ECLI:NL:RBDHA:2026:19663

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
16 juli 2026
Publicatiedatum
16 juli 2026
Zaaknummer
NL26.4652
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 28 Vw 2000Art. 30a Vw 2000Art. 3 EVRM
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkheid opvolgende asielaanvraag wegens ontbreken nieuwe elementen

Eiser, van Gambiaanse nationaliteit, diende een opvolgende aanvraag in voor een verblijfsvergunning asiel, stellende dat hij homoseksueel is en dat dit in zijn land strafbaar is. De minister verklaarde de aanvraag niet-ontvankelijk op grond van artikel 30a, eerste lid, aanhef en onder d, van de Vreemdelingenwet 2000, omdat geen nieuwe relevante elementen of bevindingen waren aangevoerd.

De rechtbank bevestigt dat het eerdere besluit van 3 maart 2020, waarin de gestelde homoseksualiteit niet geloofwaardig werd geacht, in rechte vaststaat. Eiser stelde dat hij nu beter kon verklaren over zijn seksuele geaardheid vanwege identiteitsgroei, maar de rechtbank oordeelt dat zijn verklaringen summier en oppervlakkig blijven en geen nieuwe feiten bevatten die de kans op inwilliging vergroten.

Eiser voerde aan dat hij aanvullend had moeten worden gehoord, omdat hij zich tijdens het gehoor belemmerd voelde. De rechtbank vindt dit niet aannemelijk en stelt dat het gehoor voldoende was.

De rechtbank concludeert dat de minister terecht de aanvraag niet-ontvankelijk heeft verklaard en dat er geen sprake is van omstandigheden die toepassing van de nationale procedureregel buiten toepassing zouden stellen (Bahaddar-omstandigheden). Het beroep wordt ongegrond verklaard en eiser moet Nederland verlaten.

Uitkomst: De rechtbank verklaart het beroep ongegrond en bevestigt de niet-ontvankelijkverklaring van de opvolgende asielaanvraag.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Groningen
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.4652

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[naam] , eiser,

geboren op [datum] ,
van Gambiaanse nationaliteit,
V-nummer: [nummer] ,
(gemachtigde: mr. S.R. Nohar),
en

de minister van Asiel en Migratie,

(gemachtigde: mr. D.L. Boer).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over de niet-ontvankelijk verklaring van de asielaanvraag van eiser als bedoeld in artikel 28 van Pro de Vw 2000 [1] . Eiser is het hier niet mee eens. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Mede aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de niet-ontvankelijk verklaring van de asielaanvraag.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de niet-ontvankelijk verklaring van de asielaanvraag in stand kan blijven. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

2. Eiser heeft een opvolgende aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. De minister heeft met het bestreden besluit van
20 januari 2026 deze aanvraag niet-ontvankelijk verklaard en eiser een inreisverbod opgelegd voor de duur van twee jaar.
2.1.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
2.2.
De rechtbank heeft het beroep op 14 juli 2026 samen met het verzoek om een voorlopige voorziening hangende dit beroep [2] , op zitting behandeld. Hieraan heeft alleen de gemachtigde van de minister deelgenomen. Eiser en zijn gemachtigde hebben zich voor de zitting afgemeld. Het onderzoek ter zitting is gesloten.

