ECLI:NL:RBDHA:2026:19626

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
16 juli 2026
Publicatiedatum
16 juli 2026
Zaaknummer
C/09/703506 / KG ZA 26-403
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Kort geding
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:248 lid 1 BWArt. 6:248 lid 2 BWArt. 6:119 BWWet kwaliteit, klachten en geschillen zorg (Wkkgz)Geneesmiddelenwet (Gnw)
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ziekenhuis mag samenwerking met cardiologisch onderzoeksbureau beëindigen wegens strijd met nieuw financieringsbeleid

Cardio Research, een door cardiologen van het Reinier de Graaf ziekenhuis opgerichte onderzoeksvennootschap, voerde cardiovasculair geneesmiddelenonderzoek uit binnen het ziekenhuis. De samenwerking bestond uit het gebruik van faciliteiten en detachering van medewerkers, met financiering via directe betalingen aan Cardio Research. In 2025 stelde het ziekenhuis een Beleidslijn Wetenschap vast die centrale financiering en transparantie van onderzoeksgelden voorschrijft, mede ingegeven door landelijke zorgen over financiële beïnvloeding in de zorg.

Cardio Research betwistte de beëindiging van de samenwerking en stelde dat sprake was van een duurovereenkomst voor onbepaalde tijd, die alleen met zwaarwegende grond en opzegtermijn mocht worden beëindigd. Het ziekenhuis stelde dat de samenwerking bestond uit opeenvolgende overeenkomsten en dat de Beleidslijn een zwaarwegende grond vormde om de samenwerking te beëindigen.

De voorzieningenrechter oordeelde dat, ook als de samenwerking als duurovereenkomst wordt gezien, de beëindiging gerechtvaardigd is vanwege het belang van het ziekenhuis bij transparantie en het voorkomen van financiële prikkels die de zorg kunnen beïnvloeden. De lopende onderzoeken kunnen worden voortgezet volgens de oude werkwijze, zodat geen onmiddellijke schade ontstaat. Een opzegtermijn is niet vereist. De vorderingen van Cardio Research werden afgewezen en zij werden veroordeeld in de proceskosten.

Uitkomst: De rechtbank wijst de vorderingen af en oordeelt dat het ziekenhuis de samenwerking met Cardio Research mag beëindigen zonder opzegtermijn vanwege strijd met de Beleidslijn Wetenschap.

Uitspraak

Rechtbank den haag

Team handel - voorzieningenrechter
zaak- / rolnummer: C/09/703506 / KG ZA 26-403
Vonnis in kort geding van 16 juli 2026
in de zaak van

1.Cardio Research Delft B.V. te Delft,

2. [eisers sub 2]te [woonplaats 1],
3. [eisers sub 3]te [woonplaats 2],
eisers,
advocaten mrs. M.W.E Evers en R.E.E. van Dekken te Amsterdam,
tegen:
Stichting Reinier de Graaf Groepte Delft,
gedaagde,
advocaten mrs. J.J. Rijken, M.A.F. Evers en C.H.J. Habraken te Amsterdam.
Partijen worden hierna respectievelijk aangeduid als ‘Cardio Research’, ‘[eisers sub 2]’, ‘[eisers sub 3]’ en ‘RdG’. Eisers worden samen als ‘Cardio Research c.s.’ aangeduid.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding met producties 1 tot en met 44;
- de door RdG overgelegde conclusie van antwoord met producties 1 tot en met 41;
- de akte overlegging aanvullende producties van Cardio Research c.s., met productie 45 tot en met 49;
- de op 22 juni 2026 gehouden mondelinge behandeling, waarbij door beide partijen pleitnotities zijn overgelegd.
1.2.
Tijdens de zitting is vonnis bepaald op vandaag.

