ECLI:NL:RBDHA:2026:19655

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
16 juli 2026
Publicatiedatum
16 juli 2026
Zaaknummer
NL25.24312
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 62 VwArt. 6 SchengengrenscodeArt. 12 VwArtikel 3 EVRMVerordening 2016/399
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling terugkeerbesluit wegens verdenking mishandeling en openbare orde

De rechtbank Den Haag heeft op 16 juli 2026 het beroep van een Saoedische vreemdeling tegen een terugkeerbesluit van 19 mei 2025 beoordeeld. In dit besluit werd aan eiser opgedragen Nederland binnen vier weken te verlaten vanwege het niet rechtmatig verblijven en een verdenking van mishandeling die een gevaar voor de openbare orde zou vormen.

Eiser voerde aan dat hij pas drie dagen in Nederland was, een retourticket had en dat de strafzaak tegen hem uiteindelijk geseponeerd werd wegens onvoldoende bewijs. Hij stelde dat er geen objectieve en nauwkeurige elementen waren die een verdenking rechtvaardigden.

De rechtbank oordeelde dat verdenking van een strafbaar feit, zeker een geweldsdelict met een maximale straf van drie jaar, voldoende ernstig is om het verblijf te beëindigen. De heterdaad aanhouding en het proces-verbaal vormden objectieve en nauwkeurige elementen die de verdenking rechtvaardigden. Het latere sepot deed hieraan niets af vanwege de ex-tunc toetsing.

Omdat eiser inmiddels teruggekeerd is naar Saoedi-Arabië, hoefde niet aan artikel 3 EVRM Pro te worden getoetst. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en liet het terugkeerbesluit in stand.

Uitkomst: Het beroep tegen het terugkeerbesluit wordt ongegrond verklaard en het besluit blijft in stand.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Amsterdam
Bestuursrecht
Zaaknummer: NL25.24312
V-nummer: [V-nummer]

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser] ,

geboren op [geboortedag] 1991, van Saoedi-Arabische nationaliteit, eiser
(gemachtigde: mr. S. Petkovic)
en

de minister van Asiel en Migratie, de minister

(gemachtigde: mr. E.J.M.C. Jansen).

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen het besluit van 19 mei 2025 (het bestreden besluit). In dit besluit wordt aan eiser een terugkeerbesluit opgelegd waarin wordt opgedragen dat eiser het grondgebied van de EU [1] , EER [2] en Zwitserland binnen vier weken moet verlaten en terug moet keren naar zijn land van herkomst, Saoedi-Arabië.
1.1.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
1.2.
De minister heeft een verweerschrift ingediend.
1.3.
Eiser heeft aanvullende stukken ingediend.
1.4.
De rechtbank heeft het beroep op 13 juli 2026 op zitting behandeld. Eiser en zijn gemachtigde zijn met bericht van verhindering niet verschenen. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Beoordeling door de rechtbank

