ECLI:NL:RBDHA:2026:1971

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
30 januari 2026
Publicatiedatum
6 februari 2026
Zaaknummer
NL26.3267
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 59a Vreemdelingenwet 2000Art. 5.1b VreemdelingenbesluitDublinverordening
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep tegen maatregel van bewaring in vreemdelingenrecht ongegrond verklaard

De minister van Asiel en Migratie legde op 17 januari 2026 aan eiser een maatregel van bewaring op vanwege een concreet aanknopingspunt voor overdracht op grond van de Dublinverordening en het risico dat eiser zich aan toezicht zou onttrekken.

Eiser voerde aan dat de minister onvoldoende voortvarend was in de overdracht naar Duitsland, aangezien de Duitse autoriteiten het claimverzoek al op 13 november 2025 hadden geaccepteerd en de overdracht pas op 29 januari 2026 gepland stond.

De rechtbank oordeelde dat de minister voldoende voortvarend had gehandeld, gezien de maatregel pas op 17 januari werd opgelegd, het vertrekgesprek op 20 januari plaatsvond en de overdracht op 29 januari was ingepland. De gronden voor bewaring werden niet betwist en konden de maatregel dragen.

De rechtbank voerde tevens een ambtshalve toetsing uit en concludeerde dat de maatregel tot het moment van onderzoek niet onrechtmatig was. Het beroep werd ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.

Uitkomst: Het beroep tegen de maatregel van bewaring wordt ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen.

Uitspraak

uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Utrecht Bestuursrecht zaaknummer: NL26.3267
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser] , V-nummer: [V-nummer] , eiser (gemachtigde: mr. J.E. Groenenberg),

en

de minister van Asiel en Migratie, (gemachtigde: mr. N. Schoonbrood).

Procesverloop

Bij besluit van 17 januari 2026 (het bestreden besluit) heeft de minister aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59a, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) opgelegd.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Dit beroep moet tevens worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.
De rechtbank heeft het beroep op 26 januari 2026 op zitting behandeld. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Als tolk is verschenen S. El Mathari. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. Eiser stelt van Soedanese nationaliteit te zijn en te zijn geboren op [geboortedatum] 1993.
Bewaringsgronden
2. In de maatregel van bewaring heeft de minister overwogen dat de maatregel nodig is, omdat een concreet aanknopingspunt bestaat voor een overdracht als bedoeld in de Dublinverordening en een significant risico bestaat dat eiser zich aan het toezicht zal onttrekken. De minister heeft, onder verwijzing naar artikel 5.1b, tweede, derde en vierde lid, van het Vreemdelingenbesluit (Vb), als zware gronden vermeld dat eiser:
3a. Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen, dan wel een poging daartoe heeft gedaan;
3k. een overdrachtsbesluit heeft ontvangen en geen medewerking verleent aan de overdracht aan de lidstaat die verantwoordelijk is voor de behandeling van zijn asielverzoek;
3l. een overdrachtsbesluit heeft ontvangen, hem op zijn initiatief een termijn is gesteld om
uit eigen beweging te vertrekken naar de lidstaat die verantwoordelijk is voor de behandeling van zijn asielverzoek, en hij niet uit eigen beweging binnen deze termijn is vertrokken;
en als lichte gronden vermeld dat eiser:
4c. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft;
4d. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan.
3. De rechtbank stelt vast dat de gronden van de maatregel van bewaring niet zijn betwist. De rechtbank is van oordeel dat deze gronden de maatregel van bewaring kunnen dragen.
Voortvarend handelen
4. Eiser stelt dat de minister onvoldoende voortvarend werkt aan de overdracht van eiser. Uit het dossier blijkt dat de Duitse autoriteiten het claimverzoek van eiser op 13 november 2025 al hebben geaccepteerd. Op 17 januari 2026 is hij in bewaring gesteld en op 22 januari 2026 is pas een overdracht gepland. Overdracht naar Duitsland vindt plaats per auto, wat bij wijze van spreken morgen kan gebeuren. De overdracht had dus volgens eiser veel eerder kunnen plaatsvinden dan 29 januari 2026, de datum van de geplande overdracht.
5. De rechtbank is van oordeel dat de minister voldoende voortvarend werkt aan de overdracht van eiser. De maatregel van bewaring is op 17 januari 2026 aan eiser opgelegd, na strafrechtelijke detentie zodat geen sprake is van een geplande inbewaringstelling. Vervolgens heeft op 20 januari 2026 een vertrekgesprek met eiser plaatsgevonden en op 22 januari 2026 is een overdracht ingepland op 29 januari 2026. Alles in samenhang bezien vindt de rechtbank dat de minister hiermee voldoende voortvarend werkt aan de overdracht van eiser. De beroepsgrond slaagt niet.

Ambtshalve toetsing

6. De rechtbank moet ook ambtshalve toetsen of de maatregel van bewaring tot het moment van het sluiten van het onderzoek op enig moment onrechtmatig was. Op grond van de stukken en wat op de zitting is besproken, is de rechtbank van oordeel dat dit niet het geval is.
Conclusie
7. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank:
  • verklaart het beroep ongegrond;
  • wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.M. den Dulk, rechter, in aanwezigheid van S.N. Lekatompessij, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
30 januari 2026

Documentcode: [Documentcode]

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.