ECLI:NL:RBDHA:2026:19669

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
3 juli 2026
Publicatiedatum
16 juli 2026
Zaaknummer
09/075227-26 en 09/126704-26 (ttz.gev.)
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Verstek
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 33 SrArt. 33a SrArt. 36f SrArt. 45 SrArt. 57 Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Veroordeling poging tot diefstal met geweld en verlaten plaats ongeval

De rechtbank Den Haag heeft op 3 juli 2026 uitspraak gedaan in een strafzaak tegen de verdachte, die meerdere pogingen tot diefstal met geweld en een voltooide diefstal pleegde, alsmede het verlaten van de plaats van een verkeersongeval. De feiten vonden plaats tussen februari en april 2026 in Zoetermeer en 's-Gravenhage. De verdachte gebruikte onder meer een mes en een stroomstootwapen bij bedreigingen en geweld tegen slachtoffers.

Tijdens de terechtzitting op 19 juni 2026 werd vastgesteld dat de verdachte verminderd toerekeningsvatbaar is, mede door een cocaïneverslaving en persoonlijke omstandigheden. De rechtbank achtte een onvoorwaardelijke gevangenisstraf passend en wees een straf van 3 jaar toe, met aftrek van de tijd in voorarrest. De voorlopige hechtenis werd opgeheven vanwege het niet verschijnen van de verdachte.

Daarnaast werden schadevergoedingen toegewezen aan drie benadeelden, variërend van materiële tot immateriële schade, met wettelijke rente. Het gebruikte mes werd verbeurd verklaard. De rechtbank oordeelde dat de straf en maatregelen in overeenstemming zijn met de ernst van de feiten en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte.

Uitkomst: Verdachte veroordeeld tot 3 jaar gevangenisstraf, verbeurdverklaring mes en betaling van schadevergoedingen aan benadeelden.

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG
Strafrecht
Meervoudige kamer
Parketnummers: 09/075227-26 en 09/126704-26 (ttz.gev.)
Datum uitspraak: 3 juli 2026
Verstek

(Verkort vonnis)

De rechtbank Den Haag heeft op grondslag van de tenlastelegging en naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting het navolgende vonnis gewezen in de zaak van de officier van justitie tegen de verdachte:

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum] 1960 te [geboorteplaats] ,
BRP-adres: [adres 1] .

De terechtzitting

Het onderzoek is gehouden op de terechtzitting van 19 juni 2026.
De officier van justitie, mr. B.A.C. Looijestijn, heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van het bij dagvaarding met parketnummer 09/075227-26 (hierna: dagvaarding I) onder 1, 2, 3 en 4 ten laste gelegde en van het bij dagvaarding met parketnummer 09/126704-26 (hierna: dagvaarding II) ten laste gelegde. De officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 3 jaren met aftrek van de tijd in voorarrest doorgebracht, waarvan 1 jaar voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren en als bijzondere voorwaarden: een meldplicht, opname in een zorginstelling, ambulante behandeling met de mogelijkheid van een kortdurende opname en beheersing van het middelengebruik.
De officier van justitie heeft verder gevorderd dat de schorsing van de voorlopige hechtenis van de verdachte zal worden opgeheven.
De officier van justitie heeft voorts gevorderd dat het op de lijst van in beslag genomen voorwerpen onder 1 genoemde voorwerp, te weten een mes met voorwerpnummer BZBA5505, zal worden onttrokken aan het verkeer.
De officier van justitie heeft ten slotte geconcludeerd tot toewijzing van de vorderingen van de benadeelde partijen [aangever 1] , [aangever 2] en [aangever 3] , elk daarvan vermeerderd met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

De tenlasteleggingAan de verdachte is ten laste gelegd dat:

Dagvaarding I

1
hij op of omstreeks 2 februari 2026 te Zoetermeer, althans in Nederland, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om, uit een woning aan de [adres 2] , een geldbedrag in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan [aangever 1] , in elk geval aan een ander toebehoorde(n) weg te nemen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen en deze voorgenomen diefstal te doen voorafgaan, te doen vergezellen en/of te doen volgen van geweld en/of bedreiging met geweld tegen [aangever 1] , te plegen met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden of gemakkelijk te maken, of om, bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren,
- de woning heeft betreden en/of heeft geschreeuwd/gezegd: "Geld, geld, ik wil geld" en/of "Dan je bankpas" en/of "Ik schiet je dood", althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking en/of
- een stroomstootwapen, althans een op een stroomstootwapen gelijkend voorwerp, heeft gebruikt en/of tegen het gezicht van die [aangever 1] heeft gehouden en/of
- tegen een rollator heeft geschopt (waardoor die [aangever 1] uit balans raakte), terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
2
hij op of omstreeks 13 februari 2026 te Zoetermeer, althans in Nederland, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om een geldbedrag in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan [bedrijf 1] , in elk geval aan een ander toebehoorde(n) weg te nemen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen en deze voorgenomen diefstal te doen voorafgaan, te doen vergezellen en/of te doen volgen van geweld en/of bedreiging met geweld tegen [slachtoffer 1] , te plegen met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden of gemakkelijk te maken, of om, bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren,
- heeft geroepen: "Money, Money" en/of "Money, or I get her", althans woorden van gelijke aard of strekking en/of
- een mes heeft getoond en/of
- een mes heen en weer heeft gezwaaid en/of
- een mes in de richting van die [slachtoffer 1] heeft gehouden,
terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
3
hij op of omstreeks 3 maart 2026 te 's-Gravenhage, althans in Nederland, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om een geldbedrag in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan [bedrijf 2] , in elk geval aan een ander toebehoorde(n) weg te nemen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen en deze voorgenomen diefstal te doen voorafgaan, te doen vergezellen en/of te doen volgen van geweld en/of bedreiging met geweld tegen [aangever 2] , te plegen met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden of gemakkelijk te maken, of om, bij betrapping op heterdaad, aan
zichzelf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren,
- meermaals heeft gevraagd om 400 euro en/of
- (daarbij) een mes ter hoogte van de ribben, althans het lichaam van die [aangever 2] , heeft aangedrukt, en/of
- met een mes stekende bewegingen in de richting van die [aangever 2] heeft gemaakt, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
4
hij op of omstreeks 11 maart 2026 te Zoetermeer, althans in Nederland, een geldbedrag, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan [slachtoffer 2] , in elk geval aan een ander toebehoorde(n) heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen welke diefstal werd voorafgegaan, vergezeld en/of gevolgd van geweld en/of bedreiging met geweld tegen [slachtoffer 3] , gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en/of gemakkelijk te maken, en/of om, bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf hetzij de vlucht mogelijk te maken hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, door
- een mes te tonen en/of
- (de punt van) dat mes in de richting van die [slachtoffer 3] te wijzen/houden en/of
- meermaals tegen die [slachtoffer 3] te zeggen: "Dit is een overval, maak de kassa open, opschieten", althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking;
Dagvaarding II
hij, als degene door wiens gedraging een verkeersongeval was veroorzaakt, welke gedraging hij al dan niet als bestuurder van een motorrijtuig had verricht en welk verkeersongeval had plaatsgevonden in Zoetermeer op/aan de Stephensonstraat, op of omstreeks 23 april 2026
de (voornoemde) plaats van vorenbedoeld ongeval heeft verlaten, terwijl bij dat ongeval, naar hij wist of redelijkerwijs moest vermoeden, aan een ander (te weten [aangever 3] ) letsel en/of schade was toegebracht.

De bewijsmiddelen

De rechtbank grondt haar overtuiging dat de verdachte het bewezen verklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat en die reden geven tot de bewezenverklaring.
In die gevallen waarin de wet aanvulling van het vonnis vereist met de bewijsmiddelen, dan wel met een opgave daarvan, zal dit plaatsvinden in een aanvulling die als bijlage aan dit vonnis zal worden gehecht.

