Nederland te creëren.
Het standpunt van eiseres
7. Eiseres heeft aangevoerd dat uit gegaan moet worden van de Nederlandse nationaliteit van haar zoon en dat de melding op grond van de Wet BRP onvoldoende is om niet langer uit te gaan van die Nederlandse nationaliteit.
Het oordeel van de rechtbank
8. De rechtbank overweegt als volgt. In geschil is of eiseres voldoet aan de voorwaarden van het EU-verblijfsdocument die zijn neergelegd in het beleid van de minister [1] . In het bijzonder is in geschil of wordt voldaan aan de voorwaarde dat eiseres een minderjarig Nederlands kind heeft. Uit het beleid van de minister volgt dat het Nederlanderschap van het minderjarige kind kan worden aangetoond met een geldig Nederlands paspoort.
9. Tussen partijen is niet in geschil dat de zoon van eiseres is erkend door een Nederlandse man. Omdat de zoon van eiseres toen nog geen zeven jaar oud was, is hij in beginsel Nederlander geworden met deze erkenning en is aan hem een Nederlands paspoort uitgereikt. Eiseres heeft dit paspoort bij de aanvraag overgelegd. Daarnaast staat haar zoon in de BRP geregistreerd met de Nederlandse nationaliteit. Vooralsnog heeft het college geen actie ondernomen naar aanleiding van de melding die de minister in augustus 2025 heeft gedaan.
10. Naar het oordeel van de rechtbank heeft eiseres voldoende aannemelijk gemaakt dat haar minderjarige zoon de Nederlandse nationaliteit heeft. Vast staat dat hij door een Nederlandse man is erkend. Dit wordt niet betwist en is met stukken onderbouwd. Ook heeft eiseres een Nederlands paspoort overgelegd bij de aanvraag, zoals voorgeschreven in het beleid van de minister. Eiseres heeft daarmee voldaan aan haar bewijslast.
11. De enkele omstandigheid dat de minister een melding heeft gedaan op grond van artikel 2.34 van de Wet BRP betekent niet dat de zoon van eiseres niet een minderjarig kind is met de Nederlandse nationaliteit. Ten eerste, omdat vooralsnog niet is gebleken dat het college gevolg heeft gegeven aan de melding van de minister. En ten tweede, omdat het doen van die melding niet leidt tot het verlies van Nederlanderschap. Het enkele gevolg is dat de minister na het doen van die melding, gelet op artikel 1.7 van de Wet BRP, niet langer verplicht is uit te gaan van de juistheid van de nationaliteit van de zoon van eiseres die in de BRP staat geregistreerd. De minister kan echter niet zonder meer uitgaan van de onjuistheid van de nationaliteit die in de BRP is opgenomen, zoals de minister lijkt te doen. De minister had dan zelf moeten beoordelen en motiveren welke nationaliteit de zoon van eiseres heeft.

Conclusie en gevolgen

12. Het beroep is gegrond omdat het bestreden besluit in strijd is met het motiveringsbeginsel. De minister heeft niet goed gemotiveerd waarom eiseres niet voldoet aan de voorwaarde dat zij een minderjarig Nederlands kind heeft. De rechtbank vernietigt daarom het bestreden besluit. De rechtbank ziet geen reden om de rechtsgevolgen van het besluit in stand te laten of zelf een beslissing te nemen. Ook draagt de rechtbank niet aan de minister op om het gebrek te herstellen met een betere motivering of een ander besluit (een zogenoemde bestuurlijke lus). Dit omdat dit volgens de rechtbank geen doelmatige en efficiënte manier is om de zaak af te doen.
13. De rechtbank bepaalt met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Algemene wet bestuursrecht dat de minister een nieuw besluit moet nemen met inachtneming van deze uitspraak. De rechtbank geeft de minister hiervoor zes weken.
14. Omdat het beroep gegrond is moet de minister het griffierecht aan eiseres vergoeden en krijgt eiseres ook een vergoeding van haar proceskosten. De minister moet deze vergoeding betalen. Deze vergoeding bedraagt € 1.868,- omdat de gemachtigde van eiseres een beroepschrift heeft ingediend en aan de zitting heeft deelgenomen. Verder zijn er geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het bestreden besluit van 10 september 2025;
- draagt de minister op binnen zes weken na de dag van verzending van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen op het bezwaar met inachtneming van deze uitspraak;
- bepaalt dat de minister het griffierecht van € 194,- aan eiseres moet vergoeden;
- veroordeelt de minister tot betaling van € 1.868,- aan proceskosten aan eiseres.
Deze uitspraak is gedaan door mr. G. Schnitzler, rechter, in aanwezigheid van
mr.B.J. van Rossum, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 19 juni 2026.
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen vier weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Zie paragraaf B10/2.2 van de Vreemdelingencirculaire 2000 (Vc).