ECLI:NL:RBDHA:2026:1983

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
30 januari 2026
Publicatiedatum
6 februari 2026
Zaaknummer
NL26.3264
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 59 Vreemdelingenwet 2000Art. 5.1b Vreemdelingenbesluit
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep tegen maatregel van bewaring op grond van de Vreemdelingenwet 2000 ongegrond verklaard

De minister van Asiel en Migratie legde op 19 januari 2026 een maatregel van bewaring op aan eiser, een Tunesische vreemdeling, op grond van artikel 59 van Pro de Vreemdelingenwet 2000. Eiser stelde beroep in tegen dit besluit en verzocht tevens om schadevergoeding. De rechtbank behandelde het beroep op 26 januari 2026.

Eiser betwistte enkele zware gronden voor de bewaring, waaronder het feit dat hij Nederland niet op de voorgeschreven wijze zou zijn binnengekomen. De rechtbank oordeelde dat deze gronden feitelijk juist en voldoende gemotiveerd waren, mede omdat eiser geen geldig document voor grensoverschrijding had en eerder illegaal was binnengekomen. De minister had bovendien de lichte grond betreffende een strafrechtelijke veroordeling laten vallen.

Eiser voerde aan dat de minister een lichter middel had moeten toepassen, mede vanwege zijn familiebanden in Frankrijk. De rechtbank vond echter dat de minister voldoende had gemotiveerd waarom een lichter middel niet volstond, onder meer omdat eiser het bestaan van zijn partner en dochter niet had onderbouwd en er een risico op onttrekking aan toezicht bestond.

De rechtbank concludeerde dat de maatregel van bewaring niet onrechtmatig was en verklaarde het beroep ongegrond. Het verzoek om schadevergoeding werd eveneens afgewezen. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.

Uitkomst: Het beroep tegen de maatregel van bewaring is ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding is afgewezen.

Uitspraak

uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.3264
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser], V-nummer: [V-nummer] , eiser (gemachtigde: mr. J.E. Groenenberg),
en

de minister van Asiel en Migratie, (gemachtigde: mr. N. Schoonbrood).

Procesverloop

Bij besluit van 19 januari 2026 (het bestreden besluit) heeft de minister aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) opgelegd.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Dit beroep moet tevens worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.
De rechtbank heeft het beroep op 26 januari 2026 op zitting behandeld. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Als tolk is verschenen A. Tribak. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. Eiser stelt van Tunesische nationaliteit te zijn en te zijn geboren op [geboortedatum] 2003.
Proces-verbaal inbewaringstelling
2. Eiser heeft erop gewezen dat in het proces-verbaal van het gehoor voor inbewaringstelling (M110) van 19 januari 2026 ten onrechte is aangekruist dat zijn gemachtigde mr. J.E. Groenenberg aanwezig was tijdens het gehoor. De minister heeft ter zitting aangegeven dat het gaat om een kennelijke verschrijving. De rechtbank ziet geen reden om hieraan te twijfelen. In dit verslag is namelijk tevens opgenomen dat eiser tijdens zijn gehoor, op zijn verzoek, van 10.25 tot 10.50 uur, telefonisch contact heeft gehad met zijn gemachtigde, wat in beroep niet is bestreden. De rechtbank ziet daarom geen aanleiding voor het oordeel dat sprake is van een gebrek in het voortraject of dat eiser op enigerlei wijze in zijn belangen is geschaad.
Bewaringsgronden
3. In de maatregel van bewaring heeft de minister overwogen dat de openbare orde de maatregel vordert, omdat het risico bestaat dat eiser zich aan het toezicht zal onttrekken en eiser de voorbereiding van het vertrek of de uitzettingsprocedure ontwijkt of belemmert. De minister heeft, onder verwijzing naar artikel 5.1b, eerste, derde en vierde lid, van het Vreemdelingenbesluit (Vb), als zware gronden vermeld dat eiser:
3a. Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen, dan wel een poging daartoe heeft gedaan;
3b. zich in strijd met de Vreemdelingenwetgeving gedurende enige tijd aan het toezicht op vreemdelingen heeft onttrokken;
3c. eerder een visum, besluit, kennisgeving of aanzegging heeft ontvangen waaruit de plicht Nederland te verlaten blijkt en hij daaraan niet uit eigen beweging binnen de daarin besloten of gestelde termijn gevolg heeft gegeven;
3d. niet dan wel niet voldoende meewerkt aan het vaststellen van zijn identiteit en nationaliteit;
3e. in verband met zijn aanvraag om toelating onjuiste of tegenstrijdige gegevens heeft verstrekt over zijn identiteit, nationaliteit of de reis naar Nederland of een andere lidstaat; 3i. te kennen heeft gegeven dat hij geen gevolg zal geven aan zijn verplichting tot terugkeer;
en als lichte gronden vermeld dat eiser:
4a. zich niet aan een of meer andere voor hem geldende verplichtingen van hoofdstuk 4 van het Vb heeft gehouden;
4b. meerdere aanvragen tot het verlenen van een verblijfsvergunning heeft ingediend die niet tot verlening van een verblijfsvergunning hebben geleid;
4c. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft;
4d. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan;
4e. verdachte is van enig misdrijf dan wel daarvoor is veroordeeld.
4. Eiser betwist de zware gronden onder 3a, 3b en 3d. Ten aanzien van de zware grond onder 3a voert eiser aan dat hij Nederland is binnengekomen door een gedwongen overdracht in het kader van de Dublinverordening. Eiser heeft zelf dus niets geregeld of hieraan bijgedragen. Om die reden kan deze grond hem niet worden tegengeworpen.
5. De minister heeft ter zitting de lichte grond onder 4e laten vallen.
6. De rechtbank oordeelt dat de zware grond onder 3a feitelijk juist is en voldoende is gemotiveerd. Eiser beschikt niet over een geldig document voor grensoverschrijding en heeft zelf verklaard dat hij in 2019 niet op voorgeschreven wijze Nederland is binnengekomen. Dat hij recentelijk via een gecontroleerde overdracht aan Nederland is overgedragen vanuit Oostenrijk, betekent niet dat deze eerdere illegale inreis niet aan eiser kan worden tegengeworpen.
7. De rechtbank oordeelt dat de zware grond onder 3a en de overige niet betwiste gronden feitelijk juist en voldoende gemotiveerd zijn. Deze gronden zijn voldoende om de maatregel van bewaring te kunnen dragen.
Lichter middel/belangenafweging
8. Eiser stelt dat de minister had moeten volstaan met het opleggen van een lichter middel dan de maatregel van bewaring. Eiser heeft een partner en dochter in Frankrijk wonen. Eiser wil graag bij zijn dochter zijn. Hij is bezig om zijn dochter officieel te erkennen en kan dus op dit moment nog geen documenten van hun familiebanden overleggen. Daarbij heeft de minister in de belangenafweging ten onrechte gesteld dat eiser geen familie in Europa heeft.
9. De rechtbank is van oordeel dat de minister voldoende heeft gemotiveerd dat er niet kan worden volstaan met een lichter middel. Uit de gronden van de maatregel en de motivering blijkt al dat er een risico op onttrekking aan het toezicht bestaat. Hierbij wijst de rechtbank er onder meer op dat eiser in het verleden meermalen met onbekende bestemming is vertrokken. Eisers betoog over zijn gestelde partner en dochter zorgt niet voor een ander oordeel. De minister is in de maatregel uitdrukkelijk hierop ingegaan en heeft terecht betrokken dat eiser op geen enkele wijze het bestaan van zijn gestelde partner en dochter heeft onderbouwd. Evenmin is onderbouwd waarom het gestelde familieleven maakt dat de maatregel van bewaring als onevenredig moet worden beschouwd. De minister heeft hier daarom geen reden hoeven zien voor een minder verstrekkende maatregel. De beroepsgrond slaagt niet.

Ambtshalve toetsing

10. De rechtbank moet ook ambtshalve toetsen of de maatregel van bewaring tot het moment van het sluiten van het onderzoek op enig moment onrechtmatig was. Op grond van de stukken en wat op de zitting is besproken, is de rechtbank van oordeel dat dit niet het geval is.
Conclusie
11. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
12. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank:
  • verklaart het beroep ongegrond;
  • wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.M. den Dulk, rechter, in aanwezigheid van S.N. Lekatompessij, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
30 januari 2026

Documentcode: [Documentcode]

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.