ECLI:NL:RBDHA:2026:19743

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
17 juli 2026
Publicatiedatum
17 juli 2026
Zaaknummer
09/156377-25 en 09/293227-25 (ttz. gev.) en 23/000799-22 (tul)
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Op tegenspraak
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 33 SrArt. 33a SrArt. 36f SrArt. 45 SrArt. 47 Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Veroordeling verdachte voor aansturing ontploffingen, bedreigingen, wapenbezit en vrijheidsberoving

De rechtbank Den Haag heeft op 17 juli 2026 uitspraak gedaan in een strafzaak tegen verdachte, die werd beschuldigd van meerdere ernstige geweldsdelicten, waaronder het teweegbrengen van ontploffingen, bedreigingen, wapenbezit en poging tot wederrechtelijke vrijheidsberoving.

Tijdens de inhoudelijke behandeling is vastgesteld dat verdachte een aansturende rol had bij de gepleegde feiten. Hij regelde uitvoerders, gaf instructies via sociale media en zorgde voor de benodigde wapens en explosieven. De rechtbank achtte bewezen dat verdachte medepleger was van deze strafbare feiten, maar sprak hem vrij van enkele feiten wegens onvoldoende bewijs.

De rechtbank legde een gevangenisstraf van acht jaar op, rekening houdend met de ernst van de feiten, de maatschappelijke impact, de persoonlijke omstandigheden van verdachte en zijn eerdere strafblad. Daarnaast werden schadevergoedingen toegekend aan verschillende benadeelden, deels toegewezen en deels niet-ontvankelijk verklaard. De in beslag genomen telefoons werden verbeurd verklaard, en een eerdere voorwaardelijke straf werd niet ten uitvoer gelegd vanwege de opgelegde onvoorwaardelijke straf.

Uitkomst: Verdachte is veroordeeld tot acht jaar gevangenisstraf voor medeplegen van ontploffingen, bedreigingen, wapenbezit en poging tot wederrechtelijke vrijheidsberoving.

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG

Strafrecht
Meervoudige kamer
Parketnummers: 09/156377-25 en 09/293227-25 (ttz. gev.) en 23/000799-22 (tul)
Datum uitspraak: 17 juli 2026
Tegenspraak
De rechtbank Den Haag heeft op de grondslag van de tenlastelegging en naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting het navolgende vonnis gewezen in de zaak van de officier van justitie tegen de verdachte:
[verdachte],
geboren op [geboortedatum] 2004 te [geboorteplaats] ,
op dit moment gedetineerd in de penitentiaire inrichting [plaats] ,
locatie [locatie] .

1.Het onderzoek ter terechtzitting

Het onderzoek is gehouden op de terechtzittingen van 28 augustus 2025, 14 november 2025, 23 januari 2026, 14 april 2026 (alle pro forma) en 3 juli 2026 (inhoudelijke behandeling).
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officieren van justitie, mr. E.J. van Drongelen en mr. J. Roosma, en van hetgeen door de verdachte en zijn raadslieden, mr. R.B. Venema en mr. I. Stas, naar voren is gebracht.

2.De tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd hetgeen is vermeld in de dagvaarding. De tekst van de tenlastelegging is als
bijlage Iaan dit vonnis gehecht. In de kern houden de verdenkingen in dat de verdachte:
Dagvaarding I
  • zich, al dan niet samen met een ander of anderen, schuldig heeft gemaakt aan poging tot moord dan wel poging tot doodslag, bedreiging en vernieling door met een automatisch vuurwapen te schieten op de woningen aan de [adres 1] en [adres 2] (feit 1, 3 en 4);
  • al dan niet samen met een ander of anderen, een automatisch vuurwapen, te weten een AK74, voorhanden heeft gehad (feit 2);
Dagvaarding II
  • zich, al dan niet samen met een ander of anderen, schuldig heeft gemaakt aan het teweegbrengen van een ontploffing (na)bij de woningen aan de [adressen 3] alsmede de bedreiging van de bewoners van die woningen en de vernieling van de portiek aldaar (feit 1, 2 en 3);
  • zich, al dan niet samen met een ander of anderen, schuldig heeft gemaakt aan het teweegbrengen van een ontploffing (na)bij de woningen aan de [adressen 4] alsmede de bedreiging van de bewoners van die woningen en de vernieling van de portiek aldaar (feit 4, 5 en 6);
  • zich, al dan niet samen met een ander of anderen, schuldig heeft gemaakt aan het teweegbrengen van een ontploffing bij het pand aan de [adres 5] alsmede de bedreiging van de eigenaar van dat pand en de vernieling van het pand (feit 7, 8 en 9);
  • zich, al dan niet samen met een ander of anderen, tweemaal schuldig heeft gemaakt aan een poging tot wederrechtelijke vrijheidsberoving te Delft en openlijk in vereniging geweld heeft gepleegd tegen [benadeelde 1] (feit 10, 11 en 12); en
  • zich, al dan niet samen met een ander of anderen, schuldig heeft gemaakt aan bedreiging en vernieling door met een vuurwapen te schieten op de woning aan de [adres 6] (feit 13 en 14).

