ECLI:NL:RBDHA:2026:19778
Rechtbank Den Haag
- Kort geding
- Rechtspraak.nl
Verbod op vervreemding van hond tot uitspraak in kort geding tegen Staat
Eiser startte een kortgedingprocedure tegen de Staat der Nederlanden met het verzoek om te voorkomen dat de hond [naam] wordt vervreemd tot de inhoudelijke strafzaak tegen eiser is afgerond.
De voorzieningenrechter beoordeelde de provisionele vordering en concludeerde dat er een reële kans bestaat dat het besluit van de officier van justitie om de hond te vervreemden niet redelijk was. Dit werd mede gebaseerd op het feit dat de hond gezondheidsproblemen heeft en geen gedragsproblemen, en dat de definitieve diagnose nog niet was gesteld.
Daarom werd de provisionele vordering toegewezen en werd de Staat verboden om de hond te vervreemden tot de datum van het vonnis in het kort geding, 16 juli 2026. Dit betreft een voorlopige voorziening en geen inhoudelijke beslissing over de hoofdzaak.
De mondelinge behandeling vond plaats op 7 juli 2026, het vonnis werd uitgesproken op 8 juli 2026 door voorzieningenrechter A.C. Bordes.
Uitkomst: De voorzieningenrechter verbiedt de Staat om de hond te vervreemden tot de uitspraak in het kort geding op 16 juli 2026.