2.De feiten

Op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting wordt in dit geding van het volgende uitgegaan.
2.1.
RdG is het oudste ziekenhuis van Nederland en een van de 27 topklinische ziekenhuizen in ons land.
2.2.
Cardio Research [1] is opgericht op 13 september 2014. Haar hoofdactiviteit is het verrichten van cardiovasculair (geneesmiddelen)onderzoek. Dit onderzoek wordt verricht door cardiologen die deel uit maken van de vakgroep cardiologie van RdG, waaronder [eisers sub 2] en [eisers sub 3], en met gebruikmaking van onderzoeksruimtes en andere faciliteiten van RdG. De onderzoeksruimtes huurt Cardio Research sinds 1 januari 2015 van RdG en de kosten voor het gebruik van de overige faciliteiten worden door RdG aan Cardio Research gefactureerd. De coördinatie van de dagelijkse (onderzoeks)werkzaamheden is in handen van drie werknemers van RdG, die bij Cardio Research zijn gedetacheerd.
2.3.
[eisers sub 2] en [eisers sub 3] zijn samen met twee andere cardiologen uit de vakgroep aandeelhouder van Cardio Research. [eisers sub 2] is daarnaast de enig bestuurder van de vennootschap.
2.4.
Hun werkzaamheden als medisch specialist verrichten [eisers sub 2] en [eisers sub 3] (en de andere cardiologen en medisch specialisten van RdG) op basis van een met het Medisch Specialisten Coöperatief RdGG U.A (hierna: MSC) gesloten ledenovereenkomst, tevens houdende opdracht tot medisch specialistische zorgverlening. De vergoeding die zij op basis van deze overeenkomst krijgen ziet niet op het verrichten van onderzoekswerkzaamheden. Daarnaast hebben zij een praktijkovereenkomst met RdG gesloten.
2.5.
Cardio Research verricht (hoofdzakelijk) onderzoeken die door de Werkgroep Cardiologische centra Nederland (hierna: de WCN) bij haar worden aangedragen. Het gaat om onderzoeken die door sponsoren of door de WCN zelf zijn geïnitieerd. Voordat WCN deze onderzoeken onder haar leden (49 cardiovasculaire vakgroepen, waaronder Cardio Research) uitzet, wordt het onderzoek getoetst door een medisch-ethische toetsingscommissie (METC) en wordt door WCN aan de hand van wettelijk vastgestelde vergoedingen een begroting van de kosten van het onderzoek gemaakt. Een onderzoek kan door meerdere WCN-leden worden uitgevoerd.
2.6.
Wanneer Cardio Research besluit het onderzoek uit te willen voeren en het door WCN aan haar wordt toegekend, ondertekent zij een Verklaring Geschiktheid Onderzoeksinstelling. Vervolgens wordt het onderzoeksdossier aangemeld bij het Wetenschapsbureau van het ziekenhuis, die een inhoudelijke beoordeling uitvoert. De voor het verrichten van het onderzoek te sluiten overeenkomst, de
Clinical Trial Agreement(CTA), wordt getekend door de sponsor (indien aanwezig), RdG en de hoofdonderzoeker onder wiens verantwoordelijkheid het onderzoek wordt uitgevoerd. Een onderzoek kan pas van start gaan na door de raad van bestuur van Cardio Research (hierna: Raad van Bestuur) – op basis van het door het Wetenschapsbureau aan haar voorgelegde onderzoeksdossier – gegeven goedkeuring. Die goedkeuring wordt vastgelegd in een goedkeuringsbrief aan de hoofdonderzoeker.
2.7.
Gemiddeld loopt een onderzoek vier jaar. De onderzoekskosten die Cardio Research maakt, worden gefactureerd aan de WCN, die op basis daarvan de vergoedingen van de sponsor aan Cardio Research betaalt. De aan WCN toegestuurde facturen worden ook aan de Raad van Bestuur toegezonden. Ook wordt de Raad van Bestuur periodiek op de hoogte gehouden van de voorgang van het onderzoek en vinden daarover gesprekken plaats.
2.8.
Op dit moment lopen er dertien onderzoeken die door de Raad van Bestuur zijn goedgekeurd.
2.9.
In 2022 is aan het licht gekomen dat cardiologen van een aantal topklinische ziekenhuizen mogelijk onredelijk hoge vergoedingen ontvingen van leveranciers van medische hulpmiddelen. Naar aanleiding hiervan is de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd een onderzoek gestart bij acht Nederlandse ziekenhuizen naar de financiële relaties tussen artsen en leveranciers van medische hulpmiddelen. De IGJ concludeert in haar in 2024 uitgebrachte rapport dat er binnen ziekenhuizen te weinig openheid bestaat over die relaties en dat artsen en bestuursleden de wet- en regelgeving en eigen gedragscode over financiële beïnvloeding onvoldoende toepassen.
2.10.
In 2025 hebben de Nederlandse Vereniging van Ziekenhuizen, de Federatie van Medisch Specialisten en de Nederlandse Federatie van Universitair Medische Centra de ‘Handreiking Governance sponsor- en dienstverleningsrelaties tussen zorgprofessionals en industrie 3.0’ gepubliceerd. De handreiking bevat aanbevelingen aan de raden van bestuur en zorgprofessionals met betrekking tot dienstverlenings- en sponsorovereenkomsten (inclusief wetenschappelijk onderzoek) vanuit de industrie van medische hulpmiddelen en de farmaceutische industrie. Een van de aanbevelingen is om afspraken te maken over de inrichting van centrale financiering en administratie via de raad van bestuur, dan wel via het medisch specialistisch bedrijf.
2.11.
RdG heeft in de hiervoor genoemde periode ook zelf onderzoek gedaan naar de financiële stromen rondom wetenschappelijk onderzoek binnen het ziekenhuis en in hoeverre zij daar voldoende zicht en toezicht op had. In de uitkomsten van dat onderzoek heeft RdG aanleiding gezien om het beleid rondom wetenschappelijk onderzoek te herijken. Zij heeft in 2025 een concept Beleidslijn Wetenschap (hierna: de Beleidslijn) opgesteld. In het concept is het volgende opgenomen:
“Financiering en verantwoording.
Huidige situatie:
- De financiële stromen in relatie tot wetenschap in het Reinier zijn versnipperd en deels onvoldoende transparant. Ten aanzien van de begunstigden zijn er nu (resp. historisch situaties) diverse stromen, waarbij dit de volgende entiteiten kunnen zijn: ziekenhuis, de onco research als onderdeel van het ziekenhuis, de cardio research bv (eigendom van enkele cardiologen), vakgoepen die dit al dan niet via entiteiten doen (w.o. orthopedie) of individuele medisch specialisten;
- De onco research unit laat de geldstromen gaan via de administratie en bankrekeningen van het ziekenhuis en zijn dus een verbijzondering van ‘het ziekenhuis’. RHMDC en NEK en SMW onderzoek, beschouwen we ook als ziekenhuis en dient dezelfde procedures te doorlopen (dit gebeurt nog niet altijd).
Toekomstige inrichting:
Stichting Reinier als kassier van alle onderzoek.
- Als het gaat om geldstromen en begunstigden willen we er naar toe dat Stichting Reinier de Graaf altijd kassier is, teneinde aan onze verantwoordelijkheden en verplichtingen invulling te kunnen geven. Dit doen we vanwege de door wet- en regelgeving gevraagde transparantie en legitimatie over geldstromen.
- Kassier zijn wil niet zeggen dat de revenuen ten gunste van de stichting Reinier komen. De centrale kassiers functie is er alleen op gericht dat er volledig zicht is op inkomsten en uitgaven en verplichtingen. De verantwoordelijkheid van onderzoeker en Wetenschapsbureau op inhoud en geldstromen blijft onverminderd bestaan.
- De financiële stromen behorende bij wetenschappelijke studies en onderzoek kunnen niet meer via individuele vakgroepen en medisch specialisten of hun juridische entiteiten lopen.