3.De bewijsbeslissing

3.1.
Inleiding
In de periode van 10 oktober 2024 tot en met 21 mei 2025 vonden op verschillende plaatsen in Nederland forse geweldsincidenten plaats. Het ging om meerdere ontploffingen, bedreigingen, een beschieting en meerdere pogingen tot ontvoering. Eén van deze incidenten betrof de beschieting van de [adres 1] en [adres 2] . In die zaak werden de twee schutters ( [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] ) nog dezelfde dag aangehouden. Na hun aanhouding vond een doorzoeking plaats waarbij onder [medeverdachte 1] een laptop in beslag werd genomen. Deze werd uitgelezen en de inhoud werd geanalyseerd. Op de laptop bleek een gesprek te staan dat betrekking had op de hierboven genoemde beschieting en hieruit werd duidelijk dat [medeverdachte 1] aangestuurd werd door een snapchatgebruiker met de naam ‘ [snapchataccount] ’ ( [snapchataccount] ). De politie heeft dit snapchataccount, na technisch onderzoek, toegeschreven aan de verdachte en hem aangehouden. Bij de daaropvolgende doorzoeking in diens woning werden op het bed van de verdachte diverse telefoons aangetroffen. Na het analyseren van deze telefoons ontstond het vermoeden dat de verdachte een aansturende rol had bij diverse aanslagen. De geweldsincidenten zijn als achttien feiten ten laste gelegd, zoals hierboven kort weergegeven. De verdenking is dat de verdachte als geweldsmakelaar heeft opgetreden door als schakel tussen opdrachtgevers en uitvoerders te fungeren.
3.2.
Het standpunt van de officieren van justitie
De officieren van justitie hebben gerekwireerd tot vrijspraak van het bij dagvaarding I onder feit 1 en het bij dagvaarding II onder feit 7, 8, 9, 13 en 14 ten laste gelegde en tot partiële vrijspraak van het bij dagvaarding II onder feit 4 ten laste gelegde levensgevaar en gevaar voor zwaar lichamelijk letsel. De officieren van justitie hebben zich op het standpunt gesteld dat de overige feiten bewezen kunnen worden verklaard.
3.3.
Het standpunt van de verdediging
De verdediging heeft vrijspraak van al het ten laste gelegde bepleit.
3.4.
Vrijspraak
De rechtbank is met betrekking tot de bij dagvaarding I onder feit 1 en de bij dagvaarding II onder feit 7, 8, 9, 13 en 14 ten laste gelegde feiten van oordeel dat deze feiten niet wettig en overtuigend zijn bewezen.
Dagvaarding I, feit 1: poging moord dan wel doodslag
Uit de bewijsmiddelen volgt niet dat de verdachte het opzet had, ook niet in voorwaardelijke zin, om een ander of anderen, al dan niet met voorbedachte raad, van het leven te beroven. Ook volgt uit de bewijsmiddelen niet dat er sprake was van een aanmerkelijke kans dat iemand om het leven zou komen door het handelen van de schutter. De bewoners van de [adres 2] waren niet in de woning aanwezig. In de [adres 1] was de bewoner op de eerste etage van de woning aanwezig, waar hij niet het risico liep geraakt te worden door een kogel. Dat een omstander door een kogel geraakt had kunnen worden, volgt ook niet uit het dossier. De rechtbank zal de verdachte daarom vrijspreken van dit feit.
Dagvaarding II, feit 7, 8, 9: zaaksdossier Concourslaan
De rechtbank is, conform het standpunt van de officieren van justitie en de verdediging, van oordeel dat het dossier onvoldoende wettig en overtuigend bewijs bevat dat de verdachte (mede)verantwoordelijk kan worden gehouden voor het teweegbrengen van een ontploffing aan de [adres 5] . Daarmee acht de rechtbank ook de ten laste gelegde bedreiging van [benadeelde 2] en de vernieling van het pand door het teweegbrengen van die ontploffing niet wettig en overtuigend bewezen. De rechtbank spreek de verdachte daarom vrij van deze feiten.
Dagvaarding II, feit 13, 14: zaaksdossier Zwembadweg
De rechtbank is, conform het standpunt van de officieren van justitie en de verdediging, van oordeel dat het dossier onvoldoende wettig en overtuigend bewijs bevat dat de verdachte (mede)verantwoordelijk kan worden gehouden voor de bedreiging van [benadeelde 3] en de vernieling van de woning gelegen aan de [adres 6] . De rechtbank spreekt de verdachte daarom vrij van deze feiten.
3.5.
Gebruikte bewijsmiddelen
De rechtbank heeft in de bijlage (
bijlage II) opgenomen de wettige bewijsmiddelen met de voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden.
3.6.
Bewijsoverwegingen
Toeschrijving telefoons en accounts aan de verdachte
De verdediging heeft bepleit dat niet kan worden vastgesteld dat (alleen) de verdachte in de relevante periode gebruik heeft gemaakt van de onder hem in beslag genomen IPhone 13, IPhone 7 en IPhone S6 (hierna: de telefoons). Ter terechtzitting heeft de verdachte verklaard dat meerdere personen gebruikmaakten van deze telefoons en deze steeds ‘van hand tot hand’ gingen om anoniem te kunnen blijven. De rechtbank gaat in deze verklaring niet mee.
De rechtbank stelt hierbij voorop dat de verdachte heeft verklaard de telefoons in ieder geval enkele weken voor zijn aanhouding (op 21 mei 2025) in gebruik te hebben gehad. De ten laste gelegde incidenten aan de [adressen 3] (15 mei 2025) en de [adressen 4] (20-21 mei 2025) vallen in die periode. Verder is de rechtbank van oordeel dat de verklaring van de verdachte dat de telefoons ‘van hand tot hand gingen’ om zo anoniem te kunnen blijven, ongeloofwaardig is. Om te beginnen heeft de verdachte deze verklaring pas tijdens de inhoudelijke behandeling van de strafzaak afgelegd. Hiervoor heeft hij geen goede reden gegeven. Dit maakt dat de verklaring van de verdachte niet op juistheid kan worden gecontroleerd. Daarnaast is de IPhone 13 op het bed van de verdachte aangetroffen en stond daarop een grote hoeveelheid privédata, waaronder meerdere selfies, een foto van het paspoort van de verdachte en seksfilmpjes van de verdachte met zijn vriendin. De aanwezigheid van die gegevens strookt niet met de verklaring dat de telefoons werden doorgegeven om ‘anoniem’ te blijven. Bovendien zijn aan de IPhone 13 het telefoonnummer ( [telefoonnummer] ) en e-mailadressen ( [e-mailadres 1] en [e-mailadres 2] ), zoals in gebruik bij de verdachte, gekoppeld. De rechtbank constateert dat geen enkel element in het onderzoek naar en aan de telefoons erop wijst dat ook anderen in de ten laste gelegde periode gebruikmaakten van de telefoons. Uit de gesprekken blijkt dat de gebruiker van de telefoons in korte tijd veel berichten naar anderen stuurde en dat over en weer snel op elkaar wordt gereageerd. Bij de gespreksdeelnemers is nooit verwarring ontstaan over met wie gesproken wordt.
Het dossier bevat bovendien voldoende aanknopingspunten om vast te stellen dat de verdachte de gebruiker is geweest van het telefoonnummer [telefoonnummer] . Zo geeft hij dit telefoonnummer in een eerder verhoor zelf op als het nummer waarop hij te bereiken is en wanneer hij daadwerkelijk gebeld wordt, krijgt de politie inderdaad de verdachte aan de lijn. Voorts is vast komen te staan dat het Snapchataccount [snapchataccount] op 9 juni 2023 is aangemaakt met het e-mailadres [e-mailadres 2] . Aan dit e-mailadres is het telefoonnummer [telefoonnummer] , ook als tweestapsverificatie, gekoppeld. Zowel het e-mailadres [e-mailadres 2] als het telefoonnummer [telefoonnummer] staan gekoppeld aan de telefoons die onder de verdachte in beslag zijn genomen.
Gelet op het voorgaande zal de rechtbank het verweer van de verdediging verwerpen en de verdachte aanmerken als de enige gebruiker van de telefoons en de gekoppelde (social media) accounts.
Medeplegen
Aan de verdachte is bij alle feiten medeplegen ten laste gelegd. De rechtbank stelt voorop dat de betrokkenheid aan een strafbaar feit als medeplegen kan worden bewezen verklaard wanneer is komen vast te staan dat bij het begaan daarvan sprake is geweest van een voldoende nauwe en bewuste samenwerking. Ook wanneer het ten laste gelegde medeplegen in de kern niet bestaat uit een gezamenlijke uitvoering tijdens het begaan van het strafbare feit, maar uit gedragingen die doorgaans met medeplichtigheid in verband plegen te worden gebracht (zoals het verstrekken van inlichtingen, op de uitkijk staan, helpen bij de vlucht), kan sprake zijn van de voor medeplegen vereiste nauwe en bewuste samenwerking. De materiële en/of intellectuele bijdrage van de verdachte aan het strafbare feit zal dan van voldoende gewicht moeten zijn.
Bij de beoordeling of daaraan is voldaan, kan rekening worden gehouden met onder meer de intensiteit van de samenwerking, de onderlinge taakverdeling, de rol in de voorbereiding, de uitvoering of de afhandeling van het delict en het belang van de rol van de verdachte, diens aanwezigheid op belangrijke momenten en het zich niet terugtrekken op een daartoe geëigend tijdstip.
De rechtbank is op grond van de door haar gebruikte bewijsmiddelen van oordeel dat de voor medeplegen vereiste voldoende nauwe en bewuste samenwerking tussen de verdachte en medeverdachten is komen vast te staan. Hoewel geen sprake is van een gezamenlijke uitvoering, is de bijdrage van de verdachte aan het ten laste gelegde naar het oordeel van de rechtbank van zodanig gewicht dat deze kan worden aangemerkt als medeplegen. Uit de bewijsmiddelen leidt de rechtbank af dat de rol van de verdachte als initiërend en coördinerend van aard moet worden gezien. Uit het onderzoek naar zijn telefoons blijkt dat de verdachte via Snapchat en Signal opdrachten gaf tot het teweegbrengen van ontploffingen. Hij liet de uitvoerders vervolgens cobra’s, brandbare vloeistoffen en spuitbussen regelen en gaf door welke tekst er op de gevels van portieken/woningen gespoten moest worden. In de gevallen zoals bij dagvaarding I onder feit 3 en 4 ten laste gelegd regelde de verdachte dat de schutters het vuurwapen waarmee op de woningen geschoten moest worden konden ophalen en waar dit vuurwapen nadien weer ingeleverd moest worden. Ook zocht de verdachte naar routes op zijn telefoon, stuurde hij foto’s van de woning(en) waar de ontploffingen plaats moesten vinden, drong hij erop aan dat de aanslagen gefilmd werden en regelde hij de uitbetaling van de uitvoerders.
Voorhanden hebben automatisch vuurwapen
Voor een bewezenverklaring van het voorhanden hebben van een wapen in de zin van artikel 26 van Pro de Wet Wapens en Munitie (WWM) is voldoende dat de verdachte (middellijk of onmiddellijk) over het vuurwapen kon beschikken.
De rechtbank stelt vast dat de verdachte berichten stuurt inhoudende waar het wapen opgehaald moet worden en waar dat, na de beschieting, weer ingeleverd moet worden. Daaruit blijkt de beschikkingsmacht van de verdachte over het vuurwapen. De verdachte wist immers waar het wapen zich bevond en had zeggenschap over wie er wanneer fysiek over kon beschikken. Na afloop moest het wapen overigens ook bij ‘hem’ worden ingeleverd.
Hiermee acht de rechtbank bewezen dat de verdachte het vuurwapen voorhanden heeft gehad zoals ten laste gelegd bij dagvaarding I onder feit 2.
[adressen 3] : bedreiging
De rechtbank stelt ten aanzien van het bij dagvaarding II onder 2 ten laste gelegde voorop dat voor een veroordeling ter zake van bedreiging is vereist dat de bedreigde daadwerkelijk op de hoogte is geraakt van de bedreiging en de bedreiging van dien aard is en onder zodanige omstandigheden is geschied dat bij de bedreigde in redelijkheid vrees kon ontstaan. De beoordeling of sprake is van redelijke vrees is geobjectiveerd. Daarbij is dus niet vereist dat bij de bedreigde werkelijk vrees is opgewekt. Voldoende is dat de bedreiging in het algemeen een dergelijke vrees kan opwekken.
Op grond van de bewijsmiddelen stelt de rechtbank vast dat bij de panden aan de [adressen 3] een ontploffing teweeg is gebracht. Verbalisanten hebben een harde knal gehoord en waargenomen dat de toegangsdeur van het portiek gelijk in brand stond. Enkele seconden na de explosie kwamen er mensen uit de portiek rennen. Dit bleken de bewoners van de [adressen 3] te zijn.
De rechtbank is van oordeel dat voormelde gebeurtenissen een bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht opleveren. Het teweegbrengen van een ontploffing is in het algemeen geschikt om vrees voor een dergelijk misdrijf op te wekken. Daarbij komt nog dat de portiekdeur, de weg naar buiten uit de woningen, in brand is gevlogen. Dat de bewoners niet gehoord zijn, doet daar, anders dan de verdediging heeft betoogd, niet aan af. Gelet op het voorgaande acht de rechtbank het bij dagvaarding II onder 2 ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen.
3.7.
De bewezenverklaring
De rechtbank verklaart ten laste van de verdachte bewezen dat:
09/156377-25 (Dagvaarding I)
2
hij op 10 oktober 2024 te Alphen aan den Rijn , tezamen en in vereniging met anderen, een vuurwapen van categorie II van de Wet wapens en munitie, te weten een AK74, voorhanden heeft gehad;
3
hij op 10 oktober 2024 te Alphen aan den Rijn , tezamen en in vereniging met anderen, [benadeelde 4] en andere personen heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht en met zware mishandeling,
- door meermalen met een automatisch vuurwapen richting woningen (te weten de woningen
gelegen aan de[adres 1] en [adres 2] ) te schieten
,en
- zich met een automatisch wapen op de openbare weg te
begeven, terwijl personen zich in de directe nabijheid daarvan bevonden
,en
- met een automatisch vuurwapen voor voornoemde woningen (te weten [adres 1] en [adres 2] ) plaats te nemen en vervolgens dat automatische vuurwapen te richten op die woningen en vervolgens dat automatische vuurwapen door te laden, terwijl een of meerdere personen zich in de directe nabijheid daarvan bevonden;
4
hij op 10 oktober 2024 te Alphen aan den Rijn , tezamen en in vereniging met anderen, opzettelijk en wederrechtelijk woningen (te weten [adres 1] en [adres 2] ), toebehorende aan [benadeelde 4] en één of meerdere andere perso(o)n(en), heeft beschadigd door toen en daar opzettelijk en wederrechtelijk meermalen met een automatisch vuurwapen op voornoemd
epand
ente schieten;
09/293227-25 (Dagvaarding II)
1
hij op 15 mei 2025 te Rotterdam, tezamen en in vereniging met anderen, opzettelijk een ontploffing teweeg heeft gebracht bij een woning gelegen aan de [adres 7] door een explosief en
eenfles met brandbare vloeistof voor het portiek [adressen 3] in contact te brengen met open vuur, waardoor dit explosief aldaar tot ontploffing kwam, terwijl daarvan
- gemeen gevaar voor die woningen en voor in voornoemde woningen aanwezige goederen
,en
- levensgevaar voor de in die woningen aanwezige personen en voor in de omgeving aanwezige personen
,en
- gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor de in die woning
enaanwezige personen en voor in de omgeving aanwezige personen, te duchten was;
2
hij op 15 mei 2025 te Rotterdam, tezamen en in vereniging met anderen, bewoners van de woningen gelegen aan de [adressen 3] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht en met zware mishandeling door nabij die panden een ontploffing teweeg te brengen;
3
hij op 15 mei 2025 te Rotterdam tezamen en in vereniging met anderen, opzettelijk en wederrechtelijk de toegangsdeur van het portiek gelegen [adressen 3] en een muur behorende bij het pand dat aan Woonstad Rotterdam toebehoorde, heeft vernield
enbeschadigd door bij het portiek een ontploffing teweeg te brengen en verf op een muur aan te brengen;
4
hij in de periode van 20 mei 2025 tot en met 21 mei 2025 te Rotterdam, tezamen en in vereniging met anderen, opzettelijk een ontploffing teweeg heeft gebracht bij woningen gelegen
aan de[adressen 4] , door een cobra en een fles brandbare vloeistof in de directe nabijheid van het portiek gelegen
aan de[adres 8] in contact te brengen met open vuur, waardoor dit explosief aldaar tot ontploffing is gekomen, terwijl daarvan gemeen gevaar voor die woningen en voor de in die woningen aanwezige goederen te duchten was;
5
hij in de periode van 20 mei 2025 tot en met 21 mei 2025 te Rotterdam, tezamen en in vereniging met anderen, bewoners van de woningen gelegen aan de [adressen 4] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht en met zware mishandeling door nabij dat pand een ontploffing teweeg te brengen;
6
hij in de periode van 20 mei 2025 tot en met 21 mei 2025 te Rotterdam, tezamen en in vereniging met anderen, opzettelijk en wederrechtelijk een gevel behorende bij de woningen
gelegen aan de [adressen 4]die aan een ander toebehoorde, heeft beschadigd door verf op de gevel van het pand aan te brengen;
10
hij op 17 december 2024 te Delft, tezamen en in vereniging met anderen, ter uitvoering van het door hem en zijn mededaders voorgenomen misdrijf om tezamen en in vereniging opzettelijk bewoners van het adres [adres 9] wederrechtelijk van de vrijheid te beroven en beroofd te houden,
- instructies en inlichtingen (al dan niet per telefoon)
heeft gegevenaan meerder
emededaders en uitvoerders en daarmee contact heeft onderhouden en
- een bestelling bij Donerking heeft geplaatst om vervolgens te trachten voornoemde woning binnen te komen en
- het betreffende adres opgezocht,
terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
11
hij in de periode van 1 januari 2025 tot en met 2 januari 2025 te Delft, tezamen en in vereniging met anderen, ter uitvoering van het door hem en zijn mededaders voorgenomen misdrijf om tezamen en in vereniging opzettelijk [benadeelde 1] wederrechtelijk van de vrijheid te beroven en beroofd te houden,
- die [benadeelde 1] met behulp van een plaatsbepaler hebben gevolgd
,en
- gehuld in een bivakmuts en in bezit van meerdere (al dan niet gelijkende) vuurwapens die [benadeelde 1] hebben opgewacht en overmeesterd en
- die [benadeelde 1] meermalen met een vuurwapen op het hoofd en het lichaam hebben geslagen
,en
- getracht hebben die [benadeelde 1] met geweld in een voertuig te trekken
,en
- voornemens waren die [benadeelde 1] in dat voertuig vast te houden en in dat voertuig te martelen, waarbij de uitvoerders een voertuig met laadruimte meehadden waarin transparante plastic handschoenen, tiewraps,
en eenvleesmes aanwezig waren
,en
- die [benadeelde 1] naar een pand te brengen en aldaar vast te houden,
terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
12
hij op 2 januari 2025 te Delft openlijk, te weten op [adres 9] , in vereniging geweld heeft gepleegd tegen [benadeelde 1] , door die [benadeelde 1] meermalen met een vuurwapen tegen het hoofd te slaan
,en die [benadeelde 1] te overmeesteren en te belagen en aan het lichaam te trekken en te duwen.
Voor zover in de tenlastelegging type- en taalfouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd en gecursiveerd weergegeven, zonder dat de verdachte daardoor in de verdediging is geschaad.