Beoordeling door de rechtbank

Totstandkoming van het bestreden besluit
3. Eiser heeft eerder een aanvraag om een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. De minister heeft deze aanvraag bij besluit van 3 maart 2020 afgewezen. Het beroep dat eiser tegen dat besluit heeft ingediend is op 1 september 2020 ongegrond verklaard. In die uitspraak heeft de rechtbank ten aanzien van eisers gestelde homoseksualiteit -voor zover van belang- overwogen dat eiser uitgebreid is gehoord aan de hand van de Werkinstructie 2018/9 en de daarin genoemde thema’s en geoordeeld dat de minister niet ten onrechte het standpunt heeft ingenomen dat eiser er niet in is geslaagd om zijn gestelde homoseksuele geaardheid inzichtelijk te maken en dat dit -ondanks zijn jeugdige leeftijd- wel van hem mocht worden verwacht. Daarmee staat het besluit van
3 maart 2020, en het oordeel van de minister dat eisers gestelde homoseksuele geaardheid niet geloofwaardig is, in rechte vast.
3.1.
Op 22 november 2023 heeft eiser opnieuw een aanvraag om een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. Eiser legt aan zijn opvolgende aanvraag ten grondslag dat hij homoseksueel is en dat dit in zijn land van herkomst strafbaar is. Volgens eiser kan hij nu beter verklaren over zijn seksuele geaardheid dan tijdens de vorige asielprocedure, omdat hij wat volwassener is.
3.2.
In het nu bestreden besluit heeft de minister die aanvraag niet-ontvankelijk verklaard, omdat sprake is van een opvolgende aanvraag waaraan eiser geen nieuwe elementen of bevindingen ten grondslag heeft gelegd of waarin geen nieuwe elementen of bevindingen aan de orde zijn gekomen die relevant kunnen zijn voor de beoordeling van de aanvraag. De minister heeft dit gedaan onder verwijzing naar het hierboven genoemde besluit van 3 maart 2020 en heeft hiermee toepassing gegeven aan artikel 30a, eerste lid, aanhef en onder d, van de Vw 2000. De verklaring van eiser dat hij nu beter kan verklaren over zijn geaardheid, leidt volgens de minister niet tot het ontvankelijk verklaren van de aanvraag, omdat eiser ook in deze procedure er niet in is geslaagd om zijn (volwassen) gevoelens en gedachtes inzichtelijk te maken. De minister heeft overwogen dat identiteitsgroei een nieuw element kan zijn, maar dat eiser in het gehoor opvolgende aanvraag (opnieuw) is blijven steken in summiere en oppervlakkige verklaringen en dat eiser niet heeft toegelicht of geconcretiseerd wat er nu anders is als het gaat om zijn verklaringen. Omdat de inhoud van de verklaringen van eiser nagenoeg gelijk aan zijn verklaringen in de vorige asielprocedure, doet eiser enkel een beroep op elementen en bevindingen die al in een eerdere aanvraag zijn betrokken.
Is sprake van nieuwe elementen of bevindingen?
4. Op grond van artikel 30a, eerste lid, aanhef en onder d, van de Vw 2000, kan de minister een opvolgende aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd niet-ontvankelijk verklaren als de aanvrager geen nieuwe elementen of bevindingen ten grondslag heeft gelegd aan deze aanvraag, of als de nieuwe elementen en bevindingen niet relevant kunnen zijn voor de beoordeling van de aanvraag. Nieuwe elementen en bevindingen zijn relevant voor de beoordeling van de opvolgende aanvraag als deze de kans op inwilliging van de asielaanvraag aanzienlijk groter maken. [3]
4.1.
Eiser stelt dat de minister zijn opvolgende asielaanvraag ten onrechte niet-ontvankelijk heeft verklaard. Eiser meent namelijk dat hij wel degelijk een nieuw element naar voren heeft gebracht. Dit nieuwe element is eisers identiteitsgroei. Naar de mening van eiser heeft hij met de door hem afgelegde verklaringen zijn homoseksuele geaardheid alsnog aannemelijk gemaakt. Omdat homoseksualiteit verboden is in Gambia loopt hij bij terugkeer een het reële risico op een onmenselijke behandeling zoals die is verboden door artikel 3 van Pro het EVRM [4] .
4.2.
De rechtbank is van oordeel dat de minister zich terecht op het standpunt stelt dat eiser geen nieuwe elementen of bevindingen aan zijn opvolgende asielaanvraag ten grondslag heeft gelegd. De minister heeft de aanvraag dan ook terecht niet-ontvankelijk verklaard. De minister heeft in het bestreden besluit en het daarin ingelaste voornemen voldoende concreet gemotiveerd dat eiser ook in deze procedure is blijven hangen in het geven van summiere en oppervlakkige verklaringen aangaande zijn gestelde seksuele geaardheid en dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij een ontwikkeling heeft doorgemaakt met betrekking tot zijn gestelde homoseksuele geaardheid. Dit terwijl hij aan zijn opvolgende aanvraag ten grondslag heeft gelegd dat hij nu beter kan verklaren over zijn seksueel geaardheid en dat hij volwassener is geworden. Dat er gelet op eisers referentiekader niet meer van hem verlangd kan worden en dat het referentiekader van eiser ten onrechte niet is benoemd door de minister, volgt de rechtbank niet. De rechtbank wijst in dit verband naar pagina 2 van het bestreden besluit waarin staat dat in de vorige procedure reeds is geoordeeld dat eisers persoonlijke omstandigheden zoals zijn jeugdige leeftijd en de gestelde meegemaakte traumatische gebeurtenissen voldoende zijn betrokken bij de besluitvorming. Verder heeft de minister terecht overwogen dat eiser inmiddels 24 jaar oud is en ongeveer zes jaar in Nederland verblijft. Gelet hierop, in combinatie met het feit dat eiser zelf deze opvolgende aanvraag heeft ingediend omdat hij beter zou kunnen verklaren over zijn gevoelens en gedachten, heeft de minister zich terecht op het standpunt gesteld dat de verklaringen van eiser summier, oppervlakkig en algemeen van aard zijn en dat de gestelde identiteitsgroei niet aannemelijk is geworden. De minister heeft dan ook terecht overwogen dat geen sprake is van een nieuw element of bevinding. De beroepsgrond slaagt niet.