Ten aanzien van de begunstiging van positieve saldi geldt:
- Bij de begroting blijkt de dekking om een project uit te kunnen voeren en de te maken kosten
- Ziekenhuisfacilitering zoals lab, apotheek, beeldvorming, materialen, ok’s of personele inzet van ziekenhuispersoneel (onderzoekers, niet zijnde de verantwoordelijk medisch specialist) wordt op de projecten begroot en verantwoord;
- Positieve saldi van studies (bijvoorbeeld industriestudies) kunnen op een reserverekening per vakgroep ter beschikking blijven aan de vakgroep van de onderzoeker, t.b.v. nieuwe research, met nog nader op te stellen spelregels. Zo blijft de prikkel om de saldi weer voor nieuw onderzoek aan te kunnen wenden en research binnen Reinier te blijven door ontwikkelen.
- Research saldi binnen Reinier gegenereerd kunnen dus geen aanvullend inkomen van medisch specialisten vormen.
- Onco en cardio research hebben eigen research deskundigheid gecoördineerd die samenwerken met het wetenschapsbureau, waarbij het wetenschapsbureau de toetsing namens het ziekenhuis uitvoert, veelal geholpen door deze twee bureau’s in hun voorwerk en eigen opgebouwde deskundigheid
2.12.
Op 2 april 2025 heeft een gesprek plaatsgevonden tussen onder andere de Raad van Bestuur van RdG en Cardio Research c.s. waarin de conceptbeleidslijn is besproken. Naar aanleiding van dit gesprek heeft [eisers sub 2] per e-mail een reactie gegeven op het concept, die er – kort samengevat – op neerkomt dat Cardio Research de beleidslijn overbodig acht, omdat zij vrijwel uitsluitend onderzoek verricht dat gefaciliteerd is door de WCN waardoor volstrekt transparant en inzichtelijk is hoe het totstandkomingsproces verloopt en welke geldstromen er zijn. [eisers sub 2] wijst er daarnaast op dat in het concept het zelfstandig ondernemerschap niet wordt benoemd, terwijl de daarmee te behalen resultaten juist een stimulans zijn voor de medisch professionals en de cardiologen in het bijzonder om (in hun eigen tijd) wetenschappelijk onderzoek te blijven verrichten.
2.13.
In juni 2025 heeft de Raad van Bestuur, na consultering van MSC, het Hooglerarencollectief, het managementteam, de Reinier Academie, de wetenschapsraad en het Wetenschapsbureau, de Beleidslijn, waarin de in het concept genoemde uitgangspunten zijn verwerkt, definitief vastgesteld.
2.14.
Nadien hebben de Raad van Bestuur, Cardio Research en MSC gesproken over de Beleidslijn en de overgang van het cardiologisch onderzoek naar de nieuwe situatie, waarbij de beoogde transitiedatum 1 januari 2026 was. Cardio Research heeft daarbij haar bedenkingen herhaald en duidelijk gemaakt dat zij enkel onder voorwaarden akkoord kan gaan met de wens van de Raad van Bestuur de cardiologische research in te bedden in de ziekenhuisstructuur. Een van die voorwaarden is dat er vergoeding komt voor gewerkte uur van research in lijn met de richtlijnen van de Centrale Commissie Mensgebonden Onderzoek (CCMO, de toezichthouder). In de gesprekken en de correspondentie nadien is ook de goedkeuring van al door Cardio Research aangevraagde onderzoeken onderwerp van debat geweest. Daarbij heeft de Raad van Bestuur kenbaar gemaakt dat voordat goedkeuring wordt verleend, duidelijkheid moet bestaan over de transitie.
2.15.
Bij brief van 17 december 2025 heeft de voorzitter van de Raad van Bestuur een voorstel gedaan in het kader van de overgang van de onderzoeksactiviteiten. Dat voorstel luidt als volgt:
1. Met ingang van 1 januari 2026 verloopt al het cardiologische onderzoek in Reinier de Graaf conform de Beleidslijn wetenschap. Dit geldt zowel voor lopend onderzoek als voor nieuw te starten onderzoek.
2. Dit betekent dat de facturatie en betaling van alle onderzoek met ingang van 1 januari 2026 door Stichting Reinier de Graaf wordt verzorgd en afgehandeld. Cardio Research Delft zal hiervoor niet langer rechtstreeks gelden ontvangen.
3. Cardio Research Delft zal niet langer de kosten van ruimtes en gedetacheerde onderzoeksmedewerkers vanaf 1 januari 2026 aan Reinier de Graaf verschuldigd zijn.
4. Aan de vakgroep cardiologie zal gezamenlijk met/door het MSC een aanvullend dagdeel voor wetenschap toegekend.
5. Deze afspraken zullen nader worden uitgewerkt en vastgelegd in een korte overeenkomst.”
De Raad van Bestuur heeft daarnaast in haar brief opgemerkt dat zij met ingang van 1 januari 2026 niet langer goedkeuring zal verlenen aan nieuw wetenschappelijk onderzoek (nieuwe studies) dat niet aan de Beleidslijn voldoet.
2.16.
Cardio Research heeft bij brief van 24 december 2025 op het voorstel gereageerd, waarbij zij opnieuw heeft aangegeven dat het voor haar onduidelijk blijft waarom de huidige werkwijze niet kan worden voortgezet. Ook, heeft zij onderwerpen benoemd die volgens haar in een transitieregeling dienen te worden geadresseerd. Zij noemt onder meer een compensatie voor het wegvallen van toekomstige inkomsten en het wegvallen van goodwill en een (uur)vergoeding voor lopende en toekomstige onderzoeken. Ook meent Cardio Research dat de opbrengsten van onderzoeken in de toekomst, na aftrek van kosten, aan de vakgroep cardiologie ten goede moeten komen voor (i)
investigator initiated studies, (ii) PhD-opleidingen, (iii) contributie van de WCN, (iv) (congres)kosten ten behoeve van uitvoering van studies en (v) representatiekosten.
2.17.
De Raad van Bestuur heeft op 12 januari 2026, naar aanleiding van een eerdere bespreking, de redenen voor de invoering van de Beleidslijn verduidelijkt en een aangepast voorstel gedaan dat – samengevat – inhoudt dat, in aanvulling op het eerdere voorstel, RdG alle risico’s en (financiële) verplichtingen van de vennootschap rond research vanaf 1 januari 2026 overneemt en dat er gesproken kan worden over extra formatieruimte/te besteden tijd aan wetenschap bovenop het al aangeboden dagdeel.
2.18.
In haar schriftelijke reactie van 6 februari 2026 op dit voorstel heeft Cardio Research via haar toenmalig advocaat laten weten het aangepaste voorstel niet redelijk te vinden, omdat daarmee de belangen van Cardio Research worden miskent. Daarbij heeft zij erop gewezen dat, gelet op de tussen partijen bestaande duurovereenkomst, RdG een redelijke opzegtermijn (die wat haar betreft één jaar bedraagt) in acht moet nemen gecombineerd met een passend aanbod tot betaling van een schadevergoeding. Cardio Research merkt ook nog op dat zij verwacht dat RdG de ingediende onderzoeksaanvragen per ommegaande goedkeurt, omdat voor de opschorting daarvan geen rechtvaardiging bestaat.
2.19.
In de maanden daarna hebben partijen opnieuw gesproken over een minnelijke oplossing. Dit heeft niet tot resultaat geleid.
2.20.
In een brief van 3 april 2026 heeft RdG betwist dat sprake is van een duurovereenkomst voor onbepaalde tijd en, voor zover dit wel zo is, heeft zij die overeenkomst opgezegd. In die brief schrijft RdG verder dat zij voor niet lopende onderzoeken (onderzoeken waarvoor nog geen CTA is gesloten), die niet voldoen aan de Beleidslijn geen CTA zal sluiten. Over de lopende onderzoeken (onderzoeken waarvoor wel een CTA is gesloten) heeft zij het volgende opgemerkt:

5 LOPENDE ONDERZOEKEN
Reinier de Graaf verstaat onder 'lopende onderzoeken' die studies waarvoor een overeenkomst
tussen Reinier de Graaf en een farmaceutische onderneming tot stand is gekomen. Voor deze
onderzoeken geldt het volgende.
Reinier de Graaf en Cardio Research zijn het erover eens dat het huidige verschil van inzicht geen gevolgen moet hebben voor de proefpersonen die bij lopende onderzoeken betrokken zijn. Tegen deze achtergrond heeft Reinier de Graaf tot nu toe toegestaan dat deze studies doorlopen volgens de werkwijze waaronder zij zijn begonnen.
Met de (definitieve) beslissing om niet langer overeenkomsten aan te gaan voor nieuwe studies en de opzegging van de - door Cardio Research gepretendeerde - duurovereenkomst is echter een nieuwe situatie ontstaan. Reinier de Graaf treedt graag met Cardio Research in gesprek om afspraken te maken over het vervolg van de lopende studies en over een zorgvuldig vast te stellen transitiedatum. In dat overleg zullen uiteraard ook de detacheringsovereenkomsten en de lopende huurovereenkomst aan de orde komen; daarin is expliciet voorzien in de mogelijkheid van eerdere beëindiging.”
2.21.
[eisers sub 3] heeft (mede namens [eisers sub 2]) hierop bij e-mail van 8 april 2026 gereageerd. In die e-mail schrijft hij onder meer het volgende:
(…) De twee belangrijkste punten die ons verdeeld houden zijn in mijn ogen
1. de vraag of jullie eenzijdige stopzetting van de jarenlange samenwerking in de gegeven
omstandigheden en op de manier waarop dit gebeurt zonder vergoeding, is toegestaan. Wij
beantwoorden deze vraag negatief, jullie positief.
2. de vraag hoe het verder gaat met cardiologische onderzoeken, zowel wat betreft de lopende
onderzoeken als nieuwe onderzoeken. Er bestaat geen nieuwe regeling op grond waarvan uitvoering van lopende en nieuwe onderzoeken is gewaarborgd. De nieuwe beleidslijn regelt alleen wat er volgens RdG niet mag. Maar er is voorzover ons bekend niet voorzien in vervangende onderzoekers die zich hebben gecommitteerd om lopende onderzoeken voort te zetten en nieuwe onderzoeken op te pakken.
Hiermee dreigt de continuïteit van de onderzoeken in gevaar te komen.
(…) Met deze email wil ik nog een laatste poging doen om verdere escalatie te voorkomen. Mijn voorstel is dat we wat betreft vraag 1 afspreken dat we het niet met elkaar eens zijn (agree to disagree) en dat Cardio Research al haar rechten behoudt om (schade)vergoeding te vorderen. Daarover kunnen we ook een vertrouwelijke procedure afspreken.
Cardio Research zal voor het overige dan het aangepaste voorstel van RdG accepteren, zoals in hoofdlijn is opgenomen in de brieven van RdG van 17 december 2025 en 12 januari 2026, met dien verstande dat wordt vastgesteld dat er geen verplichting bestaat voor cardiologen om daadwerkelijk nieuwe cardiologische onderzoeken uit te voeren in de nieuwe constellatie. Zoals gezegd is momenteel niet voorzien in vervangende onderzoekers die zich hebben gecommitteerd om onderzoeken te doen. Wel zullen wij, als onderdeel van de regeling dan volledige medewerking verlenen aan de transfer van de lopende studies. Verder gaan we ervan uit dat RdG als deze tussenoplossing wordt geaccepteerd er alles aan zal doen, ook in het maatschappelijk belang, om te komen tot een nieuwe regeling met de vakgroep om toekomstige onderzoeken te waarborgen, waar Cardio Research ook al die jaren aan heeft gewerkt en een zeer goede reputatie in heeft opgebouwd.
(...)
2.22.
RdG heeft dit voorstel van de hand gewezen.

3.Het geschil

3.1.
Cardio Research c.s. vorderen – zakelijk weergegeven – dat de voorzieningenrechter RdG bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad,
primair
gebiedt de samenwerking met Cardio Research c.s. onmiddellijk en ongewijzigd voort te zetten voor de duur van 24 maanden en binnen die termijn onder begeleiding van een door de voorzieningenrechter aan te wijzen procesbegeleider/mediator in overleg te gaan met Cardio Research c.s. over de transitie en afwikkeling van de samenwerking;
subsidiair
gebiedt uitvoering te geven aan het minnelijke voorstel zoals dat door Cardio Research c.s. bij e-mail van 8 april 2026 is gedaan;
in beide gevallen
veroordeelt in de proceskosten.
3.2.
Daartoe voeren Cardio Research c.s. – samengevat – het volgende aan. De samenwerking tussen Cardio Research en RdG kwalificeert als een duurovereenkomst voor onbepaalde tijd. Dit blijkt onder meer uit de volgende omstandigheden:
  • Al sinds 1996 is sprake van een bestendige samenwerking tussen rechtsvoorgangers van Cardio Research en RdG en sinds 13 september 2014 tussen Cardio Research en RdG;
  • Cardio Research is de enige partij die bij RdG cardiovasculair geneesmiddelenonderzoek verricht;
  • Cardio Research is opgericht in het kader van de uitvoering van dat onderzoek en houdt zich uitsluitend daarmee bezig;
  • Uit de samenwerking vloeien voortdurend en telkens terugkerende rechten en verplichtingen voor beide partijen voort, die onder andere ook zijn gegrond in de detachering- en huurovereenkomst.
  • Cardio Research dient goedkeuring te krijgen van (de Raad van Bestuur van) RdG voor de uitvoering van de onderzoeken, hetgeen altijd op eenzelfde wijze wordt uitgevoerd en waarbij Cardio Research afhankelijk is van RdG;
  • RdG ondertekent steevast per onderzoek de CTA;
  • RdG is volledig op de hoogte van de geldstromen binnen Cardio Research alsook van haar jaarrekeningen.
3.3.
Opzegging van de duurovereenkomst is gelet op de eisen van redelijkheid en billijkheid volgens Cardio Research c.s. in dit geval alleen mogelijk als daarvoor een zwaarwegende grond bestaat. Die zwaarwegende grond heeft RdG niet. De geldende wet- en regelgeving staan, anders dan RdG beweert, niet aan de huidige wijze van samenwerking, met Cardio Research als onderzoeksonderneming, in de weg. Er was dan ook geen noodzaak voor invoering van de Beleidslijn en beëindiging van de samenwerking. Daarnaast geldt dat RdG minst genomen een redelijke opzegtermijn in acht moet nemen. Een opzegging zonder enige opzegtermijn, zoals RdG poogt, is in strijd met artikel 6:248 lid 1 Burgerlijk Pro Wetboek (BW) en ook naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar ex artikel 6:248 lid 2 BW Pro, aldus Cardio Research c.s. Zij stellen dat tot de introductie van de (concept) Beleidslijn er voor Cardio Research c.s. geen enkele indicatie was dat de bijzondere, reeds lange tijd bestaande samenwerking zou eindigen, terwijl ook na de definitieve vaststelling daarvan RdG nog actief het beeld heeft geschetst dat de samenwerking zou worden gecontinueerd voor in ieder geval een zekere geruime (transitie- en opzeg)periode. De samenwerking is ook pas formeel per brief van 3 april 2026 opgezegd. Bovendien worden de lopende onderzoeken nog steeds door Cardio Research uitgevoerd en heeft de Raad van Bestuur eind november 2025 en begin januari 2026 nog CTA’s getekend voor toekomstige onderzoeken. Daar komt bij dat RdG tot op heden niet heeft voorzien in een adequate transitie en afwikkeling van de samenwerking tussen partijen en ook niet in een plan ter waarborging van de uitvoering van cardiovasculair onderzoek in de toekomst. Dit raakt niet alleen de belangen van Cardio Research c.s., maar ook de overige partijen die betrokken zijn bij de cardiovasculaire onderzoeken, zoals proefpersonen, sponsoren, de WCN en de gedetacheerde medewerkers.
3.4.
RdG voert verweer, dat hierna, voor zover nodig, zal worden besproken.

4.De beoordeling van het geschil

Spoedeisend belang
4.1.
RdG stelt zich op het standpunt dat Cardio Research c.s. geen spoedeisend belang hebben bij de door hen gevraagde voorzieningen. De voorzieningenrechter volgt haar daarin niet. Voldoende aannemelijk is dat de onduidelijkheid rondom de voortgang en continuïteit van cardiovasculaire onderzoeken voor onrust heeft geleid in het ziekenhuis en daarbuiten. Weliswaar is in deze procedure gebleken dat die onrust gedeeltelijk (waar het de lopende onderzoeken betreft) voortkomt uit miscommunicatie, maar dat laat onverlet dat Cardio Research c.s. en ook de overige bij het onderzoek betrokken partijen er belang bij hebben snel een oordeel te krijgen over de vraag of en in hoeverre Cardio Research nog betrokken kan zijn bij (reeds aangevraagde, maar nog niet goedgekeurde) toekomstige onderzoeken. Bovendien is niet uit te sluiten dat de ontstane onrust over de continuïteit van cardiovasculair onderzoek in het ziekenhuis een negatieve impact heeft op de onderzoeken die op dit moment lopen.
Het komt de voorzieningenrechter aannemelijk voor dat de bereidheid om in gesprek te gaan over hoe de nieuwe en lopende onderzoeken in de (nabije) toekomst met inachtneming van de Beleidslijn kunnen worden uitgevoerd, mede zal afhangen van het voorlopig oordeel over (de rechtsgeldigheid van) de beëindiging van de samenwerking. In zoverre is de door Cardio Research c.s. gevraagde duidelijkheid ook in het belang van RdG.
Inhoudelijke beoordeling
4.2.
Het gaat in deze zaak om de vraag of RdG vanwege de invoering van de Beleidslijn de samenwerking met Cardio Research mocht beëindigen. Cardio Research c.s. menen dat RdG dit niet mocht, althans niet zonder daarbij een opzegtermijn in acht nemen (en een schadevergoeding te betalen). Zij stelt dat de samenwerking tussen Cardio Research en RdG kwalificeert als een duurovereenkomst voor onbepaalde tijd. RdG betwist dit. Volgens haar is sprake van opeenvolgende losse overeenkomsten van opdracht, die steeds tot stand zijn gekomen na het doorlopen van het interne beoordelingsproces en nadat daarvoor door de Raad van Bestuur goedkeuring is verleend.
4.3.
Naar het oordeel van de voorzieningenrechter kan in het kader van dit kort geding in het midden blijven of sprake is van een duurovereenkomst voor onbepaalde tijd, omdat ook als ervan uit wordt gegaan dat de samenwerkingsrelatie tussen Cardio Research en RdG moet worden gezien als een duurovereenkomst voor onbepaalde tijd de vorderingen van Cardio Research c.s. niet toewijsbaar zijn. Daartoe wordt het volgende overwogen.
4.4.
Het is vaste rechtspraak dat duurovereenkomsten voor onbepaalde tijd in beginsel opzegbaar zijn, maar dat de eisen van redelijkheid en billijkheid in verband met de aard en de inhoud van de overeenkomst en de omstandigheden van het geval kunnen meebrengen dat opzegging slechts mogelijk is als daarvoor een voldoende zwaarwegende grond bestaat. Ook kunnen die eisen meebrengen dat een bepaalde opzegtermijn in acht moet worden genomen of dat de opzegging gepaard moet gaan met het aanbod tot betaling van een (schade)vergoeding. [2]
Voldoende zwaarwegende grond
4.5.
De voorzieningenrechter acht het in dit geval aannemelijk dat in een bodemprocedure zal worden geoordeeld dat, voor zover al – zoals Cardio Research c.s. stellen – een voldoende zwaarwegende grond voor opzegging is vereist om de samenwerking met Cardio Research te beëindigen, die grond aanwezig is.
4.6.
Deze zaak speelt zich af tegen de achtergrond van een wettelijk kader dat gevormd wordt door (met name) de Wet kwaliteit, klachten en geschillen zorg (Wkkgz), de Geneesmiddelenwet (Gnw), de Wet medisch wetenschappelijk onderzoek met mensen (WMO) en daaraan verwante (internationale) regelgeving. Met deze wetten wordt onder meer beoogd de belangen van personen die deelnemen aan medisch wetenschappelijk onderzoek te beschermen. Daarbij rust een belangrijke verantwoordelijkheid op de zorginstelling onder wiens dak het onderzoek wordt uitgevoerd en/of die het onderzoek faciliteert, zoals in dit geval RdG. Een van risico’s waartegen personen die deelnemen aan medisch wetenschappelijk onderzoek beschermd moeten worden is (oneigenlijke) beïnvloeding van de onderzoekers van buitenaf, bijvoorbeeld door fabrikanten van geneesmiddelen, ook wel gunstbetoon genoemd. De Gnw definieert gunstbetoon als het in het vooruitzicht stellen, aanbieden of toekennen van geld of op geld waardeerbare diensten of goederen met het kennelijke doel het voorschrijven, ter hand stellen of gebruiken van een geneesmiddel te bevorderen. [3] Gunstbetoon is in beginsel verboden, tenzij – voor zover voor deze zaak relevant – de vergoeding in redelijke verhouding staat tot de te verrichte (onderzoeks)prestatie. [4] De CCMO heeft dit nader uitgewerkt in haar statement ‘vergoedingen voor onderzoeksdeelnemers en onderzoekers’. Daarin is over de vergoeding van onderzoekers het volgende bepaald:
• Gemaakte onkosten worden altijd vergoed;
• Een vergoeding is gebaseerd op tijdsinvestering en de voor die beroepsgroep
gangbare uurvergoeding;
• Een extra vergoeding is niet wenselijk;
• Persoonlijk gewin is niet acceptabel;
• Gewin voor de instelling of het onderzoeksinstituut is binnen redelijke grenzen wel
acceptabel;
• Afspraken over vergoedingen tussen opdrachtgever, uitvoerder en instelling moeten
zijn vastgelegd in een contract. Dit contract is opvraagbaar bij de beoordeling van
het onderzoeksprotocol.
4.7.
Niet in geschil is dat door berichtgeving in de media dat medisch specialisten onredelijke hoge vergoedingen ontvingen van fabrikanten van medische hulmiddelen in de afgelopen jaren meer aandacht is gekomen voor de financiële relaties tussen de industrie en medisch specialisten (2.9 en 2.10). RdG heeft aangevoerd dat dit aanleiding is geweest om haar eigen beleid en werkwijze onder de loep te nemen en uiteindelijk maatregelen te treffen, te weten het vaststellen van de Beleidslijn. Cardio Research c.s. hebben dit weliswaar betwist, maar de voorzieningenrechter acht die betwisting in het licht van de onderzoeksbevindingen van de IGJ, de in 2.10 genoemde handreiking en de daarbij aansluitende inhoud van de Beleidslijn onvoldoende steekhoudend.
4.8.
In de Beleidslijn is – kort gezegd – vastgelegd dat de financiering van wetenschappelijk onderzoek steeds via RdG verloopt, om volledig zicht op inkomsten, uitgaven en verplichtingen te hebben. Met die centrale financiering wil RdG, zo heeft zij toegelicht, oneigenlijke prikkels die de zorgverlening kunnen beïnvloeden voorkomen ter waarborging van de veiligheid van haar patiënten waarvoor zij op grond van de wet eindverantwoordelijkheid draagt. De wijze van financiering van de onderzoeken die Cardio Research uitvoert is strijdig met de Beleidslijn. Immers, de vergoedingen voor deze onderzoeken worden rechtstreeks aan Cardio Research (door)betaald. Dit belemmert RdG in de uitoefening van haar wettelijke verantwoordelijkheden zoals zij die met de Beleidslijn voorstaat.
4.9.
Naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter kan hierin een voldoende zwaarwegende grond worden gevonden om de samenwerking met Cardio Research te beëindigen. Daaraan doet niet af dat Cardio Research volledig open en transparant opereert, en de vergoedingen die zij ontvangt voldoen aan wet- en regelgeving. Terecht heeft RdG opgemerkt dat de omstandigheid dat Cardio Research de bedrijfseconomische gevolgen (positief en negatief) draagt van het door haar uitgevoerde wetenschappelijk onderzoek, het risico in zich draagt dat de keuze voor een onderzoek wordt ingegeven door financiële prikkels. Het is dat risico, zo begrijpt de voorzieningenrechter, dat RdG wil uitsluiten door enkel zelf als kassier van alle onderzoeken op te treden. Dat bij Cardio Research geen sprake is van misstanden en de wet- en regelgeving niet verplicht tot centrale financiering en administratie van wetenschappelijk onderzoek, betekent niet dat die beleidskeuze de opzegging niet kan rechtvaardigen.
4.10.
Ook een belangenafweging kan niet tot een ander oordeel leiden. Daarbij betrekt de voorzieningenrechter dat Cardio Research de lopende onderzoeken vooralsnog kan blijven uitvoeren volgens de overeengekomen werkwijze. In zoverre worden de belangen van Cardio Research c.s., van de overige partijen die bij die onderzoeken betrokken zijn en het maatschappelijk belang dus niet (direct) geschaad door de beëindiging van de samenwerking. Bovendien volgt uit de Beleidslijn dat RdG de ambitie heeft om (hoogwaardig) wetenschappelijk onderzoek binnen het ziekenhuis te (blijven) ondersteunen en stimuleren. De Beleidslijn staat dus niet aan de uitvoering van nieuw (al aangevraagd) wetenschappelijk onderzoek in het ziekenhuis in de weg. Binnen andere vakgroepen vindt ook al onderzoek plaats op de door de Beleidslijn voorgeschreven wijze.
4.11.
Dat op dit moment nog onduidelijk is door wie binnen de vakgroep cardiologie, wanneer en tegen welke vergoeding cardiovasculaire onderzoeken in de (nabije) toekomst zal (moeten) worden uitgevoerd, rechtvaardigt niet de conclusie dat de belangen van Cardio Research c.s. en anderen bij voortzetting van de samenwerking zwaarder wegen dan het belang van RdG bij beëindiging daarvan. Dat geldt te meer nu RdG er blijk van heeft gegeven dat bereid is rekening te houden met die (financiële) belangen (zie bijvoorbeeld het op 12 januari 2026 gedane voorstel; 2.17) en zich bereid heeft getoond om het gesprek aan te gaan over de voortzetting van cardiovasculair onderzoek in het ziekenhuis, ook tijdens de zitting nog.
4.12.
Daar komt bij dat RdG gemotiveerd heeft betwist dat de belangen van de overige bij de onderzoeken betrokken partijen en het maatschappelijk belang door het ontbreken van afspraken over de uitvoering van nieuwe onderzoeken zo zwaar worden geraakt als Cardio Research c.s. dat doet voorkomen. Zij heeft er in dit verband onder meer (onbetwist) op gewezen dat het veelal gaat om
multicenter trials, waarin de effectiviteit van een geneesmiddel wordt getest bij duizenden proefpersonen in honderden ziekenhuizen in een groot aantal landen, zodat de impact voor sponsoren en de WCN, die de onderzoeken ook elders kan uitzetten, gering is. Daarnaast heeft RdG toegezegd dat de bij Cardio Research gedetacheerde medewerkers na afloop van de detacheringsovereenkomst binnen RdG wetenschappelijk onderzoek kunnen blijven uitvoeren.
Opzegtermijn
4.13.
De voorzieningenrechter is verder van oordeel dat in dit geval geen (nadere) opzegtermijn in acht hoeft te worden genomen. Daarbij acht hij van belang dat, zoals hiervoor al is overwogen, de lopende onderzoeken ondanks de opzegging van de samenwerking nog altijd doorlopen. Van een onmiddellijke beëindiging van de samenwerking is dan ook geen sprake. Uit de brief van 3 april 2026 en uit wat tijdens de zitting is gezegd kan bovendien worden afgeleid dat, zolang daarover geen transitieafspraken zijn gemaakt, die onderzoeken kunnen worden voortgezet (en afgerond) op basis van de voor de invoering van de Beleidslijn gebruikelijk werkwijze. Dat betekent dat Cardio Research die onderzoeken in beginsel zelf kan afronden en de daarmee te vergaren inkomsten rechtstreeks aan haar toekomen. Te verwachten is dat Cardio Research daarmee in ieder geval een deel van de gestelde door haar gedane investeringen kan terugverdienen. Bovendien wijst de voorzieningenrechter erop dat Raad van Bestuur in haar brief van 3 april 2026 onderzoeken waarvoor een CTA is getekend als lopende onderzoeken kwalificeert (2.20). Dat betekent dat ook onderzoeken waarvoor de CTA al wel door RdG is getekend, maar die nog niet door de Raad van Bestuur zijn goedgekeurd (in beginsel) nog door Cardio Research kunnen worden uitgevoerd. Dit lijkt ook in lijn met de beperkte rol van de RvB in het kader van haar goedkeuringsbevoegdheid (enkel het beoordelen van de getekende Verklaring Geschiktheid Onderzoeksinstelling en de getekende CTA en de mogelijkheid tot het stellen van vragen aan het Wetenschapsbureau (zie pagina’s 15 en 16 van de door RdG overgelegde Handleiding studiemanagementsysteem ResearchManager).
4.14.
De redelijkheid en billijkheid eisen niet dat Cardio Research daarnaast nog in staat moet worden gesteld om gedurende een bepaalde termijn nieuwe onderzoeken te starten. De door Cardio Research c.s. gestelde omstandigheden bieden, mede gelet op wat hiervoor is overwogen over de belangen van Cardio Research c.s., de overige bij de onderzoeken betrokken partijen en RdG, daarvoor onvoldoende aanknopingspunten. Voor zover Cardio Research c.s. het standpunt inneemt dat Cardio Research de kosten van lopende onderzoeken niet kan financieren als er geen nieuwe onderzoeken bijkomen, geldt dat Cardio Research c.s. dit standpunt onvoldoende hebben onderbouwd. Dat geldt te meer nu RdG heeft aangeboden om de financiële verplichtingen van Cardio Research die samenhangen met de lopende onderzoeken en de activa over te nemen, als nieuwe onderzoeken in overeenstemming met de Beleidslijn worden uitgevoerd. Ook wordt in aanmerking genomen dat een onderzoek gemiddeld vier jaar duurt, zodat bij een opzegtermijn zoals Cardio Research c.s. die voorstaan feitelijk nog een aantal jaren onderzoek wordt uitgevoerd op basis van een met de Beleidslijn strijdige werkwijze. De eisen van redelijkheid en billijkheid bieden daarvoor in dit geval geen rechtvaardiging. Dat Cardio Research c.s. betogen dat het hun bedoeling is dat al eerder tot een transitie wordt gekomen, maakt dat niet anders, zeker nu partijen tot op heden geen overeenstemming hebben kunnen bereiken.
Schadevergoeding
4.15.
Het voorgaande laat onverlet dat, indien sprake is van een duurovereenkomst, RdG mogelijk gehouden is om in verband met de beëindiging van de samenwerking een schadevergoeding aan Cardio Research te betalen. De vraag of RdG een schadevergoeding verschuldigd is, hebben Cardio Research c.s. in deze procedure echter nadrukkelijk niet aan de voorzieningenrechter voorgelegd. Daar zal de voorzieningenrechter zich in dit vonnis dan ook niet over uitlaten.
Slotsom en proceskosten
4.16.
De slotsom is dat de vorderingen van Cardio Research c.s. zullen worden afgewezen. Beide vorderingen zijn immers gegrond op de stelling dat RdG de tussen haar en Cardio Research bestaande duurovereenkomst niet mocht opzeggen, althans niet zonder daarbij een opzegtermijn in acht te nemen. Die stelling kan naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter niet worden gevolgd. Er bestaat aldus geen grond om RdG te veroordelen de samenwerking voor een bepaalde periode onverkort voort te zetten. Dat laat onverlet dat duidelijk is geworden dat met het oog op de lopende en (nog) niet lopende onderzoeken overleg tussen partijen over de afwikkeling en transitie van de samenwerking wenselijk is. De voorzieningenrechter kan in dit geval RdG daar echter niet toe veroordelen net zo min als dat hij RdG kan veroordelen om bij wijze van voorlopige voorziening uitvoering te geven aan eerdere voorstellen die zij met het oog op de continuering van cardiovasculair onderzoek binnen het ziekenhuis heeft gedaan, en die door Cardio Research c.s. niet, althans slechts voorwaardelijk zijn aanvaard.
4.17.
Cardio Research c.s. zijn in het ongelijk gesteld en moeten daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van RdG worden begroot op:
- griffierecht € 735
- salaris advocaat € 1.177
- nakosten
€ 189(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)
Totaal € 2.101
4.18.
De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.

