ECLI:NL:RBDHA:2026:19996

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
21 juli 2026
Publicatiedatum
20 juli 2026
Zaaknummer
09/224826-25
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Vrijspraak
Procedures
  • Op tegenspraak
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vrijspraak medeplegen zware mishandeling met voorbedachte rade wegens onvoldoende bewijs

De rechtbank Den Haag behandelde de zaak tegen verdachte die werd verdacht van medeplegen van zware mishandeling met voorbedachte rade op 8 juli 2025 in Noordwijk. Het slachtoffer liep ernstig letsel op door slagen en schoppen met mogelijk een wapenstok. De officier van justitie eiste 24 maanden gevangenisstraf, terwijl de verdediging vrijspraak bepleitte.

Tijdens de zittingen werd vastgesteld dat verdachte voorafgaand aan de mishandeling contact had met medeverdachten en dat er plannen waren gemaakt via een groepsapp. De telefoon van verdachte was op het moment van de mishandeling in de buurt van de plaats delict, maar het kon niet worden uitgesloten dat hij zich elders bevond. Verdachte gaf aan dat hij mogelijk niet betrokken was en sprak hierover tijdens detentie met een derde.

De rechtbank oordeelde dat er onvoldoende bewijs was om vast te stellen dat verdachte daadwerkelijk deel uitmaakte van de groep die het slachtoffer mishandelde. Daarom werd verdachte vrijgesproken van zowel het primair als subsidiair ten laste gelegde feit. De vordering tot schadevergoeding van het slachtoffer werd afgewezen wegens de vrijspraak, en het slachtoffer werd veroordeeld in de kosten van de verdediging van verdachte.

Uitkomst: Verdachte is vrijgesproken wegens onvoldoende bewijs van betrokkenheid bij de zware mishandeling.

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG

Strafrecht
Meervoudige kamer
Parketnummer: 09/224826-25
Datum uitspraak: 21 juli 2026
Tegenspraak
De rechtbank Den Haag heeft op de grondslag van de tenlastelegging en naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting het navolgende vonnis gewezen in de zaak van de officier van justitie tegen de verdachte:
[verdachte],
geboren op [geboortedatum] 1977 te [geboorteplaats] ,
BRP-adres: [adres 1] .

1.Het onderzoek ter terechtzitting

Het onderzoek is gehouden op de terechtzittingen van 17 november 2025, 10 februari 2026 en 7 juli 2026 (inhoudelijke behandeling).
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie mr. A.L.M. van Rookhuizen en van hetgeen door de raadsvrouw mr. G. Vermaak naar voren is gebracht.

2.De tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:
hij, op of omstreeks 8 juli 2025 te [plaats] , gemeente Noordwijk, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, aan een ander, te weten [slachtoffer] , opzettelijk en al dan niet met voorbedachten rade, zwaar lichamelijk letsel, te weten:
- breuken van drie ribben aan de rechterzijde gecompliceerd door een longkneuzing en/of
- breuken van vier ribben aan de linkerzijde gecompliceerd door een klaplong en/of
- een breuk van een achteruitsteeksel van twee rugwervels ter hoogte van de borstkas en/of
- een breuk van een zij-uitsteeksel van drie rugwervels ter hoogte van de lage rug en/of
- een scheur in de milt en/of
- een scheur aan de linker nier en/of
- een open breuk van beide botten in het linkeronderbeen en/of
- een breuk van het onderste uiteinde van de linkerellepijp,
heeft toegebracht, door:
- die [slachtoffer] (al dan niet met een ijzeren staaf/wapenstok, althans een voorwerp) meermalen te slaan tegen het lichaam en/of
- die [slachtoffer] meermalen te schoppen tegen het lichaam;
subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:
hij, op of omstreeks 8 juli 2025 te [plaats] , gemeente Noordwijk, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, al dan niet met voorbedachten rade, [slachtoffer] heeft mishandeld, door:
- die [slachtoffer] (al dan niet met een ijzeren staaf/wapenstok, althans een voorwerp) meermalen te slaan tegen het lichaam en/of
- die [slachtoffer] meermalen te schoppen tegen het lichaam, terwijl het feit zwaar lichamelijk letsel, te weten:
- breuken van drie ribben aan de rechterzijde gecompliceerd door een longkneuzing en/of
- breuken van vier ribben aan de linkerzijde gecompliceerd door een klaplong en/of
- een breuk van een achteruitsteeksel van twee rugwervels ter hoogte van de borstkas en/of
- een breuk van een zij-uitsteeksel van drie rugwervels ter hoogte van de lage rug en/of
- een scheur in de milt en/of
- een scheur aan de linker nier en/of
- een open breuk van beide botten in het linkeronderbeen en/of
- een breuk van het onderste uiteinde van de linkerellepijp,
ten gevolge had.

3.De bewijsbeslissing

3.1.
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van het primair tenlastegelegde. Op specifieke standpunten wordt hierna – voor zover van belang – nader ingegaan.
De officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 24 maanden, met aftrek van de tijd in voorarrest doorgebracht.
3.2.
Het standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft namens de verdachte vrijspraak van het primair en subsidiair tenlastegelegde bepleit. Op specifieke standpunten wordt hierna – voor zover van belang – nader ingegaan.
3.3.
Vrijspraak
De rechtbank acht het primair en subsidiair tenlastegelegde niet bewezen en overweegt daartoe het volgende.
Op 8 juli 2025 stonden vijf à zes mannen voor de woning van [slachtoffer] (hierna: [slachtoffer] ) aan de [straatnaam] in [plaats] . De mannen hadden knuppels of ijzeren staven bij zich en riepen zijn naam. [slachtoffer] , die één van de mannen herkende als één van de twee mannen die hem enkele weken daarvoor in zijn woning hadden mishandeld, is door het badkamerraam zijn woning uit gevlucht. De mannen zijn achter hem aangerend en [slachtoffer] is vervolgens nabij zijn woning door minimaal één van de mannen geslagen met een wapenstok dan wel een ijzeren staaf. [slachtoffer] heeft hierbij fors letsel opgelopen.
De verdachte wordt verweten dat hij zich schuldig heeft gemaakt aan het (al dan niet met voorbedachten rade) medeplegen van zware mishandeling van [slachtoffer] dan wel aan het (al dan niet met voorbedachten rade) medeplegen van mishandeling van [slachtoffer] , terwijl dit zwaar lichamelijk letsel ten gevolge heeft gehad.
De rechtbank dient allereerst de vraag te beantwoorden of kan worden vastgesteld dat de verdachte één van de mannen was, die op 8 juli 2025 betrokken waren bij de mishandeling van [slachtoffer] . Op basis van het dossier en het onderzoek ter terechtzitting stelt de rechtbank het volgende vast.
Op 8 juli 2025 heeft medeverdachte [medeverdachte 1] , wiens dochter door [slachtoffer] zou zijn lastig gevallen, een groepsapp aangemaakt met daarin onder meer de verdachte. In de telefoon van medeverdachte [medeverdachte 1] is verder een chatgesprek van 8 juli 2025 aangetroffen met medeverdachte [medeverdachte 2] , waaruit kan worden afgeleid dat plannen werden gemaakt voor de mishandeling van [slachtoffer] die avond. In dit chatgesprek, om 18.58 uur, stuurde medeverdachte [medeverdachte 1] een foto van de verdachte met daarbij de tekst: “Hij is er”. De telefoon van de verdachte straalde op het moment van de mishandeling van [slachtoffer] een zendmast in de directe omgeving van de plaats delict aan en op de dag van de mishandeling heeft de verdachte meerdere malen gebeld met medeverdachte [medeverdachte 1] . Op 9 juli 2025, de dag na de mishandeling van [slachtoffer] , heeft de verdachte een telefoongesprek gevoerd met medeverdachte [medeverdachte 1] , waarbij de verdachte onder meer heeft gezegd dat hij hoopt dat ze hen niet pakken en dat hij zijn zwarte scooter binnenhoudt, omdat hij niet zeker weet of ze het kenteken gezien hebben. De verdachte bezoekt deze dag ook de website 112bollenstreek.nl. Tijdens zijn detentie heeft de verdachte een gesprek gevoerd met ene Mariska, waarbij hij heeft gezegd dat waar hij voor zit, eigenlijk niet heel netjes is.
Uit het vorengaande blijkt weliswaar dat de verdachte voorafgaand aan de mishandeling van [slachtoffer] samen was met medeverdachte [medeverdachte 1] en dat ze op de dag van de mishandeling meerdere malen contact hadden. De rechtbank kan op basis van het dossier echter niet vaststellen dat de verdachte ook daadwerkelijk deel uitmaakte van de groep mannen die op 8 juli 2025 betrokken was bij de mishandeling van [slachtoffer] . Hoewel de telefoon van de verdachte zich ten tijde van de mishandeling bevond in de omgeving van de plaats delict, kan niet worden uitgesloten dat de verdachte zich op dat moment bevond in de woning van [naam] op de [adres 2] te [plaats] , welk adres eveneens binnen het bereik van de aangestraalde zendmast valt en waar de verdachte blijkens zijn verklaring bij de rechter-commissaris in die periode verbleef.
Hoewel met name het op 9 juli 2025 door de verdachte met medeverdachte [medeverdachte 1] gevoerde gesprek vragen oproept en verdacht is, acht de rechtbank dit onvoldoende om – bij gebrek aan andere sterke aanwijzingen – vast te stellen dat de verdachte op 8 juli 2025 daadwerkelijk betrokken is geweest bij de mishandeling van [slachtoffer] .
Gelet hierop zal de verdachte worden vrijgesproken van het primair en subsidiair ten laste gelegde feit.