Had de minister eiser aanvullend moeten horen?
5. Eiser stelt verder dat de minister hem aanvullend had moeten horen. In dit verband heeft eiser erop gewezen dat de contactambtenaar hem op enig moment tijdens het gehoor heeft onderbroken, waardoor bij hem het gevoel is ontstaan dat hij niet vrijelijk kon verklaren over zijn gevoelens en gedachten.
5.1.
De rechtbank is met de minister van oordeel dat er geen aanleiding voor de minister bestond om eiser aanvullend te horen. De rechtbank neemt hierbij in aanmerking dat uit het verslag gehoor opvolgende aanvraag blijkt dat eiser tijdens het gehoor twee maal is onderbroken. De eerste keer was omdat eiser tijdens het gehoor koffie morste [5] en de tweede keer om eiser erop te wijzen dat hij aan het verklaren was over dat wat hij al had verklaard tijdens de vorige procedure. [6] Hierbij is eiser gevraagd te verklaren over wat hij
de vorige keer niet kon of niet goed kon vertellen. Ook na de onderbreking is nadrukkelijk doorgevraagd aan eiser om meer inzicht te krijgen in eiser persoonlijke verhaal, zijn gedachten en gevoelens. Bovendien heeft het gehoor nog langere tijd voortgeduurd. Dat eiser -anders dan daarvoor [7] - zich na de onderbreking niet langer op zijn gemakt zou hebben gevoeld en zich belemmerd voelde om over zijn gevoelens en gedachten te verklaren, blijkt niet uit het verslag van gehoor opvolgende aanvraag. De rechtbank mist verder een concrete onderbouwing van eiser waaruit dit zou blijken. De beroepsgrond slaagt niet.
6. De rechtbank is, gelet op het voorgaande, van oordeel dat de minister zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat eiser geen nieuwe elementen of bevindingen aan zijn opvolgende aanvraag ten grondslag heeft gelegd, zodat de minister niet tot een inhoudelijke beoordeling van zijn eisers gestelde vrees bij terugkeer naar Gambia heeft hoeven komen. De minister heeft derhalve de opvolgende asielaanvraag op goede gronden, op grond van artikel 30a, eerste lid, aanhef en onder d, Vw 2000 niet-ontvankelijk verklaard.
7. Uit het arrest Bahaddar [8] en de uitspraak van de hoogste bestuursrechter van 22 juni 2022 [9] waarin dit arrest is uitgewerkt, volgt dat de bestuursrechter een nationale procedureregel, die tot een niet-ontvankelijk verklaring van de asielaanvraag leidt, buiten toepassing moet laten wanneer er omstandigheden zijn als bedoeld in paragraaf 45 van het arrest, om schending van artikel 3 van Pro het EVRM [10] te voorkomen. De hoogste bestuursrechter heeft overwogen dat ook regels die gaan over de omvang van het geschil, zoals artikel 30a, eerste lid, aanhef en onder d, van de Vw, gezien kunnen worden als een nationale procedureregel in de zin van het arrest Bahaddar. Bahaddar-omstandigheden doen zich voor als wat een vreemdeling heeft aangevoerd en overgelegd, onmiskenbaar tot het oordeel leidt dat de minister bij uitzetting van die vreemdeling het refoulementverbod, neergelegd in artikel 3 van Pro het EVRM, zou schenden. De drempel voor een geslaagd beroep op artikel 3 van Pro het EVRM is daarom hoog. Nu het eerdere afwijzende asielbesluit van
3 maart 2020, waarin de door eiser gestelde homoseksuele geaardheid door de minister niet geloofwaardig is geacht, in rechte vast is komen te staan en in deze procedure eiser, zoals reeds hiervoor is overwogen, geen relevante nieuwe feiten en omstandigheden heeft aangevoerd, ziet de rechtbank geen aanknopingspunten voor het oordeel dat sprake is van Bahaddar-omstandigheden.

Conclusie en gevolgen

8. De minister heeft de aanvraag terecht niet-ontvankelijk verklaard.
Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiser geen gelijk krijgt en Nederland dient te verlaten. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.G.D. Overmars, rechter, in aanwezigheid van
A.P. Kuiters, griffier, en openbaar gemaakt door middel van gepseudonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.
De uitspraak is openbaar gemaakt en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Vreemdelingenwet 2000.
2.Zaak NL26.4653.
3.Arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 9 september 2021, ECLI:EU:C:2021:710, punt 34, en de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 15 september 2022, ECLI:NL:RVS:2022:2699.
4.Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden.
5.Pagina 7 van het verslag opvolgende aanvraag.
6.Pagina 9 van het verslag opvolgende aanvraag.
7.Zie pagina 8, vierde en vijfde alinea, van het gehoor opvolgende aanvraag.
8.Zie de uitspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 19 februari 1998, ECLI:CE:ECHR:1998: 0219JUD002589494.
9.Zie de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 22 juni 2022, ECLI:NL:RVS:2022:1664.
10.Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden.