Uitspraak
RECHTBANK Den Haag
1.STICHTING HAAGSE GEZONDHEIDSCENTRA te Rijswijk,
VVAA SCHADEVERZEKERINGEN N.V.te Utrecht,
1.De procedure
- het verzoekschrift, ter griffie ingekomen op 2 september 2025, met producties 1 en 2;
- het verweerschrift, ter griffie ingekomen op 3 december 2025 met producties 1 tot en met 11;
- de brief van 25 september 2025 van mr. Keereweer waarin verweerster sub 1 als thans is aangegeven en een correctie in het verzoekschrift is vermeld.
- [verzoeker] , bijgestaan door mr. van Apeldoorn;
- mr. de Jong.
2.De feiten
3.Het geschil
- prof. dr. H. de Vries, verbonden aan “Lege artis” Medische expertises, of prof. dr. C. van Weel, verbonden aan het Radboud UMC (Huisartsengeneeskunde), tot deskundige te benoemen;
- te bepalen dat de kosten van het deskundigenbericht in gelijke mate over partijen moet worden verdeeld.
4.De beoordeling
5.De beslissing
ieder de helft van het voorschotdienen over te maken
binnen twee wekenna de datum van de nota met betaalinstructies van het Landelijk Dienstencentrum voor de Rechtspraak;
- de deskundige voor aanvang van het onderzoek dient kennis te nemen van de Leidraad deskundigen in civiele zaken (te raadplegen op www.rechtspraak.nl of desgevraagd te verkrijgen bij de griffie) en deze in acht dient te nemen;
- de deskundige het onderzoek pas na het bericht van de griffier omtrent betaling van het voorschot dient aan te vangen;
- de deskundige het onderzoek onmiddellijk dient te staken en contact dient op te nemen met de griffier, indien tijdens de uitvoering van de werkzaamheden het voorschot niet toereikend blijkt te zijn;
vier maandenna het schriftelijk bericht van de griffier omtrent de betaling van het voorschot een schriftelijk en ondertekend bericht in drievoud ter griffie van de rechtbank in te leveren (met vermelding van het zaaknummer), onder bijvoeging van een gespecificeerde declaratie;
- dat uit het schriftelijk bericht moet blijken op welke stukken het oordeel van de deskundige is gebaseerd;
- dat in het geval een lichamelijk onderzoek van [verzoeker] heeft plaatsgevonden de deskundige [verzoeker] in de gelegenheid moet stellen om gebruik te maken van zijn inzage- en blokkeringsrecht als bedoeld in artikel 7:464 lid 2 onder Pro b BW en, indien [verzoeker] als eerste kennis wenst te nemen van het deskundigenrapport, een concept van dat rapport aan [verzoeker] (eventueel in een gesloten envelop via zijn advocaat) moet toesturen en [verzoeker] daarbij een termijn van twee weken moet bieden om aan te geven of hij gebruik wil maken van zijn blokkeringsrecht (waarbij [verzoeker] zich van commentaar op het concept moet onthouden);
- dat, indien [verzoeker] binnen die termijn mededeelt gebruik te maken van zijn blokkeringsrecht, de deskundige de werkzaamheden onmiddellijk moet staken en dit aan de rechtbank moet mededelen;
- dat, indien [verzoeker] geen gebruik maakt van zijn inzage- of blokkeringsrecht, de deskundige het concept van het deskundigenrapport aan (de advocaten van) partijen moet toezenden;
binnen vier wekendienen te reageren op het concept-rapport van de deskundige nadat dit aan partijen is toegezonden en dat partijen bij de deskundige geen gelegenheid hebben op elkaars opmerkingen en verzoeken naar aanleiding van het concept-rapport te reageren;