ECLI:NL:RBDHA:2026:19764

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
3 juli 2026
Publicatiedatum
17 juli 2026
Zaaknummer
NL26.20279 en NL26.20280
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Artikel 17 DublinverordeningArt. 8:54 AwbArt. 8:81 AwbArt. 8:83 AwbEVRM
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep tegen niet in behandeling nemen asielaanvraag op grond van Dublinverordening afgewezen

Eiser, een minderjarige met de Soedanese nationaliteit, diende een asielaanvraag in Nederland in. De minister van Asiel en Migratie nam deze aanvraag niet in behandeling omdat Kroatië volgens de Dublinverordening verantwoordelijk is voor de behandeling.

Eiser voerde aan dat Kroatië zijn internationale verplichtingen niet nakomt en dat de overdracht aan Kroatië onevenredig hard zou zijn, verwijzend naar artikel 17 van Pro de Dublinverordening. Tevens stelde hij dat het besluit in strijd is met het EVRM, de wet en de algemene beginselen van behoorlijk bestuur.

De rechtbank oordeelde dat de minister zich op het interstatelijk vertrouwensbeginsel mag baseren en dat eiser onvoldoende onderbouwing leverde voor zijn stellingen. De rechtbank vond geen reden om het besluit te vernietigen en verklaarde het beroep kennelijk ongegrond. Het verzoek om een voorlopige voorziening werd niet-ontvankelijk verklaard.

De uitspraak werd gedaan door de enkelvoudige kamer van de rechtbank Den Haag op 3 juli 2026. Eiser kreeg geen proceskostenvergoeding en er staat geen rechtsmiddel open tegen de beslissing op het verzoek om voorlopige voorziening.

Uitkomst: Het beroep tegen het niet in behandeling nemen van de asielaanvraag wordt kennelijk ongegrond verklaard en het verzoek om voorlopige voorziening niet-ontvankelijk.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG
Bestuursrecht
zaaknummers: NL26.20279 en NL26.20280
uitspraak van de enkelvoudige kamer en de voorzieningenrechter in de zaken tussen
[eiser], V-nummer: [v-nummer] , eiser/verzoeker (hierna: eiser)
(gemachtigde: mr. D. de Heuvel),
en

de minister van Asiel en Migratie, verweerder.

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen het niet in behandeling nemen van zijn aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. De voorzieningenrechter beoordeelt in deze uitspraak het verzoek om een voorlopige voorziening van eiser. Verweerder heeft de aanvraag met het bestreden besluit van 9 april 2026 niet in behandeling genomen omdat Kroatië verantwoordelijk is voor de aanvraag.

Beoordeling door de rechtbank

Geen zitting
2. De rechtbank houdt in deze zaak geen zitting. Het beroep is namelijk kennelijk ongegrond. [1] Hieronder legt de rechtbank dit uit.
Waar gaat deze zaak over?
3. Eiser stelt te zijn geboren op [geboortedatum] 2007 en de Soedanese nationaliteit te hebben. Verweerder heeft eisers asielaanvraag niet in behandeling genomen, omdat Frankrijk verantwoordelijk zou zijn van de behandeling daarvan.
Wat vindt eiser in beroep?
4. Eiser is het niet eens met het bestreden besluit en voert – kort samengevat – het volgende aan. Allereerst doet eiser een beroep op artikel 17 van Pro de Dublinverordening. Er zijn namelijk concrete aanwijzingen dat Kroatië zijn internationale verplichtingen niet nakomt en bijzondere, individuele omstandigheden die maken dat de overdracht van eiser aan Kroatië onevenredig hard is. Verder voert eiser aan dat het bestreden besluit in strijd is met het EVRM [2] , de wet en met de algemene beginselen van behoorlijk bestuur.
Wat is het oordeel van de rechtbank?
Artikel 17 van Pro de Dublinverordening
5. De rechtbank stelt voorop dat verweerder in zijn algemeenheid ten opzichte van Kroatië mag uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. Dit houdt in dat verweerder als uitgangspunt erop mag vertrouwen dat Kroatië zich houdt aan de verplichtingen uit het Unierecht en mensenrechtenverdragen.
5.1.
Bij de bevoegdheid om eisers asielaanvraag op grond van artikel 17 van Pro de Dublinverordening in behandeling te nemen, heeft verweerder veel beslissingsruimte. Daarom kan de rechtbank alleen terughoudend toetsen of verweerder goed heeft gemotiveerd waarom hij in dit geval niet van deze bevoegdheid gebruik heeft gemaakt. De rechtbank is van oordeel dat verweerder zich in redelijkheid op het standpunt heeft gesteld dat er geen aanleiding bestaat om de asielaanvraag van eiser in behandeling te nemen met toepassing van artikel 17, eerste lid, van de Dublinverordening. Hierbij is van belang dat eiser niet (met stukken) heeft onderbouwd waarom Kroatië zijn internationale verplichtingen niet zou nakomen. Hetzelfde geldt voor eisers stellingen dat hij veel heeft meegemaakt en geen kans heeft gekregen om zijn asielrelaas in Nederland naar voren te brengen. Ook eisers stelling dat hij persisteert bij de eerder ingenomen standpunten leidt niet tot een andere conclusie, omdat de rechtbank hieruit niet kan afleiden waarom eiser van mening is dat het bestreden besluit onjuist is.
Overige beroepsgrond
6. De rechtbank ziet in eisers overige beroepsgrond geen aanleiding om het bestreden besluit te vernietigen. Uit eisers algemene stelling dat het bestreden besluit in strijd is met het EVRM, de wet en met de algemene beginselen van behoorlijk bestuur, kan de rechtbank namelijk niet afleiden waarom eiser van mening is dat het bestreden besluit onjuist is.

Conclusie en gevolgen

7. De beroepsgronden slagen niet. De rechtbank twijfelt hier niet over. Daarom is het beroep kennelijk ongegrond.
8. Nu er uitspraak is gedaan in het beroep en er niet langer sprake is van connexiteit [3] , wordt het verzoek om een voorlopige voorziening niet-ontvankelijk verklaard.
9. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
De voorzieningenrechter verklaart het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J. Holleman, (voorzieningen)rechter, in aanwezigheid van mr. J.F. Elzenaar, griffier.
De beslissing is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Bent u het niet eens met deze uitspraak?
Als u het niet eens bent met deze uitspraak op het beroep, kunt u een brief sturen naar de rechtbank waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een verzetschrift. U moet dit verzetschrift indienen binnen 6 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven. Als u graag een zitting wilt waarin u uw verzetschrift kunt toelichten, kunt u dit in uw verzetschrift vermelden. Tegen de uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening staat geen rechtsmiddel open.

Voetnoten

1.Zie artikel 8:54, eerste lid, aanhef en onder c, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
2.Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden.
3.Op grond van artikel 8:81 en Pro 8:83, derde lid, van de Awb.