ECLI:NL:RBDHA:2026:19772

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
10 juni 2026
Publicatiedatum
17 juli 2026
Zaaknummer
11997432 \ RP VERZ 25-51006, 12170403 \ RP VERZ 26-50425 en 12227845 \ RP VERZ 26-50627
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 278 lid 1 Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkverklaring wegens obscuur libel in geschil over VvE-besluiten

De zaak betreft een verzoek van een lid van een Vereniging van Eigenaars (VvE) die zich verzet tegen besluiten genomen tijdens ledenvergaderingen op 3 november 2025, 9 maart 2026 en 11 mei 2026. Verzoeker heeft meerdere verzoekschriften en stukken ingediend, die echter onsamenhangend en onduidelijk zijn geformuleerd. Hierdoor voldoet het verzoek niet aan de eisen van artikel 278 lid 1 Rv Pro, dat een duidelijke omschrijving van het verzoek en de gronden vereist.

De kantonrechter benadrukt dat de VvE en de rechter moeten kunnen begrijpen welke besluiten worden bestreden, op welke juridische gronden en met welke rechtsgevolgen. Verzoeker heeft dit niet concreet gemaakt en verwijst ook naar besluiten van andere vergaderingen zonder specificatie. Bovendien zijn er bezwaren tegen derden die niet partij zijn in de procedure.

Ondanks de mogelijkheid voor verzoeker om zijn verzoeken mondeling toe te lichten en een samenvatting te overleggen, blijft de onduidelijkheid bestaan. De kantonrechter kwalificeert de stukken daarom als een obscuur libel en verklaart verzoeker niet-ontvankelijk. Tevens wordt verzoeker veroordeeld in de proceskosten van de VvE, die begroot zijn op €1.008,00 plus eventuele betekenkosten.

Uitkomst: Verzoeker wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens een obscuur libel en veroordeeld in de proceskosten.

Uitspraak

RECHTBANKDEN HAAG
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Den Haag
Zaaknummers: 11997432 \ RP VERZ 25-51006, 12170403 \ RP VERZ 26-50425 en 12227845 \ RP VERZ 26-50627
Proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van 10 juni 2026
in de zaken van
[verzoekende partij],
wonende te [woonplaats] ,
verzoekende partij,
hierna te noemen: [verzoekende partij] ,
procederend in persoon,
tegen
VERENIGING VAN EIGENAARS [verwerende partij],
gevestigd te [plaats] ,
verwerende partij,
hierna te noemen: de VvE,
gemachtigde: mr. Y.H. van Ballegooijen.
De zitting wordt gehouden in het gebouw van de rechtbank in Den Haag.
De zaak wordt behandeld door mr. A.J. Japenga, kantonrechter, bijgestaan door mr. P.K. Verhagen als griffier.
Aanwezig zijn:
- [verzoekende partij] , samen met zijn partner [naam 1] en zijn zoon;
- namens de VvE de bestuursleden [naam 2] en [naam 3] , bijgestaan door mr. Y.H. van Ballegooijen en namens VvE Beheer WijSamen [naam 4] ;
- diverse (andere) leden van de VvE.
[verzoekende partij] heeft op de zitting, na daartoe in de gelegenheid te zijn gesteld door de kantonrechter, een samenvatting gegeven van zijn verzoeken. Hij heeft daartoe een geschrift d.d. 27 mei 2026 overgelegd. Dit geschrift is aan het procesdossier toegevoegd.
Vervolgens heeft de kantonrechter op de zitting in aanwezigheid van partijen mondeling uitspraak gedaan.

