ECLI:NL:RBDHA:2026:19752

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
14 juli 2026
Publicatiedatum
17 juli 2026
Zaaknummer
AWB 26/4833
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:54 AwbAlgemene wet bestuursrecht
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling niet-ontvankelijkheid bezwaar tegen beëindiging opvang vreemdelingenvoorziening

De zaak betreft een bezwaar van eiser tegen het besluit van de minister om het bezwaar niet-ontvankelijk te verklaren wegens het ontbreken van procesbelang. Dit bezwaar richtte zich tegen de beëindiging van de Landelijke Vreemdelingenvoorziening (LVV) in Utrecht, die opvang en begeleiding bood aan vreemdelingen zonder legaal verblijf.

De minister stelde dat eiser geen procesbelang meer had omdat hij geen gebruik meer maakte van de LVV-opvang en inmiddels aanspraak maakte op opvang via het Centraal Orgaan opvang asielzoekers (COa) vanwege een gegrond verklaard beroep op zijn herhaalde asielaanvraag. De rechtbank bevestigde dat procesbelang vereist is voor ontvankelijkheid en dat dit bij eiser ontbrak.

De rechtbank overwoog dat de LVV-opvang geen voordelen bood ten opzichte van de COa-opvang en dat de beëindiging van de LVV-opvang daarom geen feitelijke betekenis meer had voor eiser. Tevens wees de rechtbank het verzoek om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn af, omdat deze termijn nog niet was overschreden en er geen onderbouwing van schade was.

De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en wees proceskostenveroordeling af. De uitspraak werd gedaan zonder zitting op 14 juli 2026 door rechter Schaaf.

Uitkomst: Het beroep tegen de niet-ontvankelijkverklaring van het bezwaar is ongegrond verklaard wegens het ontbreken van procesbelang.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: AWB 26/4833

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 14 juli 2026 in de zaak tussen

[eiser] , eiser

V-nummer: [V-nummer]
(gemachtigde: mr. W.G. Fischer),
en

de minister van Asiel en Migratie, de minister.

Inleiding

1. In deze uitspraak beslist de rechtbank over het beroep van eiser tegen het bestreden besluit van de minister van 19 maart 2026, waarin zijn bezwaar niet-ontvankelijk is verklaard.
1.1.
Omdat over de uitkomst van deze zaak geen twijfel bestaat, doet de rechtbank uitspraak zonder zitting. Artikel 8:54 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk.

Vrijstelling van betaling griffierecht

2. Eiser heeft verzocht om vrijstelling van betaling van het griffierecht. De rechtbank wijst het verzoek toe.

Feiten

3. De zaak is begonnen met de beëindiging van de Landelijke Vreemdelingenvoorziening (LVV) in de gemeente Utrecht . De LVV (ook wel de ‘bed-bad-brood’ regeling genoemd) bood opvang en begeleiding bij terugkeer aan vreemdelingen die illegaal in Nederland verbleven. Eind 2024 heeft de minister aan diverse van deze vreemdelingen kenbaar gemaakt dat de opvang en de begeleiding op grond van de LVV in Utrecht vanaf 1 januari 2025 stopt. Eiser heeft een dergelijk besluit gekregen. Hij is het hier niet mee eens en heeft hiertegen bezwaar gemaakt.
3.1.
In het bestreden besluit heeft de minister het bezwaar van eiser niet-ontvankelijk verklaard. Daaraan heeft de minister ten grondslag gelegd dat eiser geen (proces)belang meer heeft bij de behandeling van het bezwaarschrift, omdat eiser geen gebruik meer maakt of hoeft te maken van de opvang op grond van de LVV.

Beoordeling door de rechtbank

4. De rechtbank is van oordeel dat de minister het bezwaar van eiser terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard, omdat geen sprake is van procesbelang. Het beroep is dus kennelijk ongegrond.
4.1.
Het is vaste rechtspraak dat procesbelang het belang is dat een betrokkene heeft bij de uitkomst van een procedure. Dit betekent dat het erom gaat of het doel dat die betrokkene voor ogen staat met het rechtsmiddel kan worden bereikt en voor hem van feitelijke betekenis is. Een betrokkene die opkomt tegen een besluit heeft belang bij een beoordeling van diens rechtsmiddel, tenzij vast komt te staan dat ieder belang bij de procedure ontbreekt of is vervallen. Als er geen procesbelang (meer) bestaat, is het rechtsmiddel niet-ontvankelijk. [1]
4.2.
In het bestreden besluit van 19 maart 2026 staat dat eiser een beroepsprocedure aanhangig heeft gemaakt tegen de afwijzing van zijn herhaalde asielaanvraag. Hij heeft ook verzocht om een voorlopige voorziening te treffen. Ten tijde van het bestreden besluit was in deze procedures nog geen uitspraak gedaan. Volgens de minister had eiser hierdoor recht op opvang van het Centraal Orgaan opvang asielzoekers (COa) en geen procesbelang bij de uitkomst van de bezwaarprocedure.
4.3.
Inmiddels heeft de rechtbank op 2 juni 2026 uitspraak gedaan op het beroep [2] en het verzoek om een voorlopige voorziening [3] . Het beroep is gegrond verklaard en het verzoek om een voorlopige voorziening is afgewezen.
4.4.
De rechtbank overweegt dat eiser op dit moment nog steeds recht heeft op opvang van het COa. Dit omdat zijn herhaalde asielaanvraag -door het gegrondverklaarde beroep- weer in de aanvraagfase is beland. Hierdoor heeft hij procedureel rechtmatig verblijf en maakt hij aanspraak op opvang van het COa. Gelet hierop heeft de vraag naar de rechtmatigheid van de beëindiging van de opvang op grond van de LVV voor eiser geen feitelijke betekenis meer. Hij heeft immers een andere vorm van opvang gekregen. Verder is gesteld noch gebleken dat de LVV-opvang voor eiser voordelen kent ten opzichte van de opvang van het COa. De minister heeft dan ook terecht bepaald dat eisers procesbelang bij de bezwaarprocedure is komen te vervallen. Het gegronde beroep tegen de afwijzing van zijn herhaalde asielaanvraag maakt het in dit geval niet anders.
5. Verder wijst de rechtbank het verzoek om schadevergoeding vanwege het overschrijden van de redelijke termijn af.
5.1.
De redelijke termijn voor het doorlopen van een bezwaar- en beroepsprocedure is in beginsel twee jaar. Die termijn is hier nog niet overschreden. Desondanks kan er schade zijn als gevolg van een te lange bezwaarfase. Die schade moet worden onderbouwd. Van een dergelijke onderbouwing is niet gebleken.

Conclusie en gevolgen

6. Het beroep is kennelijk ongegrond. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. R.J.A. Schaaf, rechter, in aanwezigheid van mr. S. Westerhof, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 14 juli 2026.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over verzet

Als partijen het niet eens zijn met deze uitspraak, kunnen zij een verzetschrift sturen naar de rechtbank waarin zij uitleggen waarom zij het niet eens zijn met deze uitspraak. Het verzetschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Als partijen graag een zitting willen om het verzetschrift toe te lichten, moeten zij dit in het verzetschrift vermelden.

Voetnoten

1.Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 2 februari 2026 (ECLI:NL:RVS:2026:515).
3.NL25.14155, niet gepubliceerd.