4.De vordering van de benadeelde partij/de schadevergoedingsmaatregel

[slachtoffer] heeft zich als benadeelde partij gevoegd in het strafproces en vordert een schadevergoeding van € 57.700,00, te vermeerderen met de wettelijke rente. Dit bedrag bestaat uit immateriële schade.
4.1
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft geconcludeerd tot hoofdelijke toewijzing van de vordering van de benadeelde partij, met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
4.2
Het standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft zich primair op het standpunt gesteld dat de benadeelde partij, gelet op de bepleite integrale vrijspraak, niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in zijn vordering. Subsidiair heeft de raadsvrouw bepleit dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in zijn vordering, omdat het een onevenredige belasting van het strafgeding zou opleveren om de vordering te behandelen.
4.3
Het oordeel van de rechtbank
De rechtbank zal de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaren in de vordering, aangezien
de verdachte van het feit waarop de vordering betrekking heeft, zal worden vrijgesproken.
Dit brengt mee dat de benadeelde partij moet worden veroordeeld in de kosten die de verdachte tot aan deze uitspraak in verband met zijn verdediging tegen die vordering heeft moeten maken. De rechtbank begroot deze kosten tot op heden op nihil.

5.De beslissing

De rechtbank:
verklaart niet wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het primair en subsidiair ten laste gelegde feit heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij;
bepaalt dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk is in de vordering tot schadevergoeding;
veroordeelt de benadeelde partij in de kosten door de verdachte ter verdediging tegen die vordering gemaakt, tot op heden begroot op nihil.
Dit vonnis is gewezen door
mr. V.J. de Haan, voorzitter,
mr. J.L.E. Bakels, rechter,
mr. J. Schaaf, rechter,
in tegenwoordigheid van mr. N. de Jong, griffier,
en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank van 21 juli 2026.