1.De beoordeling

1.1.
Artikel 278 lid 1 van Pro het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) schrijft voor dat het verzoekschrift onder meer een duidelijke omschrijving van het verzoek en de gronden waarop het berust dient te vermelden. Dit houdt in dat een verzoeker (in dit geval [verzoekende partij] ) in het verzoekschrift duidelijk moet aangeven op welke feiten, rechten en consequenties (rechtsgevolgen) hij zich beroept. De wederpartij (in dit geval de VvE) dient immers te weten waartegen zij zich moet verweren en de kantonrechter dient te weten waarover moet worden beslist. Het verzochte moet logisch uit de aangevoerde gronden, feiten en/of omstandigheden voortvloeien. Een aan een verzoek ten grondslag liggend onnavolgbaar verzoekschrift is een obscuur libel en kan leiden tot niet-ontvankelijkverklaring van een verzoeker.
1.2.
Als een verzoeker (daarnaast) producties in het geding brengt, kan de kantonrechter met de daaruit blijkende feiten of omstandigheden slechts rekening houden wanneer uit de processtukken (het verzoekschrift of aanvullingen daarop) voldoende kenbaar is dat de verzoeker de inhoud van die producties mede aan zijn verzoek en stellingen ten grondslag wil leggen en ook voldoende blijkt welke specifieke feiten en/of omstandigheden dat dan zijn. Het uitgangspunt is namelijk dat een verzoeker de eigen stellingen concreet onderbouwt. Hij kan niet volstaan met het slechts verwijzen naar overgelegde producties. Het ligt namelijk niet op de weg van de kantonrechter om (de onderbouwing van) een standpunt af te leiden uit de betreffende producties. Dat laatste is immers de specifieke taak van de verzoeker die zich daarop beroept, ook als deze niet wordt bijgestaan door een rechtshulpverlener en/of gemachtigde (zoals [verzoekende partij] ). Het blijft voor risico van de verzoeker wanneer hij zijn standpunten in de processtukken onvoldoende duidelijk verwoordt.
1.3.
De kantonrechter is van oordeel dat de (aanvullende) verzoekschriften (en overige stukken) van [verzoekende partij] zodanig gebrekkig en onsamenhangend zijn geformuleerd dat niet is voldaan aan de hiervoor genoemde eis van artikel 278 lid 1 Rv Pro.
1.4.
De verzoekschriften bevatten veel tekst en zijn meerdere malen (vaak met een groot aantal producties) aangevuld en gewijzigd. Hoewel daarin diverse theorieën, aannames en standpunten worden beschreven, ontbreekt een duidelijke uiteenzetting van de verzoeken, de juridische grondslagen daarvan en van de feiten en omstandigheden die daarvoor relevant zijn. Uit de vele en soms ook omvangrijke stukken kan wel worden afgeleid dat [verzoekende partij] zich verzet tegen besluiten van de VvE die zijn genomen tijdens de ledenvergaderingen van 3 november 2025, 9 maart 2026 en 11 mei 2026, maar hij heeft niet aangegeven tegen welke besluiten zijn bezwaren concreet zijn gericht, op welke gronden hij deze besluiten aanvecht en welke rechtsgevolgen volgens hem aan zijn standpunten moeten worden verbonden. Ook is onduidelijk welke specifieke besluiten hij opgeschort wenst te zien. [verzoekende partij] verwijst namelijk niet alleen naar de hiervoor genoemde ledenvergaderingen, maar ook naar andere vergaderingen. Het hiervoor omschreven gebrek aan duidelijkheid klemt in dit geval temeer, omdat de wet verschillende mogelijkheden (rechtsgronden) kent om besluiten van een ledenvergadering van een VvE in rechte aan te vechten. Juist daarom mag worden verwacht dat duidelijk wordt aangegeven welke besluiten worden bestreden en op welke juridische grondslag dat gebeurt. Verder heeft [verzoekende partij] bezwaren jegens derden aangevoerd, die echter geen partij zijn in deze procedure.
1.5.
Naar het oordeel van de kantonrechter vormen de (aangevulde) verzoekschriften en overige stukken daarom een obscuur libel omdat deze niet voldoen aan de minimale eisen van leesbaarheid en begrijpelijkheid. Hoewel de kantonrechter [verzoekende partij] ter zitting in de gelegenheid heeft gesteld zijn verzoeken nader toe te lichten, en hij daarvan gebruik heeft gemaakt door een samenvatting van zijn verzoeken te geven en een uittreksel over te leggen, heeft dit niet geleid tot de vereiste duidelijkheid. Het overgelegde uittreksel beslaat alleen al drie pagina’s en laat wederom onvoldoende zien welke concrete verzoeken worden gedaan en op welke gronden deze berusten.
1.6.
Het voorgaande brengt de kantonrechter tot de beslissing om [verzoekende partij] niet-ontvankelijk te verklaren in zijn verzoeken. Aan een inhoudelijke beoordeling van die verzoeken wordt daarom niet toegekomen. Gelet op de inhoud van de (aangevulde) verzoekschriften en de wijze waarop de verzoeken zijn geformuleerd, kan daarop niet of nauwelijks een zinvolle beslissing worden gegeven die recht doet aan de belangen van de betrokken (proces)partijen.
1.7.
Het is deze wijze van procederen die de VvE schaadt in haar gerechtvaardigde belang om adequaat verweer te kunnen voeren. Hoewel de gemachtigde van de VvE zich veel moeite heeft getroost om uit de vele tekst van [verzoekende partij] verzoeken te destilleren, deze te inventariseren en daarop te reageren, neemt dat niet weg dat een procedure niet op deze wijze behoort te worden gevoerd. Het feit dat [verzoekende partij] geen rechtsbijstand heeft, maakt dat niet anders. De kantonrechter wijst [verzoekende partij] daarom uitdrukkelijk erop dat hij in een eventuele toekomstige procedure het risico loopt te worden veroordeeld in de volledige proceskosten indien hij blijft procederen op de wijze zoals in deze zaken is gebeurd.
1.8.
Omdat [verzoekende partij] in het ongelijk wordt gesteld moet hij de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van de VvE worden begroot op:
- salaris gemachtigde
864,00
(3 punten × € 288,00)
- nakosten
144,00
(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
1.008,00

2.De beslissing

De kantonrechter:
2.1.
verklaart [verzoekende partij] niet-ontvankelijk in zijn verzoeken;
2.2.
veroordeelt [verzoekende partij] in de proceskosten van € 1.008,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [verzoekende partij] niet tijdig aan deze veroordeling voldoet en deze uitspraak daarna wordt betekend.
Deze mondelinge uitspraak is gewezen door mr. A.J. Japenga en in het openbaar uitgesproken in aanwezigheid van de griffier.