De bewezenverklaring

Door de voormelde inhoud van vorenstaande bewijsmiddelen – elk daarvan, ook in zijn onderdelen, gebruikt voor het bewijs van datgene waarop het blijkens zijn inhoud betrekking heeft – heeft de rechtbank de overtuiging bekomen dat de verdachte de bij dagvaarding I onder 1, 2, 3 en 4 en de bij dagvaarding II ten laste gelegde feiten heeft begaan, te weten dat:
Dagvaarding I
1
hij op 2 februari 2026 te Zoetermeer ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om, uit een woning aan de [adres 2] , een geldbedrag in elk geval enig goed, dat geheel aan [aangever 1] toebehoorde weg te nemen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen en deze voorgenomen diefstal te doen voorafgaan en te doen vergezellen van geweld en bedreiging met geweld tegen [aangever 1] , te plegen met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en gemakkelijk te maken,
- de woning heeft betreden en heeft geschreeuwd/gezegd: "Geld, geld, ik wil geld" en "Dan je bankpas" en "Ik schiet je dood" en
- een stroomstootwapen, althans een op een stroomstootwapen gelijkend voorwerp, heeft gebruikt en
- tegen een rollator heeft geschopt (waardoor die [aangever 1] uit balans raakte), terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
2
hij op 13 februari 2026 te Zoetermeer ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om een geldbedrag dat/ geheel of ten dele aan [bedrijf 1] , in elk geval aan een ander toebehoorde weg te nemen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen en deze voorgenomen diefstal te doen voorafgaan en te doen vergezellen van geweld en bedreiging met geweld tegen [slachtoffer 1] , te plegen met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en gemakkelijk te maken,
- heeft geroepen: "Money, Money" en "Money, or I get her" en
- een mes heeft getoond en
- een mes heen en weer heeft gezwaaid en
- een mes in de richting van die [slachtoffer 1] heeft gehouden,
terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
3
hij op 3 maart 2026 te 's-Gravenhage ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om een geldbedrag dat geheel of ten dele aan [bedrijf 2] , in elk geval aan een ander toebehoorde weg te nemen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen en deze voorgenomen diefstal te doen voorafgaan en te doen vergezellen van geweld en bedreiging met geweld tegen [aangever 2] , te plegen met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en gemakkelijk te maken
- meermaals heeft gevraagd om 400 euro en
- daarbij een mes ter hoogte van de ribben van die [aangever 2] , heeft aangedrukt, en
- met een mes
eenstekende beweging in de richting van die [aangever 2] heeft gemaakt, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
4
hij op 11 maart 2026 te Zoetermeer een geldbedrag dat geheel of ten dele aan [slachtoffer 2] , in elk geval aan een ander toebehoorde heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen welke diefstal werd voorafgegaan en vergezeld bedreiging met geweld tegen [slachtoffer 3] , gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en gemakkelijk te maken, door
- een mes te tonen en
- (de punt van) dat mes in de richting van die [slachtoffer 3] te wijzen/houden en
- meermaals tegen die [slachtoffer 3] te zeggen: "Dit is een overval, maak de kassa open, opschieten";
Dagvaarding II (09/126704-26)
hij, als degene door wiens gedraging een verkeersongeval was veroorzaakt, welke gedraging hij als bestuurder van een motorrijtuig had verricht en welk verkeersongeval had plaatsgevonden in Zoetermeer aan de Stephensonstraat, op 23 april 2026 de voornoemde plaats van vorenbedoeld ongeval heeft verlaten, terwijl bij dat ongeval, naar hij wist of redelijkerwijs moest vermoeden, aan een ander (te weten [aangever 3] ) schade was toegebracht.
Voor zover in de tenlastelegging type- en taalfouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is de verdachte daardoor niet in de verdediging geschaad.

De strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het bewezen verklaarde is volgens de wet strafbaar, omdat er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

De strafbaarheid van de verdachte

De verdachte is eveneens strafbaar, omdat er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die zijn strafbaarheid uitsluiten.

De strafoplegging

Na te melden straf is in overeenstemming met de ernst van de gepleegde feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en gegrond op de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan tijdens het onderzoek ter terechtzitting is gebleken. De rechtbank neemt hierbij in het bijzonder het volgende in aanmerking.
De ernst van de feiten
De verdachte heeft zich in een periode van anderhalve maand schuldig gemaakt aan drie pogingen tot diefstal en één voltooide diefstal. Driemaal heeft hij een winkel betreden met een mes en onder meer het aldaar aanwezige winkelpersoneel, dan wel de aanwezige klanten, daarmee bedreigd. Het spreekt voor zich dat dit buitengewoon beangstigend geweest moet zijn voor het winkelpersoneel en de andere aanwezigen. De verdachte heeft alleen oog gehad voor zijn eigen financiële gewin en heeft geen moment gedacht aan de gevolgen voor de slachtoffers.
Daarnaast is de verdachte eenmaal de woning van een drieëntachtigjarige vrouw binnengedrongen waarbij hij haar onder meer bedreigd heeft met een stroomstootwapen en dit ook daadwerkelijk tegen haar heeft gebruikt. Ook dit moet buitengewoon beangstigend zijn geweest voor het slachtoffer, te meer nu het voorgaande in haar eigen woning heeft plaatsgehad, een plek waar zij zich bij uitstek veilig moet kunnen voelen. De ervaring leert dat slachtoffers van een woningoverval nog lange tijd gevoelens van angst houden en daarvan veel hinder ondervinden in hun dagelijks leven. De rechtbank rekent dit de verdachte zwaar aan.
De verdachte is daarnaast met zijn auto tegen een andere geparkeerde auto aangereden, met schade als gevolg, en heeft vervolgens de plaats van het ongeval verlaten zonder zijn identiteit prijs te geven. Zodoende heeft de verdachte blijk gegeven van een miskenning van zijn verantwoordelijkheid als verkeersdeelnemer en getracht zijn strafrechtelijke aansprakelijkheid voor de gevolgen van zijn handelen te ontlopen. Hij heeft bovendien de kans in het leven geroepen dat de gelaedeerde de ontstane schade niet op hem zou kunnen verhalen.
Strafblad
De rechtbank heeft kennisgenomen van het strafblad van de verdachte van 9 juni 2026. Hieruit blijkt dat de verdachte zich in de vijf jaar voorafgaand aan de feiten schuldig heeft gemaakt aan een Wegenverkeerswet-feit.
Persoon van de verdachte
De rechtbank heeft kennisgenomen van een reclasseringsadvies over de verdachte van 16 juni 2026. Hieruit blijkt het volgende. De verdachte is in korte tijd zijn vrouw en zijn baan verloren waarna hij een terugval in het gebruik van cocaïne heeft gehad. Thans wordt de verdachte volledig door zijn cocaïneverslaving in beslag genomen, en de bewezen verklaarde vermogensdelicten komen direct voort uit zijn behoefte om in zijn verslaving te voorzien. Er is sprake van een hoog recidiverisico en zolang de verdachte niet abstinent is, zal hij zich niet kunnen conformeren aan eventuele bijzondere voorwaarden.
De reclassering heeft evenwel geadviseerd bij veroordeling een (deels) voorwaardelijke straf met de volgende bijzondere voorwaarden op te leggen: een meldplicht, opneming in een zorginstelling, ambulante behandeling met mogelijke kortdurende opname en beheersing van het middelengebruik.
De op te leggen straf
Gelet op wat hiervoor is overwogen, is de rechtbank van oordeel dat niet kan worden volstaan met een lichtere of andere sanctie dan een straf die onvoorwaardelijke vrijheidsbeneming van na te melden duur met zich brengt.
De rechtbank ziet, anders dan door de officier van justitie gevorderd, geen aanleiding tot het opleggen van een voorwaardelijk strafdeel met daaraan gekoppelde bijzondere voorwaarden. De verdachte zal, voordat hij aan het naleven van de geadviseerde bijzondere voorwaarden toe zou komen, gelet op de ernst van de feiten, hoe dan ook een lange tijd in detentie moeten doorbrengen. Op dit moment is het geheel onduidelijk of de verdachte zich na afloop daarvan zal kunnen conformeren aan eventuele bijzondere voorwaarden, aangezien hij daar op dit moment niet toe in staat lijkt te zijn en de rechtbank hem daar niet over heeft kunnen ondervragen. Het voorgaande maakt dat het naar het oordeel van de rechtbank op dit moment niet in te schatten is of, en zo ja welke, bijzondere voorwaarden geïndiceerd zouden zijn bij de invrijheidstelling van de verdachte, zodat zij deze ook niet aan hem zal opleggen. De rechtbank merkt daarbij op dat bij een eventuele voorwaardelijke invrijheidstelling van de verdachte de op dat moment geïndiceerde voorwaarden aan hem kunnen worden gesteld.
De rechtbank acht alles afwegende een gevangenisstraf van 3 jaren passend en geboden, met aftrek van de tijd in voorarrest doorgebracht. Hierbij heeft de rechtbank gekeken naar wat in vergelijkbare gevallen doorgaans wordt opgelegd.
De verdachte is op 23 april 2026 geschorst uit de voorlopige hechtenis onder meer onder de voorwaarde dat hij bij de inhoudelijke behandeling van zijn strafzaak op de terechtzitting aanwezig zou zijn. De verdachte is niet ter terechtzitting verschenen en heeft aldus de voorwaarden overtreden. Gelet hierop zal de rechtbank de schorsing van de voorlopige hechtenis opheffen.
Tenuitvoerlegging van de op te leggen gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat aan de verdachte voorwaardelijke invrijheidstelling wordt verleend als bedoeld in artikel 6:2:10 van Pro het Wetboek van Strafvordering.
De vorderingen van de benadeelde partijen/schadevergoedingsmaatregelen
De vordering van [aangever 1]
heeft zich als benadeelde partij gevoegd in het strafproces en vordert een schadevergoeding van € 5.053,88, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. Dit bedrag bestaat uit € 53,88 aan materiële schade en € 5.000,- aan immateriële schade.
Het bij dagvaarding I onder 1 bewezen verklaarde feit is aan te merken als een onrechtmatige daad zoals bedoeld in artikel 6:162 van Pro het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW). De verdachte is daarom verplicht om de schade te vergoeden die de benadeelde partij door dit feit heeft geleden.
De gevorderde materiële schade is voldoende onderbouwd en niet weersproken. Op grond van het dossier en het onderzoek ter terechtzitting kan worden vastgesteld dat de benadeelde partij rechtstreeks schade heeft geleden door het bewezenverklaarde feit.
De gevorderde immateriële schade berust op artikel 6:106, aanhef sub b, BW (aantasting in de persoon op andere wijze). De aard en de ernst van de normschending door de verdachte maken naar het oordeel van de rechtbank dat de nadelige (psychische) gevolgen daarvan voor de benadeelde partij zo voor de hand liggen, dat sprake is van een aantasting in de persoon op andere wijze. Dit betekent dat een vergoeding van immateriële schade op haar plaats is. De rechtbank neemt hierbij in het bijzonder in aanmerking dat de benadeelde partij in haar eigen woning is overvallen waarbij zij niet alleen bedreigd is met een stroomstootwapen maar dit ook daadwerkelijk tegen haar is gebruikt. Gelet op wat namens de benadeelde partij ter toelichting op haar vordering is aangevoerd, zal de rechtbank de geleden immateriële schade naar billijkheid vaststellen op een bedrag van € 5.000,-.
De rechtbank zal - gelet op het voorgaande - de vordering toewijzen tot een bedrag van € 5.053,88, bestaande uit € 53,88 aan materiële schade en € 5.000,- aan immateriële schade.
De rechtbank zal de gevorderde wettelijke rente ten aanzien van de materiële schade toewijzen met ingang van 16 juni 2026, omdat vast is komen te staan dat de betreffende kosten op die datum zijn gemaakt.
De rechtbank zal de gevorderde wettelijke rente ten aanzien van de immateriële schade toewijzen met ingang van 2 februari 2026, omdat vast is komen te staan dat de schade vanaf die datum is ontstaan.
Nu de vordering wordt toegewezen, zal de verdachte worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met de vordering heeft gemaakt. De rechtbank begroot deze kosten tot op heden op nihil. Daarnaast wordt de verdachte veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.
De verdachte zal voor het bij dagvaarding I onder 1 bewezen verklaarde strafbare feit worden veroordeeld en hij is daarom tegenover de benadeelde partij aansprakelijk voor schade die door dit feit aan haar is toegebracht. De rechtbank zal aan de verdachte de verplichting opleggen om aan de Staat te betalen een bedrag van € 5.053,88, vermeerderd met de wettelijke rente over een bedrag van € 53,88 vanaf 16 juni 2026, en over een bedrag van € 5.000,- vanaf 2 februari 2026, beide tot aan de dag dat dit bedrag is betaald,
ten behoeve van [aangever 1] .
De vordering van [aangever 2]
heeft zich als benadeelde partij gevoegd in het strafproces en vordert een schadevergoeding van € 1.250,-, te vermeerderen met de wettelijke rente. Dit bedrag bestaat uit immateriële schade.
Het bij dagvaarding I onder 3 bewezen verklaarde feit is aan te merken als een onrechtmatige daad zoals bedoeld in artikel 6:162 BW Pro. De verdachte is daarom verplicht om de schade te vergoeden die de benadeelde partij door dit feit heeft geleden.
De gevorderde immateriële schade is voldoende onderbouwd en niet weersproken. Op grond van het dossier en het onderzoek ter terechtzitting kan dan ook worden vastgesteld dat de benadeelde partij rechtstreeks schade heeft geleden door het bewezen verklaarde feit, ter grootte van het gevorderde bedrag.
De gevorderde immateriële schade berust op artikel 6:106, aanhef sub b, BW (aantasting in de persoon op andere wijze). De aard en de ernst van de normschending door de verdachte maken naar het oordeel van de rechtbank dat de nadelige (psychische) gevolgen daarvan voor de benadeelde partij zo voor de hand liggen, dat sprake is van een aantasting in de persoon op andere wijze. Dit betekent dat een vergoeding van immateriële schade op haar plaats is. De rechtbank neemt hierbij in het bijzonder in aanmerking dat de verdachte een mes tegen de ribben van de benadeelde partij heeft aangedrukt en ook een stekende beweging naar die ribben heeft gemaakt. Gelet op wat namens de benadeelde partij ter toelichting op haar vordering is aangevoerd, zal de rechtbank de geleden immateriële schade naar billijkheid vaststellen op een bedrag van € 1.250,-.
De rechtbank zal - gelet op het voorgaande - de vordering toewijzen tot een bedrag van € 1.250,-, bestaande uit immateriële schade.
De rechtbank zal de gevorderde wettelijke rente toewijzen met ingang van 3 maart 2026, omdat vast is komen te staan dat de schade vanaf die datum is ontstaan.
Nu de vordering wordt toegewezen, zal de verdachte worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met de vordering heeft gemaakt. De rechtbank begroot deze kosten tot op heden op nihil. Daarnaast wordt de verdachte veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.
De verdachte zal voor het bij dagvaarding I onder 3 bewezen verklaarde strafbare feit worden veroordeeld en hij is daarom tegenover de benadeelde partij aansprakelijk voor schade die door dit feit aan hem is toegebracht. De rechtbank zal aan de verdachte de verplichting opleggen om aan de Staat te betalen een bedrag van € 1.250,-, vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf 3 maart 2026 tot aan de dag dat dit bedrag is betaald ten behoeve van [aangever 2] .
De vordering van [aangever 3]
heeft zich als benadeelde partij gevoegd in het strafproces en vordert een schadevergoeding van € 1.800,-, te vermeerderen met de wettelijke rente. Dit bedrag bestaat uit materiële schade.
Het bij dagvaarding II bewezen verklaarde feit is aan te merken als een onrechtmatige daad zoals bedoeld in artikel 6:162 BW Pro. De verdachte is daarom verplicht om de schade te vergoeden die de benadeelde partij door dit feit heeft geleden.
De gevorderde materiële schade is voldoende onderbouwd en niet weersproken. Op grond van het dossier en het onderzoek ter terechtzitting kan dan ook worden vastgesteld dat de benadeelde partij rechtstreeks schade heeft geleden door het bewezen verklaarde feit, ter grootte van het gevorderde bedrag.
De rechtbank zal - gelet op het voorgaande - de vordering toewijzen tot een bedrag van € 1.800,-, bestaande uit materiële schade.
De rechtbank zal de gevorderde wettelijke rente toewijzen met ingang van 3 juli 2026, zijnde de datum van dit vonnis.
Nu de vordering wordt toegewezen, zal de verdachte worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met de vordering heeft gemaakt. De rechtbank begroot deze kosten tot op heden op nihil. Daarnaast wordt de verdachte veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.
De verdachte zal voor het bij dagvaarding II bewezen verklaarde strafbare feit worden veroordeeld en hij is daarom tegenover de benadeelde partij aansprakelijk voor schade die door dit feit aan hem is toegebracht. De rechtbank zal aan de verdachte de verplichting opleggen om aan de Staat te betalen een bedrag van € 1.800,-, vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf 3 juli 2026 tot aan de dag dat dit bedrag is betaald ten behoeve van [aangever 3] .

Het in beslag genomen voorwerp

De rechtbank zal het op de beslaglijst onder 1 genoemde voorwerp, te weten een mes met voorwerpnummer BZBA5505, verbeurd verklaren. Dit voorwerp is voor verbeurdverklaring vatbaar, aangezien dit voorwerp aan verdachte toebehoort en met behulp van dit voorwerp het bij dagvaarding I onder 4 bewezen verklaarde feit is begaan. Onttrekking aan het verkeer is niet mogelijk, omdat niet kan worden gezegd dat het ongecontroleerd bezit van dit specifieke mes in strijd is met de wet of met het algemeen belang.

De toepasselijke wetsartikelen

De op te leggen straffen en maatregel zijn gegrond op de artikelen:
  • 33, 33a, 36f, 45, 57, 63, 312 van het Wetboek van Strafrecht;
  • 7, 176 van de Wegenverkeerswet 1994.
Deze voorschriften zijn toegepast zoals zij ten tijde van het bewezen verklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van deze uitspraak rechtens gelden.

De beslissing

De rechtbank:
verklaart wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte de bij dagvaarding I onder 1, 2, 3 en 4 ten laste gelegde feiten en het bij dagvaarding II ten laste gelegde feit heeft begaan, zoals hierboven bewezen is verklaard;
verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;
verklaart het bewezen verklaarde strafbaar en dat het bewezen verklaarde uitmaakt:
ten aanzien van dagvaarding I, feiten 1, 2 en 3:
telkens: poging tot diefstal, voorafgegaan en vergezeld van geweld en bedreiging met geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en gemakkelijk te maken;
ten aanzien van dagvaarding I, feit 4:
diefstal, voorafgegaan en vergezeld van bedreiging met geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en gemakkelijk te maken;
ten aanzien van dagvaarding II:
overtreding van artikel 7, eerste lid, onderdeel b van de Wegenverkeerswet 1994 (schade);
verklaart de verdachte daarvoor strafbaar;
veroordeelt de verdachte tot:

een gevangenisstraf voor de duur van 3 (DRIE) jaren;

bepaalt dat de tijd door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht bij de tenuitvoerlegging van de hem opgelegde gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht;
heft op de schorsing van de voorlopige hechtenis;
wijst de vorderingen tot schadevergoeding van de benadeelde partijen toe en veroordeelt de verdachte om te betalen:
- een bedrag van € 5.053,88 aan [aangever 1] , vermeerderd met de gevorderde wettelijke rente over een bedrag van € 53,88 vanaf 16 juni 2026 en over een bedrag van € 5.000,- vanaf 2 februari 2026 tot de dag waarop deze vordering is betaald,
- een bedrag van € 1.250,- aan [aangever 2] , vermeerderd met de gevorderde wettelijke rente daarover vanaf 3 maart 2026 tot de dag waarop deze vordering is betaald,
- een bedrag van € 1.800,- aan [aangever 3] , vermeerderd met de gevorderde wettelijke rente daarover vanaf 3 juli 2026 tot de dag waarop deze vordering is betaald;
veroordeelt de verdachte tevens in de proceskosten door de benadeelde partijen gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken;
legt aan de verdachte op de verplichting tot betaling aan de Staat van de voornoemde bedragen, vermeerderd met de wettelijke rente daarover met ingang van de voornoemde data tot aan de dag van de algehele voldoening ten behoeve van voornoemde benadeelde partijen;
bepaalt dat in geval volledige betaling noch volledig verhaal van de verschuldigde bedragen volgt – onder handhaving van voormelde verplichting – gijzeling kan worden toegepast voor navolgende duur:
  • [aangever 1] : 50 dagen,
  • [aangever 2] : 12 dagen,
  • [aangever 3] : 18 dagen;
bepaalt dat als de verdachte de toegewezen schadevergoedingen deels of geheel aan de benadeelde partijen heeft betaald, de verdachte niet verplicht is om dat deel te betalen aan de Staat en dat als de verdachte de toegewezen bedragen deels of geheel aan de Staat heeft betaald, de verdachte niet verplicht is om dat deel aan de benadeelde partijen te betalen;
verklaart verbeurd het op de beslaglijst onder 1 genoemde voorwerp, te weten: een mes met voorwerpnummer BZBA5505.
Dit vonnis is gewezen door
mr. F. Bouman, voorzitter,
mr. J.R.K.A.M. Waasdorp, rechter,
mr. L. Anemaet, rechter,
in tegenwoordigheid van mrs. N.T.G. Levelt en Ö. Aydin, griffiers,
en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank van 3 juli 2026.