4.De strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het bewezen verklaarde is volgens de wet strafbaar, omdat er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

5.De strafbaarheid van de verdachte

De verdachte is eveneens strafbaar, omdat er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die zijn strafbaarheid uitsluiten.

6.De strafoplegging

6.1.
De vordering van de officieren van justitie
De officieren van justitie hebben gevorderd dat de verdachte wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van negen jaar, met aftrek van de tijd in voorarrest doorgebracht.
6.2.
Het standpunt van de verdediging
De verdediging heeft de rechtbank subsidiair verzocht om aan de verdachte geen langere onvoorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen dan reeds door hem in voorarrest doorgebracht.
6.3.
Het oordeel van de rechtbank
Na te melden straf is in overeenstemming met de ernst van de gepleegde feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en gegrond op de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan tijdens het onderzoek op de terechtzitting is gebleken.
De rechtbank neemt hierbij in het bijzonder het volgende in aanmerking.
Ernst van de feiten
Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het plegen van ernstige strafbare feiten. De rol van verdachte bestond eruit dat hij als tussenpersoon uitvoerders vond om verschillende – maatschappelijk ontwrichtende – misdrijven te plegen. Zo heeft verdachte in opdracht van onbekend gebleven derden met een automatisch wapen op klaarlichte dag laten schieten op een woonhuis, tweemaal gepoogd verschillende personen te laten ontvoeren en tweemaal een explosie bij een portiek veroorzaakt. Verdachte heeft steeds een aansturende rol gehad, waarbij hij op detailniveau doorgaf wat er moest gebeuren en ook meermaals faciliteerde dat de daarvoor benodigde spullen (waaronder het genoemde automatische wapen) aan de uitvoerders ter beschikking werden gesteld.
Voornoemde strafbare feiten werden gepleegd in de openbare ruimte met het doel om betrokken personen te intimideren en te bedreigen. Dit levert een ernstige verstoring van het veiligheidsgevoel van die personen op en heeft op hun leven een grote impact gehad, zo blijkt onder meer uit de toelichtingen op de vorderingen tot schadevergoeding. Er mag van geluk worden gesproken dat er bij de door verdachte gepleegde aanslagen geen dodelijke slachtoffers zijn gevallen. Daarnaast veroorzaken dit soort strafbare feiten in het algemeen sterke gevoelens van angst, onrust en onveiligheid en hebben op de direct omwonenden een grote impact.. De verdachte heeft zich bij zijn handelen niks aangetrokken van de nadelige gevolgen daarvan voor anderen en het voorzienbare gevaar voor letsel bij personen en voor schade aan woningen. Hij heeft zich enkel bekommerd om zijn eigen (financiële) belang.
Bovendien heeft de verdachte op zitting blijk gegeven van een opvallend nonchalante houding die tezamen ging met de weigering van verdachte om enige openheid van zaken te geven. Dat rekent de rechtbank de verdachte aan.
Strafblad
De rechtbank heeft kennisgenomen van het strafblad van de verdachte van 21 mei 2026, waaruit blijkt dat de verdachte eerder is veroordeeld voor geweldsfeiten.
Persoon van de verdachte
Er is geen reclasseringsadvies over de verdachte opgemaakt ten behoeve van de terechtzitting in deze zaak. Wel heeft de rechtbank kennisgenomen van een reclasseringsadvies van 29 november 2024, opgemaakt ten behoeve van een andere zaak. Uit dat advies volgt dat verdachte wat de reclassering betreft functioneert op (licht) verstandelijk beperkt niveau, impulsief handelt en zich gemakkelijk laat beïnvloeden door vrienden. Destijds werden de mogelijkheden voor effectieve interventies als uitgeput beschouwd, werd de responsiviteit van betrokkene als laag beoordeeld en het recidiverisico als hoog ingeschat. De rechtbank heeft geen reden om hier thans wezenlijk anders over te denken.
Straf
Gelet op wat hiervoor is overwogen, is de rechtbank van oordeel dat niet kan worden volstaan met een lichtere of andere sanctie dan een straf die onvoorwaardelijke vrijheidsbeneming van langere duur met zich brengt.
Bij de bepaling van de duur van de gevangenisstraf heeft de rechtbank acht geslagen op straffen die in soortgelijke zaken worden opgelegd. Mede gelet daarop zal de rechtbank de verdachte een iets lagere gevangenisstraf opleggen dan is geëist door de officieren van justitie. De rechtbank heeft daarbij ook meegewogen dat de verdachte jong (twintig jaar) was bij het plegen van de feiten en zich mogelijk heeft laten leiden door negatieve sociale invloeden. Alles afwegend acht de rechtbank een gevangenisstraf voor de duur van acht jaren passend en geboden.
Tenuitvoerlegging van de op te leggen gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat aan de verdachte voorwaardelijke invrijheidstelling wordt verleend als bedoeld in artikel 6:2:10 van Pro het Wetboek van Strafvordering.