5.De beslissing

De voorzieningenrechter:
5.1.
wijst de vorderingen van Cardio Research c.s. af;
5.2.
veroordeelt Cardio Research c.s. in de proceskosten van € 2.101, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe. Als Cardio Research c.s. niet tijdig aan de veroordeling voldoen en het vonnis daarna wordt betekend, dan moeten Cardio Research c.s. € 98 extra betalen, plus de kosten van betekening;
5.3.
veroordeelt Cardio Research c.s. in de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn voldaan;
5.4.
verklaart dit vonnis onder 5.2 en 5.3 uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. J.L.M. Luiten en in het openbaar uitgesproken op 16 juli 2026.
EI

Voetnoten

1.Toen nog Cardiologie Delft B.V. geheten.
2.Zie onder meer HR 28 oktober 2011, ECLI:NL:HR:2011:BQ9854, r.o. 3.5.1 en HR 2 februari 2018, ECLI:NL:HR:2018:141, r.o. 3.6.2.
3.Artikel 1 sub Pro zz Gnw. Het tweede lid van artikel 1 bepaalt Pro daarnaast: Voor de toepassing van het bij of krachtens deze wet bepaalde wordt met gunstbetoon gelijk gesteld het doen van een aanbod om het voorschrijven, ter hand stellen of gebruiken van een geneesmiddel te bevorderen met het kennelijke doel daarvoor geld of op geld waardeerbare diensten of goederen te ontvangen, dan wel het aanvaarden van zodanige gelden, diensten of goederen na een aanbod te hebben gedaan het voorschrijven, ter hand stellen of gebruiken van een geneesmiddel te bevorderen.
4.Artikel 94, aanhef en onder a., Gnw, artikel 3, eerste lid, onder i, WMO.