Het bestreden besluit
2. Op 19 mei 2025 is op grond van artikel 62 van Pro de Vw [3] aan eiser een terugkeerbesluit opgelegd. De minister heeft aan het terugkeerbesluit ten grondslag gelegd dat eiser niet of niet langer rechtmatig in Nederland verblijft omdat hij:
- bij binnenkomst niet heeft voldaan aan de verplichtingen bij grensoverschrijding, gezien het rechtmatig verblijf in de vrije termijn onder meer vereist dat de vreemdeling de Nederlandse rechtsregels respecteert. Nu eiser wordt verdacht van het plegen van een strafbaar feit, heeft hij niet voldaan aan de voorwaarden uit artikel 6 van Pro de Schengengrenscode [4] en is daarmee de vrije termijn zoals bedoeld in artikel 12 van Pro de Vw van rechtswege komen te vervallen; en
- gevaar oplevert voor de openbare orde, omdat eiser op 18 mei 2025 op heterdaad is aangehouden voor mishandeling. Door dit gedrag in de vrije termijn, maakt eiser inbreuk op de openbare orde en verblijft hij niet meer rechtmatig in Nederland.
Beroepsgronden eiser
3. Eiser kan zich niet verenigen met het terugkeerbesluit. Hij heeft verklaard dat hij pas drie dagen in Nederland was toen hij werd aangehouden en een retourticket had voor die vrijdag na de aanhouding. Ook was eiser inderdaad verdachte in een strafzaak maar de zitting moest ten tijde van het bestreden besluit nog plaatsvinden en de zaak is uiteindelijk geseponeerd door het OM [5] vanwege onvoldoende bewijs. Hier is ten onrechte geen rekening mee gehouden bij de totstandkoming van het bestreden besluit. Ook stelt eiser dat er geen sprake was van met elkaar overeenstemmende, objectieve en nauwkeurige elementen op grond waarvan iemand kan worden verdacht van het plegen van een misdrijf. Gezien het bovenstaande kan het terugkeerbesluit volgens eiser geen standhouden.
Beoordeling van de rechtbank
4. Zoals volgt uit vaste jurisprudentie van de Afdeling [6] is verdenking van het plegen van een strafbaar feit voldoende voor de vaststelling dat het verblijf in de vrije termijn op grond van artikel 6, eerste lid, aanhef en onder e, van de Schengengrenscode is geëindigd. [7] Het strafbare feit waar de vreemdeling van wordt verdacht moet in het licht van de aard en de strafmaat ernstig genoeg zijn om te rechtvaardigen dat het verblijf direct wordt beëindigd. In het geval dat de vreemdeling niet is veroordeeld voor het strafbare feit, kan op basis van met elkaar overeenstemmende, objectieve en nauwkeurige elementen op grond waarvan de vreemdeling kan worden verdacht van het plegen van dat strafbare feit alsnog worden vastgesteld dat de vreemdeling een bedreiging vormt voor de openbare orde. Het beoordelen van een terugkeerbesluit is een ex-tunc toets. Dit betekent dat de rechtmatigheid van het terugkeerbesluit beoordeeld dient te worden naar de feiten en omstandigheden die ten tijde van het nemen van dat besluit bekend waren of redelijkerwijs bekend behoorden te zijn.
5. Ten tijde van het bestreden besluit was nog niet duidelijk of eiser veroordeeld zou worden, maar de rechtbank is van oordeel dat de minister wel terecht een terugkeerbesluit heeft opgelegd. Het feit waarvan eiser verdacht werd is mishandeling. Dit betreft een geweldsdelict waarvoor de strafmaat maximaal drie jaar is, wat voldoende ernstig is om te rechtvaardigen dat het verblijf van eiser onmiddellijk werd beëindigd. Daarbij is eiser op heterdaad aangehouden en in verzekering gesteld. Door de minister is terecht opgemerkt dat uit deze omstandigheid volgt dat er sprake is van met elkaar overeenstemmende, objectieve en nauwkeurige elementen op grond waarvan eiser kon worden verdacht van het plegen van het strafbare feit. De minister heeft ter ondersteuning van dit standpunt ook het proces-verbaal van bevindingen en het proces-verbaal van aanhouding van eiser overgelegd. Dat de zaak uiteindelijk geseponeerd is, maakt het voorgaande ook niet anders, nu het hier een ex-tunc beoordeling betreft.
6. Tot slot stelt de rechtbank vast dat eiser inmiddels is teruggekeerd naar Saoedi-Arabië waardoor niet getoetst hoeft te worden aan artikel 3 van Pro het EVRM.

Conclusie

7. De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Dit betekent dat het terugkeerbesluit in stand blijft. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. N. Boonstra, rechter, in aanwezigheid van mr. I.S. Roefs, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen vier weken na de dag van bekendmaking.

Voetnoten

1.Europese Unie.
2.Europese Economische Ruimte.
3.Vreemdelingenwet 2000.
4.Verordening 2016/399.
5.Openbaar Ministerie.
6.Afdeling bestuursrecht van de Raad van State.