7.De vorderingen van de benadeelde partijen / de schadevergoedingsmaatregelen

Dagvaarding I, feit 1, 3 en 4
[benadeelde 4] heeft zich als benadeelde partij gevoegd in het strafproces en vordert een schadevergoeding van € 27.408,76 te vermeerderen met de wettelijke rente. Dit bedrag bestaat uit € 25.908,76 aan materiële schade en € 1.500,- aan immateriële schade. Ter terechtzitting heeft de advocaat van de benadeelde partij verklaard dat door de VvE een bedrag van € 6.311,26 is uitgekeerd, hetgeen (vermoedelijk) ziet op herstelkosten van de woning.
[benadeelde 5] heeft zich als benadeelde partij gevoegd in het strafproces en vordert een schadevergoeding van € 1.500,- te vermeerderen met de wettelijke rente. Dit bedrag bestaat uit aan immateriële schade.
[benadeelde 6] heeft zich als benadeelde partij gevoegd in het strafproces en vordert een schadevergoeding van € 2.294,- te vermeerderen met de wettelijke rente. Dit bedrag bestaat uit € 1.294,- aan materiële schade en € 1.000,- aan immateriële schade.
[benadeelde 7] heeft zich als benadeelde partij gevoegd in het strafproces en vordert een schadevergoeding van € 3.116,92 te vermeerderen met de wettelijke rente. Dit bedrag bestaat uit € 2.116,92 aan materiële schade en € 1.000.- aan immateriële schade. Wat betreft de schadepost studievertraging ad € 21.600,- verzoekt de benadeelde partij de rechtbank haar niet-ontvankelijk te verklaren.
[benadeelde 8] heeft zich als benadeelde partij gevoegd in het strafproces en vordert een schadevergoeding van € 2.925,- te vermeerderen met de wettelijke rente. Dit bedrag bestaat uit € 1.925,- aan materiële schade en € 1.000,- aan immateriële schade.
Dagvaarding II, feit 13 en 14
[benadeelde 3] heeft zich als benadeelde partij gevoegd in het strafproces en vordert een schadevergoeding van € 7.731,97 te vermeerderen met de wettelijke rente. Dit bedrag bestaat uit € 4.930,43 aan materiële schade en € 2.801,54 aan immateriële schade.
7.1
Het standpunt van de officieren van justitie
[benadeelde 4]
De officieren van justitie hebben geconcludeerd tot gedeeltelijke en hoofdelijke toewijzing van de vordering van de benadeelde partij tot een bedrag van € 16.137.23 aan materiële schade en een bedrag van € 750,- aan immateriële schade en tot niet-ontvankelijkverklaring van de benadeelde partij voor het overige.
[benadeelde 5]
De officieren van justitie hebben geconcludeerd tot gedeeltelijke en hoofdelijke toewijzing van de vordering van de benadeelde partij tot een bedrag van € 750,- aan immateriële schade en tot niet-ontvankelijkverklaring van de benadeelde partij voor het overige.
[benadeelde 6]
De officieren van justitie hebben geconcludeerd tot gedeeltelijke en hoofdelijke toewijzing van de vordering van de benadeelde partij tot een bedrag van € 44,- aan materiële schade en een bedrag van € 750,- aan immateriële schade en tot niet-ontvankelijkverklaring van de benadeelde partij voor het overige.
[benadeelde 7]
De officieren van justitie hebben geconcludeerd tot gedeeltelijke en hoofdelijke toewijzing van de vordering van de benadeelde partij tot een bedrag van € 2.116,92 aan materiële schade en een bedrag van € 750,- aan immateriële schade en tot niet-ontvankelijkverklaring van de benadeelde partij voor het overige.
[benadeelde 8]
De officieren van justitie hebben geconcludeerd tot gedeeltelijke en hoofdelijke toewijzing van de vordering van de benadeelde partij tot een bedrag van € 385,- aan materiële schade en een bedrag van € 750,- aan immateriële schade en tot niet-ontvankelijkverklaring van de benadeelde partij voor het overige.
[benadeelde 3]
De officieren van justitie hebben geconcludeerd tot niet-ontvankelijkverklaring van de benadeelde partij.
7.2
Het standpunt van de verdediging
De verdediging heeft alle posten in de vorderingen van de benadeelde partijen gemotiveerd betwist.
7.3
Het oordeel van de rechtbank
Vordering van [benadeelde 4]
De rechtbank zal de benadeelde partij voor wat betreft het materiële deel van de vordering niet-ontvankelijk verklaren. Ter terechtzitting is de vordering door de verdediging voldoende gemotiveerd betwist en namens de benadeelde partij in dat licht onvoldoende onderbouwd. Tijdens de terechtzitting volgde de toelichting dat een deel van de kosten reeds door de VvE vergoed zijn. Het is onduidelijk welke posten uit de vordering reeds zijn vergoed en de vordering tot schadevergoeding roept mede hierom meerdere vragen op. Partijen de gelegenheid bieden om deze vragen te beantwoorden, zou een onevenredige belasting van het strafgeding opleveren. De benadeelde partij kan dit deel van de vordering daarom slechts bij de burgerlijke rechter aanbrengen.
Op grond van het dossier en het onderzoek ter terechtzitting kan worden vastgesteld dat de
benadeelde partij rechtstreeks immateriële schade heeft geleden door de bij dagvaarding I, onder 3 en 4 bewezen verklaarde feiten. Naar het oordeel van de rechtbank staat vast dat het blootgesteld worden aan dergelijke aanslagen bij de eigen woonomgeving zeer belastend is. De aard en de ernst van de door de verdachte gepleegde feiten brengen daarom mee dat de benadeelde partij recht heeft op een naar billijkheid vast te stellen vergoeding van immateriële schade aangezien de verdachte in de zin van artikel 6:106, eerste lid, aanhef sub a van het Burgerlijk Wetboek, het oogmerk had om zodanig nadeel toe te brengen. De rechtbank zal, gelet op de nu beschikbare onderbouwing van de vordering, de betwisting van de hoogte en vergelijkbare gevallen uit de rechtspraak, de immateriële schade van benadeelde naar billijkheid vaststellen op € 750,-. De rechtbank zal de benadeelde partij ten aanzien van het overige van de gevorderde immateriële schade niet-ontvankelijk verklaren.
De rechtbank bepaalt dat de benadeelde partij en verdachte ieder de eigen kosten dragen.
De rechtbank zal - gelet op het voorgaande - de vordering toewijzen tot een bedrag van € 750,- bestaande uit immateriële schade.
De rechtbank zal de gevorderde wettelijke rente toewijzen met ingang van 17 juli 2026, de datum van onderhavig vonnis.
Hoofdelijkheid
Omdat de verdachte de strafbare feiten ter zake waarvan schadevergoeding zal worden toegekend samen met mededaders heeft gepleegd, zijn zij daarvoor ieder hoofdelijk aansprakelijk. Daarbij geldt dat de verdachte, voor zover een van de mededaders een bedrag aan de benadeelde partij heeft betaald, dat deel van de schadevergoeding en/of proceskosten niet meer aan de benadeelde partij hoeft te betalen.
Schadevergoedingsmaatregel
De verdachte zal voor de bij dagvaarding I, onder 3 en 4 bewezen verklaarde strafbare feiten worden veroordeeld en hij is daarom tegenover de benadeelde partij aansprakelijk voor schade die door deze feiten aan hem is toegebracht. De rechtbank zal aan de verdachte hoofdelijk de verplichting opleggen om aan de Staat te betalen een bedrag van € 750,-, vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf 17 juli 2025 tot aan de dag dat dit bedrag is betaald, ten behoeve van [benadeelde 4] .
Vordering van [benadeelde 5]
Op grond van het dossier en het onderzoek ter terechtzitting kan worden vastgesteld dat de benadeelde partij rechtstreeks immateriële schade heeft geleden door de bij dagvaarding I, onder 3 en 4 bewezen verklaarde feiten. Naar het oordeel van de rechtbank staat vast dat het blootgesteld worden aan dergelijke aanslagen bij de eigen woonomgeving zeer belastend is. De aard en de ernst van de door de verdachte gepleegde feiten brengen daarom mee dat de benadeelde partij recht heeft op een naar billijkheid vast te stellen vergoeding van immateriële schade aangezien de verdachte in de zin van artikel 6:106, eerste lid, aanhef sub a van het Burgerlijk Wetboek, het oogmerk had om zodanig nadeel toe te brengen. De rechtbank zal, gelet op de nu beschikbare onderbouwing van de vorderingen, de betwisting van de hoogte en vergelijkbare gevallen uit de rechtspraak, de immateriële schade van benadeelde naar billijkheid vaststellen op € 750,-. De rechtbank zal de benadeelde partij ten aanzien van het overige van de gevorderde immateriële schade niet-ontvankelijk verklaren.
De rechtbank bepaalt dat de benadeelde partij en verdachte ieder de eigen kosten dragen.
De rechtbank zal - gelet op het voorgaande - de vordering toewijzen tot een bedrag van € 750,- bestaande uit immateriële schade.
De rechtbank zal de gevorderde wettelijke rente toewijzen met ingang van 17 juli 2026, de datum van onderhavig vonnis.
Hoofdelijkheid
Omdat de verdachte de strafbare feiten ter zake waarvan schadevergoeding zal worden toegekend samen met mededaders heeft gepleegd, zijn zij daarvoor ieder hoofdelijk aansprakelijk. Daarbij geldt dat de verdachte, voor zover een van de mededaders een bedrag aan de benadeelde partij heeft betaald, dat deel van de schadevergoeding en/of proceskosten niet meer aan de benadeelde partij hoeft te betalen.
Schadevergoedingsmaatregel
De verdachte zal voor de bij dagvaarding I, onder 3 en 4 bewezen verklaarde strafbare feiten worden veroordeeld en hij is daarom tegenover de benadeelde partij aansprakelijk voor schade die door deze feiten aan haar is toegebracht. De rechtbank zal aan de verdachte hoofdelijk de verplichting opleggen om aan de Staat te betalen een bedrag van € 750,-, vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf 17 juli 2025 tot aan de dag dat dit bedrag is betaald, ten behoeve van [benadeelde 5] .
Vordering van [benadeelde 6]
De rechtbank zal, voor zover de vordering betrekking heeft op de post “Gemiste inkomsten als gevolg van opnemen verlofdagen”, de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaren in de vordering. Dit deel van de vordering is namens de verdachte (gemotiveerd) betwist. Beoordeling van dit deel van de vordering levert een onevenredige belasting van het strafgeding op. De benadeelde partij kan dit deel van de vordering bij de burgerlijke rechter aanbrengen.
De vordering, voor zover deze betrekking heeft op de post “Gemaakte kosten in verband met huur auto ophalen eigen auto en wegbrengen [naam] ” ad € 44,-, is namens de benadeelde partij voldoende onderbouwd. Op grond van het dossier en het onderzoek ter terechtzitting kan worden vastgesteld dat de benadeelde partij rechtstreeks schade heeft geleden door de onder 3 en 4 bewezen verklaarde feiten, ter grootte van het gevorderde bedrag van € 44,-. Daarbij overweegt de rechtbank dat de schade niet zou zijn ontstaan, indien het schietincident niet zou hebben plaatsgevonden. Daarmee bestaat er een causaal verband tussen de gevorderde schade en de bewezen verklaarde feiten. De schade is naar het oordeel van de rechtbank ook in redelijkheid voorzienbaar en aan de verdachte toe te rekenen. Naar redelijkheid kan worden verwacht dat door een dergelijk heftig schietincident de politie veiligheidsmaatregelen zou nemen jegens het slachtoffer en de naasten van het slachtoffer. Er is aldus sprake van rechtstreeks geleden schade als bedoeld in artikel 51f Sv.
Op grond van het dossier en het onderzoek ter terechtzitting kan worden vastgesteld dat de benadeelde partij rechtstreeks immateriële schade heeft geleden door de bij dagvaarding I, onder 3 en 4 bewezen verklaarde feiten. Naar het oordeel van de rechtbank staat vast dat de aard en de ernst van de door de verdachte gepleegde feiten meebrengen dat de nadelige gevolgen daarvan zo voor de hand liggen dat voor de benadeelde partij kan worden aangenomen dat zij ‘op andere wijze’ in de persoon is aangetast, zoals bedoeld in artikel 6:106, aanhef en onder b, van het Burgerlijk Wetboek. De rechtbank zal, gelet op de nu beschikbare onderbouwing van de vorderingen, de betwisting van de hoogte en vergelijkbare gevallen uit de rechtspraak, de immateriële schade van benadeelde op dit moment naar billijkheid vaststellen op € 750,-.
De rechtbank zal de benadeelde partij voor het overige ten aanzien van de gevorderde immateriële schade niet-ontvankelijk verklaren.
De rechtbank zal - gelet op het voorgaande - de vordering toewijzen tot een bedrag van € 794,-, bestaande uit € 44,- aan materiële schade en € 750,- aan immateriële schade.
De rechtbank zal de gevorderde wettelijke rente toewijzen met ingang van 17 juli 2026, de datum van onderhavig vonnis.
Nu de vordering gedeeltelijk wordt toegewezen, zal de verdachte worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met de vordering heeft gemaakt. De rechtbank begroot deze kosten tot op heden op nihil. Daarnaast wordt de verdachte veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.
Hoofdelijkheid
Omdat de verdachte de strafbare feiten ter zake waarvan schadevergoeding zal worden
toegekend samen met mededaders heeft gepleegd, zijn zij daarvoor ieder hoofdelijk
aansprakelijk. Hetzelfde geldt voor de toegewezen proceskosten. Daarbij geldt dat de
verdachte, voor zover een van de mededaders een bedrag aan de benadeelde partij heeft
betaald, dat deel van de schadevergoeding en/of proceskosten niet meer aan de benadeelde
partij hoeft te betalen.
Schadevergoedingsmaatregel
De verdachte zal voor de bij dagvaarding I, onder 3 en 4 bewezenverklaarde strafbare feiten worden veroordeeld en hij is daarom tegenover de benadeelde partij aansprakelijk voor schade die door deze feiten aan haar is toegebracht. De rechtbank zal aan de verdachte hoofdelijk de verplichting opleggen om aan de Staat te betalen een bedrag van € 794,-, vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf 17 juli 2026 tot aan de dag dat dit bedrag is betaald, ten behoeve van [benadeelde 6] .
Vordering van [benadeelde 7]
De rechtbank zal, voor zover de vordering betrekking heeft op de post “Studievertraging”, de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaren in de vordering. Dit deel van de vordering is namens de verdachte voldoende gemotiveerd betwist en beoordeling van dit deel van de vordering levert een onevenredige belasting van het strafgeding op. De benadeelde partij kan dit deel van de vordering bij de burgerlijke rechter aanbrengen.
De vordering, voor zover deze betrekking heeft op de posten “Kosten therapie” ad € 1.819,- en “Reiskosten therapie” ad € 297,92, is namens de benadeelde partij voldoende onderbouwd. Op grond van het dossier en het onderzoek ter terechtzitting kan worden vastgesteld dat de benadeelde partij rechtstreeks schade heeft geleden door de bij dagvaarding I, onder 3 en 4 bewezen verklaarde feiten, ter grootte van het gevorderde bedrag. Daarbij verwijst de rechtbank naar hetgeen hiervoor is overwogen ten aanzien van de vordering van de benadeelde partij [benadeelde 6] over het causale verband tussen de bewezenverklaarde feiten en de schade, hetgeen ook geldt voor het causale verband tussen de bewezenverklaarde feiten en de onderhavige “kosten therapie” en “reiskosten therapie”.
Op grond van het dossier en het onderzoek ter terechtzitting kan worden vastgesteld dat de benadeelde partij rechtstreeks immateriële schade heeft geleden door de bij dagvaarding I, onder 3 en 4 bewezen verklaarde feiten. Gelet op wat namens de benadeelde partij ter toelichting op haar vordering is aangevoerd, zal de rechtbank de geleden immateriële schade naar billijkheid vaststellen op een bedrag van € 750,-. Ook hier verwijst de rechtbank naar hetgeen hiervoor is overwogen ten aanzien van de vordering van de benadeelde partij [benadeelde 6] . De rechtbank zal de benadeelde partij voor het overige ten aanzien van de gevorderde immateriële schade niet-ontvankelijk verklaren.
De rechtbank zal - gelet op het voorgaande - de vordering toewijzen tot een bedrag van € 2.866,92, bestaande uit € 2.116,92 aan materiële schade en € 750,- aan immateriële schade.
De rechtbank zal de gevorderde wettelijke rente toewijzen met ingang van 17 juli 2026, de datum van onderhavig vonnis.
Nu de vordering gedeeltelijk wordt toegewezen, zal de verdachte worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met de vordering heeft gemaakt. De rechtbank begroot deze kosten tot op heden op nihil. Daarnaast wordt de
verdachte veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.
Hoofdelijkheid
Omdat de verdachte de strafbare feiten ter zake waarvan schadevergoeding zal worden toegekend samen met mededaders heeft gepleegd, zijn zij daarvoor ieder hoofdelijk aansprakelijk. Hetzelfde geldt voor de toegewezen proceskosten. Daarbij geldt dat de verdachte, voor zover een van de mededaders een bedrag aan de benadeelde partij heeft betaald, dat deel van de schadevergoeding en/of proceskosten niet meer aan de benadeelde partij hoeft te betalen.
Schadevergoedingsmaatregel
De verdachte zal voor de bij dagvaarding I, onder 3 en 4 bewezen verklaarde strafbare feiten worden veroordeeld en hij is daarom tegenover de benadeelde partij aansprakelijk voor schade die door deze feiten aan haar is toegebracht. De rechtbank zal aan de verdachte hoofdelijk de verplichting opleggen om aan de Staat te betalen een bedrag van € 2.866,92,-, vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf 17 juli 2026 tot aan de dag dat dit bedrag is betaald, ten behoeve van [benadeelde 7] .
Vordering van [benadeelde 8]
De rechtbank zal, voor zover de vordering betrekking heeft op de posten “Kosten in verband
met opnemen verlof”, “Kosten vaccinatie uit voorzorg van langere periode safehouse”, “Gemaakte kosten in verband met aanschaf kleding tijdens periode in safehouse”, “Kosten in verband met laten reinigen van kleding” en “Gemiste inkomsten als gevolg van opnemen
verlofdagen”, de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaren in de vordering. Dit deel van
de vordering is namens de verdachte voldoende gemotiveerd betwist en beoordeling van dit deel van de vordering zou een onevenredige belasting van het strafgeding opleveren. De benadeelde partij kan dit deel van de vordering slechts bij de burgerlijke rechter aanbrengen.
De vordering, voor zover deze betrekking heeft op de post “Eigen risico 2025 in verband met therapie” ad € 385,- is namens de benadeelde partij voldoende onderbouwd. Op grond van het dossier en het onderzoek ter terechtzitting kan dan ook worden vastgesteld dat de benadeelde partij rechtstreeks schade heeft geleden door de onder 3 en 4 bewezen verklaarde feiten, ter grootte van het gevorderde bedrag. Daarbij verwijst de rechtbank naar hetgeen hiervoor is overwogen ten aanzien van de vordering van de benadeelde partij [benadeelde 6] over het causale verband tussen de bewezen verklaarde feiten en de schade.
Op grond van het dossier en het onderzoek ter terechtzitting kan worden vastgesteld dat de benadeelde partij rechtstreeks immateriële schade heeft geleden door de bij dagvaarding I, onder 3 en 4 bewezen verklaarde feiten. Gelet op wat namens de benadeelde partij ter toelichting op haar vordering is aangevoerd, zal de rechtbank de geleden immateriële schade naar billijkheid vaststellen op een bedrag van € 750,-. Ook hier verwijst de rechtbank naar hetgeen hiervoor is overwogen ten aanzien van de vordering van de benadeelde partij [benadeelde 6] . De rechtbank zal de benadeelde partij voor het overige ten aanzien van de gevorderde immateriële schade niet-ontvankelijk verklaren.
De rechtbank zal - gelet op het voorgaande - de vordering toewijzen tot een bedrag van € 1.135,-, bestaande uit € 385,- aan materiële schade en € 750,- aan immateriële schade.
De rechtbank zal de gevorderde wettelijke rente toewijzen met ingang van 17 juli 2026, de datum van onderhavig vonnis.
Nu de vordering gedeeltelijk wordt toegewezen, zal de verdachte worden veroordeeld in de
kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met de vordering heeft
gemaakt. De rechtbank begroot deze kosten tot op heden op nihil. Daarnaast wordt de
verdachte veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij voor de tenuitvoerlegging van
deze uitspraak nog moet maken.
Hoofdelijkheid
Omdat de verdachte de strafbare feiten ter zake waarvan schadevergoeding zal worden
toegekend samen met mededaders heeft gepleegd, zijn zij daarvoor ieder hoofdelijk
aansprakelijk. Hetzelfde geldt voor de toegewezen proceskosten. Daarbij geldt dat de
verdachte, voor zover een van de mededaders een bedrag aan de benadeelde partij heeft
betaald, dat deel van de schadevergoeding en/of proceskosten niet meer aan de benadeelde
partij hoeft te betalen.
Schadevergoedingsmaatregel
De verdachte zal voor de bij dagvaarding I, onder 3 en 4 bewezenverklaarde strafbare feiten worden veroordeeld en hij is daarom tegenover de benadeelde partij aansprakelijk voor schade die door deze feiten aan haar is toegebracht. De rechtbank zal aan de verdachte hoofdelijk de verplichting opleggen om aan de Staat te betalen een bedrag van € 1.135,-, vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf 17 juli 2026 tot aan de dag dat dit bedrag is betaald, ten behoeve van [benadeelde 8] .
Vordering van [benadeelde 3]
De verdachte zal worden vrijgesproken van de bij dagvaarding II, onder 13 en 14 ten laste gelegde feiten. Gelet hierop bepaalt de rechtbank dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk is in haar vordering.
Dit brengt mee dat de benadeelde partij moet worden veroordeeld in de kosten die de verdachte tot aan deze uitspraak in verband met zijn verdediging tegen die vordering heeft moeten maken. De rechtbank begroot deze kosten tot op heden op nihil.

8.De in beslag genomen voorwerpen

8.1.
De vordering van de officieren van justitie
De officieren van justitie hebben gevorderd dat de op de beslaglijst onder 2, 3 en 4 genoemde voorwerpen zullen worden verbeurd verklaard en dat het onder 1 genoemde geldbedrag zal worden teruggegeven aan de verdachte.
8.2.
Het standpunt van de verdediging
De verdediging heeft geen standpunt ingenomen.
8.3.
Het oordeel van de rechtbank
De rechtbank zal de op de beslaglijst onder 2, 3 en 4 genoemde voorwerpen (te weten: een telefoon met voorwerpnummer 856888, een telefoon met voorwerpnummer 856889 en een telefoon met voorwerpnummer 856890) verbeurd verklaren. Deze voorwerpen zijn voor verbeurdverklaring vatbaar aangezien deze voorwerpen aan verdachte toebehoren en met behulp van deze voorwerpen de bewezen verklaarde feiten zijn begaan of voorbereid. Bij de vaststelling van deze bijkomende straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de draagkracht van verdachte.
Nu het belang van strafvordering zich daartegen niet verzet, zal de rechtbank de teruggave aan de verdachte gelasten van het op de beslaglijst onder 1 genoemde voorwerp (te weten: een geldbedrag van € 400,- met voorwerpnummer 856802).

9.De vordering tot tenuitvoerlegging

9.1.
De vordering van de officieren van justitie
De officieren van justitie hebben bij vordering van 2 juli 2026 gevorderd dat de bij parketnummer 23/000799-22 door het gerechtshof te Amsterdam op 23 december 2022 voorwaardelijke opgelegde straf van 270 dagen jeugddetentie ten uitvoer wordt gelegd wegens niet naleven van de algemene voorwaarden.
9.2.
Het standpunt van de verdediging
De verdediging heeft de rechtbank verzocht om de vordering af te wijzen.
9.3.
Het oordeel van de rechtbank
De hierboven onder 3.7 bewezen verklaarde feiten zijn voor het einde van de proeftijd gepleegd. Door het plegen van deze feiten heeft de verdachte de aan het arrest verbonden algemene voorwaarde overtreden. In beginsel kan daarom de tenuitvoerlegging van de voorwaardelijk opgelegde straf worden gelast. De rechtbank acht de tenuitvoerlegging van de voorwaardelijke straf in de gegeven omstandigheden echter niet opportuun aangezien zij een lange onvoorwaardelijke gevangenisstraf aan de verdachte zal opleggen. De rechtbank wijst de vordering tot tenuitvoerlegging dan ook af.

10.De toepasselijke wetsartikelen

De op te leggen straf en maatregelen zijn gegrond op de artikelen:
- 33, 33 a, 36f, 45, 47, 55, 57, 60, 141, 157, 282, 285 en 350 van het Wetboek van Strafrecht;
- 26 en 55 van de Wet wapens en munitie.
Deze voorschriften zijn toegepast zoals zij ten tijde van het bewezen verklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van deze uitspraak rechtens gelden.

11.De beslissing

De rechtbank:
verklaart niet wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte de bij dagvaarding I, onder 1 en de bij dagvaarding II, onder 7, 8, 9, 13 en 14 ten laste gelegde feiten heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij;
verklaart wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte de bij dagvaarding I, onder 2, 3, 4 en de bij dagvaarding II onder 1, 2, 3, 4, 5, 6, 10, 11, 12 ten laste gelegde feiten heeft begaan, zoals hierboven onder 3.7 bewezen is verklaard;
verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;
verklaart het bewezen verklaarde strafbaar en dat het bewezen verklaarde uitmaakt:
t.a.v. dagvaarding I, feit 2:
medeplegen van handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met betrekking tot een vuurwapen van
categorie II;
t.a.v. dagvaarding I, feit 3 en 4:
de eendaadse samenloop van
medeplegen van bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht en met zware mishandeling
en
medeplegen van opzettelijk en wederrechtelijk enig goed dat geheel of ten dele aan een ander toebehoort, beschadigen
t.a.v. dagvaarding II, feit 1, 2, 3:
de eendaadse samenloop van
medeplegen van opzettelijk een ontploffing teweegbrengen, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen en levensgevaar en gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander te duchten is
en
medeplegen van bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht en met zware mishandeling
en
medeplegen van opzettelijk en wederrechtelijk enig goed dat geheel of ten dele aan een ander toebehoort, vernielen en beschadigen
t.a.v. dagvaarding II, feit 4, 5, 6:
de eendaadse samenloop van
medeplegen van opzettelijk een ontploffing teweegbrengen, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen te duchten is
en
medeplegen van bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht en met zware mishandeling
en
medeplegen van opzettelijk en wederrechtelijk enig goed dat geheel of ten dele aan een ander toebehoort, beschadigen
t.a.v. dagvaarding II, feit 10:
medeplegen van poging tot opzettelijk iemand wederrechtelijk van de vrijheid beroven en beroofd houden
t.a.v. dagvaarding II, feit 11 en 12:
de eendaadse samenloop van
medeplegen van poging tot opzettelijk iemand wederrechtelijk van de vrijheid beroven en beroofd houden
en
openlijk in vereniging geweld plegen tegen personen
verklaart de verdachte daarvoor strafbaar;
veroordeelt de verdachte tot:
een gevangenisstraf voor de duur van
8 (ACHT) JAREN;
bepaalt dat de tijd door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging de hem opgelegde gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht;
de vordering van de benadeelde partij [benadeelde 4] (dagvaarding I, feiten 3 en 4);
wijst de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij deels toe tot een bedrag van € 750,- en veroordeelt de verdachte hoofdelijk om dit bedrag, vermeerderd met de gevorderde wettelijke rente daarover vanaf 17 juli 2026 tot de dag waarop deze vordering is betaald, te betalen aan [benadeelde 4] ;
bepaalt dat de benadeelde partij ten aanzien van de gevorderde materiële schade niet-ontvankelijk is in de vordering tot schadevergoeding en dat de benadeelde partij dit deel van de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen;
bepaalt dat de benadeelde partij ten aanzien van de gevorderde immateriële schade voor het overige niet-ontvankelijk is in de vordering tot schadevergoeding;
bepaalt dat de benadeelde partij en verdachte ieder de eigen kosten dragen;
bepaalt dat als een van de mededaders de toegewezen schadevergoeding deels of geheel aan de benadeelde partij heeft betaald de verdachte niet meer verplicht is om dat deel te betalen of te voldoen;
legt aan de verdachte hoofdelijk op de verplichting om aan de Staat te betalen een bedrag van € 750,-, vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf 17 juli 2026 tot aan de dag dat dit bedrag is betaald, ten behoeve van [benadeelde 4] ;
bepaalt dat als het verschuldigde bedrag niet volledig wordt betaald of kan worden verhaald, gijzeling kan worden toegepast voor de duur van 7 dagen; de toepassing van gijzeling heft de hiervoor opgelegde betalingsverplichting niet op;
bepaalt dat gehele of gedeeltelijke betaling van het verschuldigde bedrag aan de benadeelde partij de betalingsverplichting aan de Staat in zoverre doet vervallen, en dat gehele of gedeeltelijke betaling van het verschuldigde bedrag aan de Staat de betalingsverplichting aan de benadeelde partij in zoverre doet vervallen;
de vordering van de benadeelde partij [benadeelde 5] (dagvaarding I, feiten 3 en 4)
wijst de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij deels toe tot een bedrag van € 750,- en veroordeelt de verdachte hoofdelijk om dit bedrag, vermeerderd met de gevorderde wettelijke rente daarover vanaf 17 juli 2026 tot de dag waarop deze vordering is betaald, te betalen aan [benadeelde 5] ;
bepaalt dat de benadeelde partij ten aanzien van de gevorderde immateriële schade voor het overige niet-ontvankelijk is in de vordering tot schadevergoeding;
bepaalt dat de benadeelde partij en verdachte ieder de eigen kosten dragen;
bepaalt dat als een van de mededaders de toegewezen schadevergoeding deels of geheel aan de benadeelde partij heeft betaald de verdachte niet meer verplicht is om dat deel te betalen of te voldoen;
legt aan de verdachte hoofdelijk op de verplichting om aan de Staat te betalen een bedrag van € 750,-, vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf 17 juli 2026 tot aan de
dag dat dit bedrag is betaald, ten behoeve van [benadeelde 5] ;
bepaalt dat als het verschuldigde bedrag niet volledig wordt betaald of kan worden verhaald, gijzeling kan worden toegepast voor de duur van 7 dagen; de toepassing van gijzeling heft de hiervoor opgelegde betalingsverplichting niet op;
bepaalt dat gehele of gedeeltelijke betaling van het verschuldigde bedrag aan de benadeelde partij de betalingsverplichting aan de Staat in zoverre doet vervallen, en dat gehele of gedeeltelijke betaling van het verschuldigde bedrag aan de Staat de betalingsverplichting aan de benadeelde partij in zoverre doet vervallen;
de vordering van de benadeelde partij [benadeelde 6] (dagvaarding I, feiten 3 en 4)
wijst de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij deels toe tot een bedrag van € 794,- (waarvan € 44,- materiële en € 750,- immateriële schadevergoeding) en veroordeelt de verdachte hoofdelijk om dit bedrag, vermeerderd met de gevorderde wettelijke rente daarover vanaf 17 juli 2026 tot de dag waarop deze vordering is betaald, te betalen aan [benadeelde 6] ;
bepaalt dat de benadeelde partij ten aanzien van de gevorderde materiële schade voor het overige niet-ontvankelijk is in de vordering tot schadevergoeding en dat de benadeelde partij dit deel van de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen;
bepaalt dat de benadeelde partij ten aanzien van de gevorderde immateriële schade voor het overige niet-ontvankelijk is in de vordering tot schadevergoeding;
veroordeelt de verdachte tevens hoofdelijk in de proceskosten van de benadeelde partij, begroot op nihil, en de kosten die ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog gemaakt moeten worden;
bepaalt dat als een van de mededaders de toegewezen schadevergoeding deels of geheel aan de benadeelde partij heeft betaald de verdachte niet meer verplicht is om dat deel te betalen of te voldoen;
legt aan de verdachte hoofdelijk op de verplichting om aan de Staat te betalen een bedrag van € 794,-, vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf 17 juli 2026 tot aan de dag dat dit bedrag is betaald, ten behoeve van [benadeelde 6] ;
bepaalt dat als het verschuldigde bedrag niet volledig wordt betaald of kan worden verhaald, gijzeling kan worden toegepast voor de duur van 7 dagen; de toepassing van gijzeling heft de hiervoor opgelegde betalingsverplichting niet op;
bepaalt dat gehele of gedeeltelijke betaling van het verschuldigde bedrag aan de benadeelde partij de betalingsverplichting aan de Staat in zoverre doet vervallen, en dat gehele of gedeeltelijke betaling van het verschuldigde bedrag aan de Staat de betalingsverplichting aan de benadeelde partij in zoverre doet vervallen;
de vordering van de benadeelde partij [benadeelde 7] (dagvaarding I, feiten 3 en 4)
wijst de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij deels toe tot een bedrag van € 2.866,92 (waarvan € 2.116,92 materiële en € 750,- immateriële schadevergoeding) en veroordeelt de verdachte hoofdelijk om dit bedrag, vermeerderd met de gevorderde wettelijke rente daarover vanaf 17 juli 2026 tot de dag waarop deze vordering is betaald, te betalen aan [benadeelde 7] ;
bepaalt dat de benadeelde partij ten aanzien van de gevorderde materiële schade voor het overige niet-ontvankelijk is in de vordering tot schadevergoeding en dat de benadeelde partij dit deel van de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen;
bepaalt dat de benadeelde partij ten aanzien van de gevorderde immateriële schade voor het overige niet-ontvankelijk is in de vordering tot schadevergoeding;
veroordeelt de verdachte tevens hoofdelijk in de proceskosten van de benadeelde partij, begroot op nihil, en de kosten die ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog gemaakt moeten worden;
bepaalt dat als een van de mededaders de toegewezen schadevergoeding deels of geheel aan
de benadeelde partij heeft betaald de verdachte niet meer verplicht is om dat deel te betalen
of te voldoen;
legt aan de verdachte hoofdelijk op de verplichting om aan de Staat te betalen een bedrag van € 2.866,92 vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf 17 juli 2026 tot aan de dag dat dit bedrag is betaald, ten behoeve van [benadeelde 7] ;
bepaalt dat als het verschuldigde bedrag niet volledig wordt betaald of kan worden verhaald, gijzeling kan worden toegepast voor de duur van 28 dagen; de toepassing van gijzeling heft de hiervoor opgelegde betalingsverplichting niet op;
bepaalt dat gehele of gedeeltelijke betaling van het verschuldigde bedrag aan de benadeelde partij de betalingsverplichting aan de Staat in zoverre doet vervallen, en dat gehele of gedeeltelijke betaling van het verschuldigde bedrag aan de Staat de betalingsverplichting aan de benadeelde partij in zoverre doet vervallen;
de vordering van de benadeelde partij [benadeelde 8] (dagvaarding I, feiten 3 en 4)
wijst de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij deels toe tot een bedrag van € 1.135,- (waarvan € 385,- materiële en € 750,- immateriële schadevergoeding) en veroordeelt de verdachte hoofdelijk om dit bedrag, vermeerderd met de gevorderde wettelijke rente daarover vanaf 17 juli 2026 tot de dag waarop deze vordering is betaald, te betalen aan [benadeelde 8] ;
bepaalt dat de benadeelde partij ten aanzien van de gevorderde materiële schade voor het overige niet-ontvankelijk is in de vordering tot schadevergoeding en dat de benadeelde partij dit deel van de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen;
bepaalt dat de benadeelde partij ten aanzien van de gevorderde immateriële schade voor het overige niet-ontvankelijk is in de vordering tot schadevergoeding;
veroordeelt de verdachte tevens hoofdelijk in de proceskosten van de benadeelde partij, begroot op nihil, en de kosten die ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog gemaakt moeten worden;
bepaalt dat als een van de mededaders de toegewezen schadevergoeding deels of geheel aan de benadeelde partij heeft betaald de verdachte niet meer verplicht is om dat deel te betalen of te voldoen;
legt aan de verdachte hoofdelijk op de verplichting om aan de Staat te betalen een bedrag van € 1.135,- vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf 17 juli 2026 tot aan de dag dat dit bedrag is betaald, ten behoeve van [benadeelde 8] ;
bepaalt dat als het verschuldigde bedrag niet volledig wordt betaald of kan worden verhaald, gijzeling kan worden toegepast voor de duur van 11 dagen; de toepassing van gijzeling heft de hiervoor opgelegde betalingsverplichting niet op;
bepaalt dat gehele of gedeeltelijke betaling van het verschuldigde bedrag aan de benadeelde partij de betalingsverplichting aan de Staat in zoverre doet vervallen, en dat gehele of gedeeltelijke betaling van het verschuldigde bedrag aan de Staat de betalingsverplichting aan de benadeelde partij in zoverre doet vervallen;
de vordering van de benadeelde partij [benadeelde 3]
bepaalt dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk is in de vordering tot schadevergoeding;
veroordeelt de benadeelde partij in de kosten door de verdachte ter verdediging tegen de vordering gemaakt, tot op heden begroot op nihil;
de in beslag genomen goederen
verklaart verbeurd de op de beslaglijst onder 2, 3 en 4 genoemde voorwerpen, te weten:
  • 1 STK Telefoontoestel (Omschrijving: DHRAB24002_856888);
  • 1 STK Telefoontoestel (Omschrijving: DHRAB24002_856889);
  • 1 STK Telefoontoestel (Omschrijving: DHRAB24002_856890);
gelast de teruggave aan C.J. Gambier van het op de beslaglijst onder 1 genoemde voorwerp, te weten:
400,00 EUR (Omschrijving: DHRAB24002_856802);
de vordering tenuitvoerlegging
wijst af de vordering tot tenuitvoerlegging met parketnummer 23/000799-22.
Dit vonnis is gewezen door
mr. P. van Essen, voorzitter,
mr. J.R.K.A.M. Waasdorp, rechter,
mr. N. Hengeveld, rechter,
in tegenwoordigheid van mr. F.A.M. Schuijt, griffier,
en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank van 17 juli 2026.
Bijlage I
Tekst tenlastelegging
09/156377-25 (Dagvaarding I)
1
hij op of omstreeks 10 oktober 2024 te Alphen aan den Rijn , in ieder geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk en met voorbedachten rade een of meer personen die zich bevond(en) op straat en/of in de directe omgeving en/of in (een van) de woning(en) op de/het adres(sen) [adres 1] en/of [adres 2] van het leven te beroven, met een (automatisch) vuurwapen meermalen, althans eenmaal, op, althans in de richting van die woning(en) heeft geschoten, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
2
hij op of omstreeks 10 oktober 2024 te Alphen aan den Rijn , in ieder geval in Nederland,
tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, een vuurwapen van categorie II van de Wet wapens en munitie, te weten een AK74, voorhanden heeft gehad;
3
hij op of omstreeks 10 oktober 2024 te Alphen aan den Rijn , in ieder geval in Nederland,
tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, [benadeelde 4] en/of een of meerdere (andere) perso(o)n(en) heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht en/of met zware mishandeling,
- door meermalen, althans eenmaal, met een (automatisch) (vuur)wapen op/richting (een) woning(en) (te weten de woning(en) [adres 1] en/of [adres 2] ) te schieten en/of
- zich met een (automatisch) wapen op de openbare weg te gegeven, terwijl een of meerdere perso(o)n(en) zich in de directe nabijheid daarvan bevonden en/of
- met een (automatisch) (vuur)wapen voor voornoemde woning(en) (te weten [adres 1] en/of [adres 2] ) plaats te nemen en/of (vervolgens) dat (automatische) (vuur)wapen te richten op die woning(en) en/of (vervolgens) dat (automatische) (vuur)wapen door te laden, terwijl een of meerdere perso(o)n(en) zich in de directe nabijheid daarvan bevonden;
4
hij op of omstreeks 10 oktober 2024 te Alphen aan den Rijn , in ieder geval in Nederland,
tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk en wederrechtelijk (een) woning(en) (te weten [adres 1] en/of [adres 2] ), in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [benadeelde 4] en/of één of meerdere andere perso(o)n(en), in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s), heeft vernield en/of beschadigd en/of onbruikbaar gemaakt door toen en daar opzettelijk en wederrechtelijk meermalen, althans eenmaal, met een (automatisch) (vuur)wapen op voornoemd pand te schieten;
09/293227-25 (Dagvaarding II)
1
Zaaksdossier: [adressen 3]
hij op of omstreeks 15 mei 2025 te Rotterdam, in ieder geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, opzettelijk een ontploffing teweeg heeft gebracht (na)bij een woning gelegen aan de [adres 7] , door een explosief voorwerpen en/of en/of (fles met) brandbare (vloei)stof, althans een explosieve en/of brandbare substantie, voor/tegen het portiek [adressen 3] , althans in de directe nabijheid van een woning gelegen [adres 7] , in contact te brengen met open vuur, waardoor dit explosief aldaar tot ontploffing kwam, terwijl daarvan gemeen gevaar voor
- ( delen van) die woning(en) en/of (delen van) (een) omliggende pand(en) en/of voor in voornoemde woning(en) en/of omliggende panden en/of omgeving aanwezige goederen, in elk geval gemeen gevaar voor goederen en/of
- levensgevaar voor de in die woning(en) aanwezige perso(o)n(en) en/of voor in (een) omliggende pand(en) aanwezige perso(o)n(en) en/of voor in de omgeving aanwezige perso(o)n(en), in elk geval levensgevaar voor een ander of anderen en/of
- gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor de in die woning aanwezige perso(o)n(en) en/of voor in (een) omliggende pand(en) en/of in de omgeving aanwezige perso(o)n(en), in elk geval gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander of anderen, te duchten was;
2
hij op of omstreeks 15 mei 2025 te Rotterdam, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, een of meer bewoner(s) van de woning(en) gelegen aan de [adressen 3] , althans een of meer perso(o)n(en), heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, en/of met zware mishandeling, door nabij het pand/die panden een ontploffing teweeg te brengen;
3
hij op of omstreeks 15 mei 2025 te Rotterdam tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen opzettelijk en wederrechtelijk (een) woning(en), althans de toegangsdeur en/of (delen van) het portiek gelegen [adressen 3] en/of een muur behorende bij het pand, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan Woonstad
Rotterdam, in elk geval aan een ander toebehoorde(n) heeft vernield, beschadigd en/of onbruikbaar gemaakt en/of weggemaakt, door bij het portiek een ontploffing teweeg te brengen en/of verf op een muur aan te brengen;
4
Zaaksdossier: [adressen 4]
hij in of omstreeks de periode van 20 mei 2025 tot en met 21 mei 2025 te Rotterdam,
in ieder geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, opzettelijk een ontploffing teweeg heeft gebracht (na)bij woning(en) gelegen [adressen 4] , door een cobra en/of een fles met benzine, althans een brandbare (vloei)stof en/of explosieve en/of brandbare substantie, in de directe nabijheid van het portiek gelegen [adres 8] in contact te brengen met open vuur, waardoor dit
explosief aldaar tot ontploffing is gekomen, terwijl daarvan gemeen gevaar voor
- ( delen van) die woning(en) en/of omliggende pand(en) en/of voor de in die woning(en) en/of omliggende pand(en) en/of omgeving aanwezige goederen, in elk geval gemeen gevaar voor goederen en/of
- levensgevaar voor de in die woning(en) aanwezige perso(o)n(en) en/of omliggend(e) pand(en) aanwezige perso(o)n(en) en/of voor de in de omgeving aanwezige perso(o)n(en), in elk geval levensgevaar voor een ander of anderen en/of
- gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor de in die woning(en) aanwezige perso(o)n(en) en/of voor in (een) omliggende pand(en) aanwezige perso(o)n(en) en/of voor de in de omgeving aanwezige perso(o)n(en), in elk geval gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander of anderen, te duchten was;
5
hij in of omstreeks de periode van 20 mei 2025 tot en met 21 mei 2025 te Rotterdam, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, een of meer bewoner(s) van de woning(en) gelegen aan de [adressen 4] , althans een of meer perso(o)n(en), heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, en/of met zware mishandeling, door nabij dat pand/die panden een ontploffing teweeg te brengen;
6
hij in of omstreeks de periode van 20 mei 2025 tot en met 21 mei 2025 te Rotterdam,
tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen opzettelijk en wederrechtelijk (een) woning(en) gelegen aan de [adressen 4] , althans het portiek en/of gevel behorende bij die woning(en), in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan een bewoner(s) van dat pand/die panden, in elk geval aan een ander toebehoorde(n) heeft vernield, beschadigd en/of onbruikbaar gemaakt en/of weggemaakt, door een onploffing teweeg te brengen en/of verf op de gevel van het/de pand(en) aan te
brengen;
7
Zaaksdossier: [adres 5]
hij op of omstreeks 26 oktober 2024 te Hoofddorp, gemeente Haarlemmermeer, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, opzettelijk een ontploffing teweeg heeft gebracht,
- door motorbenzine en/of cobra, althans een brandbare (vloei)stof en/of explosieve substantie, bij de deur of in de directe nabijheid van het pand [adres 5] , in contact te brengen met open vuur, waardoor dit explosief aldaar tot ontploffing kwam en/of (vervolgens)
- een vuurwerk en brandstofcombinatie in het pand te brengen/plaatsen en tot ontploffing te brengen, terwijl daarvan
- gemeen gevaar voor het voornoemde pand ( [adres 5] ) en/of omringende panden en/of de in het voornoemde pand en/of de omringende panden en/of omgeving aanwezige goederen, en/of
- levensgevaar voor de in het pand aanwezige perso(o)n(en) en/of in omliggend(e) pand(en) en/of omgeving aanwezige perso(o)n(en), in elk geval levensgevaar voor een ander of anderen en/of
- gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor de in dat pand ( [adres 5] ) aanwezige personen en/of de in de omringende panden en/of omgeving aanwezige personen, in elk geval gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander of anderen,
te duchten was;
8
hij op of omstreeks 26 oktober 2024 te Hoofddorp, gemeente Haarlemmermeer, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, [benadeelde 2] en/of een of meerdere (andere) perso(o)n(en) heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, en/of met zware mishandeling, door door motorbenzine en/of cobra, althans een brandbare (vloei)stof en/of explosieve substantie, voor de deur van een pand gelegen [adres 5] te plaatsen en/of (vervolgens) te ontbranden, waardoor deze explosieve/brandbare substantie tot
ontploffing is gebracht en/of (vervolgens) een explosieve en/of brandbare substantie in het pand tot ontploffing te brengen;
9
hij op of omstreeks 26 oktober 2024 te Hoofddorp, gemeente Haarlemmermeer tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen opzettelijk en wederrechtelijk een pand gelegen [adres 5] en/of de in voornoemd pand aanwezige goederen, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan [benadeelde 2] , in elk geval aan een ander toebehoorde(n) heeft vernield, beschadigd en/of onbruikbaar gemaakt en/of weggemaakt, door bij en/of in het pand een ontploffing teweeg te brengen;
10
Zaaksdossier: [adres 9]
hij op één of meerdere tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 16 december 2024 tot en met 3 januari 2025 te Delft, althans één of meer plaats(en) in Nederland, tezamen en in vereniging met een (of meer) ander(en), ter uitvoering van het door hem en zijn mededader(s) voorgenomen misdrijf om tezamen en in vereniging opzettelijk één of meer bewoner(s) en/of aanwezige personen van/of op het adres [adres 9] wederrechtelijk van de vrijheid te beroven en/of beroofd te houden,
- de opdracht heeft uitgezet en/of (een) chauffeur(s) en/of uitvoerder(s) en/of (een) voertuig(en) heeft/hebben geregeld en/of
- instructies en/of inlichtingen (al dan niet per telefoon) geeft aan één of meerder (mede)daders en/of uitvoerders en/of daarmee contact heeft onderhouden en/of
- heeft/hebben gepost en/of hebben geobserveerd nabij de woning [adres 9] om te kijken of bepaalde personen thuis waren en/of
- een (nep)bestelling bij Donerking heeft/hebben geplaatst om (vervolgens) te trachten voornoemde woning binnen te komen en/of
- afbeeldingen en/of filmpjes van de woning [adres 9] heeft/hebben gemaakt en/of (door)gestuurd en/of het betreffende adres opgezocht, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
11
hij in of omstreeks de periode van 1 januari 2025 tot en met 2 januari 2025 te Delft, althans één of meer plaats(en) in Nederland, tezamen en in vereniging met een (of meer) ander(en), ter uitvoering van het door hem en zijn mededader(s) voorgenomen misdrijf om tezamen en in vereniging opzettelijk [benadeelde 1] wederrechtelijk van de vrijheid te beroven en/of beroofd te houden,
- die [benadeelde 1] met behulp van een peilbaken, althans een plaatsbepaler heeft/hebben gevolgd en/of gedurende langere periode heeft/hebben gepost in de omgeving van die [benadeelde 1] en/of
- gehuld in een bivakmuts en/of in bezit van een of meerdere (al dan niet gelijkende) (vuur)wapen(s) die [benadeelde 1] heeft/hebben opgewacht en/of overmeesterd en/of
- die [benadeelde 1] (meermalen) met een (vuur)wapen, althans een (hard) voorwerp, op het hoofd en/of het lichaam heeft/hebben geslagen en/of tegen het lichaam heeft/hebben geschopt en/of
- getracht heeft/hebben die [benadeelde 1] (met geweld) in een voertuig te trekken/plaatsen en/of
- voornemens was/waren die [benadeelde 1] in dat voertuig vast te houden en/of in dat voertuig uit te kleden en/of te martelen, waarbij de uitvoerders een voertuig met laadruimte meehadden waarin transparante plastic handschoenen, tiewraps, vleesmes en/of vuurwapen althans diverse goederen aanwezig waren en/of
- die [benadeelde 1] naar een pand te brengen en/of aldaar vast te houden, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
12
hij op of omstreeks 2 januari 2025 te Delft openlijk, te weten op [adres 9] , in elk geval op of aan de openbare weg en/of op een voor het publiek toegankelijke plaats,
in vereniging geweld heeft gepleegd tegen [benadeelde 1] , door die [benadeelde 1] meermalen, althans eenmaal, met een vuurwapen, althans een (hard) voorwerp, op/tegen het hoofd, althans het lichaam te slaan en/of die [benadeelde 1] te overmeesteren en/of te belagen en/of tegen het lichaam te schoppen en/of aan/tegen het lichaam te trekken en/of te duwen;
13
Zaaksdossier: [adres 6]
hij op of omstreeks 13 april 2025 te Geldrop, gemeente Geldrop-Mierlo, in ieder geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, [benadeelde 3] en/of een of meerdere (andere) perso(o)n(en) heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht en/of met zware mishandeling, door meermalen, althans eenmaal, met een vuurwapen op/richting een woning ( [adres 6] ) te schieten en/of een handgranaat, althans een explosief in de tuin/omgeving van voornoemde woning te plaatsen en/of een tekst op een muur van de woning aan te brengen;
14
hij op of omstreeks 13 april 2025 te Geldrop, gemeente Geldrop-Mierlo, in ieder geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk en
wederrechtelijk een woning (gelegen [adres 6] ), in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [benadeelde 3] en/of één of meerdere andere perso(o)n(en), in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s), heeft vernield en/of beschadigd en/of onbruikbaar gemaakt door meermalen met een vuurwapen op voornoemde woning te schieten en/of een handgranaat, althans explosief in de tuin en/of omgeving van voornoemde woning te plaatsen en/of verf aan te brengen op een muur behorende bij voornoemde woning.