ECLI:NL:RBDHA:2026:19604

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
25 juni 2026
Publicatiedatum
16 juli 2026
Zaaknummer
AWB 25.17313
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Proces-verbaal
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:5 AwbArt. 6:6 AwbArt. 6:19 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkheid beroep tegen visumafwijzing wegens ontbreken van gronden

Eiseres diende een aanvraag in voor een kort verblijf visum, welke door de minister van Buitenlandse Zaken werd afgewezen. Vervolgens verklaarde de minister het bezwaar tegen deze afwijzing tweemaal niet-ontvankelijk vanwege afwijkingen in de handtekening op het aanvraagformulier. Na intrekking van deze besluiten werd het bezwaar inhoudelijk ongegrond verklaard. Eiseres handhaafde haar beroep, maar dit bevatte geen inhoudelijke gronden.

De rechtbank oordeelde dat het beroep tegen de ingetrokken besluiten niet-ontvankelijk was omdat eiseres geen belang meer had bij inhoudelijke beoordeling daarvan. Tevens werd het beroep tegen het inhoudelijke besluit niet-ontvankelijk verklaard wegens het ontbreken van gronden, ondanks een verzoek tot aanvulling. Er werd geen proceskostenvergoeding toegekend.

De uitspraak werd mondeling gedaan op 25 juni 2026 en is niet vatbaar voor hoger beroep of verzet. De procedure verliep in Utrecht en de rechtbank wees erop dat het beroep mede betrekking had op het latere besluit van 12 november 2025 conform de Awb.

Uitkomst: Het beroep tegen de visumafwijzing is niet-ontvankelijk verklaard wegens het ontbreken van gronden en intrekking van eerdere besluiten.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: AWB 25/17313
proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de enkelvoudige kamer van 25 juni 2026 in de zaak tussen

[eiseres] , V-nummer: [V-nummer] , eiseres

(gemachtigde: B. Elhilmi),
en

de minister van Buitenlandse Zaken, de minister

(gemachtigde: mr. P.M.W. Jans).

Procesverloop

1. Eiseres heeft een aanvraag ingediend voor een visum kort verblijf. De minister heeft deze aanvraag met het besluit van 29 oktober 2024 afgewezen. Met het besluit van 5 augustus 2025 heeft de minister het bezwaar niet-ontvankelijk verklaard, omdat de handtekening van eiseres sterk afweek van de handtekening op het visumaanvraagformulier. Eiseres heeft tegen dit besluit beroep ingediend met een herziene machtiging.
1.1.
Met het besluit van 8 oktober 2025 is het bezwaar opnieuw niet-ontvankelijk verklaard om dezelfde reden. In dat besluit is vermeld dat dit besluit het besluit van 5 augustus 2025 vervangt. Eiser heeft tegen dat besluit aanvullende gronden ingediend met opnieuw een herziene machtiging. [1]
1.2.
Met het bestreden besluit van 12 november 2025 is inhoudelijk beslist op het bezwaar van eiseres en is het bezwaar kennelijk ongegrond verklaard. Eiseres heeft haar eerder ingediende beroep gehandhaafd. [2]
1.3.
De minister heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
1.4.
Na afloop van zitting heeft de rechtbank onmiddellijk uitspraak gedaan.

Beoordeling door de rechtbank

2. De rechtbank verklaart:
- het beroep, voor zover gericht tegen het besluit van 5 augustus 2025, niet-ontvankelijk;
- het beroep, voor zover gericht tegen het besluit van 8 oktober 2025, niet-ontvankelijk; en
- het beroep, voor zover gericht tegen het besluit van 12 november 2025, niet-ontvankelijk.

Overwegingen

3. De rechtbank geeft hiervoor de volgende motivering.
4. Nu de minister de besluiten van 5 augustus 2025 en 8 oktober 2025 heeft ingetrokken en deze uiteindelijk zijn vervangen door het besluit van 12 november 2025, heeft eiseres geen belang meer bij een inhoudelijke beoordeling van de besluiten van 5 augustus 2025 en 8 oktober 2025. De rechtbank verklaart het beroep, voor zover dat is gericht is tegen deze besluiten, daarom niet-ontvankelijk.
5. De rechtbank stelt vast dat het gehandhaafde beroep tegen het besluit van 12 november 2025 geen gronden bevat die tegen dat besluit zijn gericht. De rechtbank heeft eiseres bij brief van 9 juni 2026 verzocht om de gronden binnen één week aan te vullen om dit verzuim te herstellen. [3] Eiseres heeft binnen deze termijn geen gronden ingediend. Daarom verklaart de rechtbank het beroep, voor zover dat is gericht tegen het besluit van 12 november 2025, ook niet-ontvankelijk.
6. Voor proceskostenvergoeding bestaat geen aanleiding
7. De rechtbank heeft op de zitting erop gewezen dat hoger beroep tegen de mondelinge uitspraak niet mogelijk is.
Deze uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 25 juni 2026 door mr. G. Schnitzler, rechter, in aanwezigheid van mr. M.M. Tank, griffier.
griffier
rechter
Een afschrift van dit proces-verbaal is verzonden aan partijen op:

Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.

Voetnoten

1.Op grond van 6:19, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) heeft het reeds ingediende beroep mede betrekking op het besluit van 8 oktober 2025.
2.Nadat vervolgens het besluit van 12 november 2025 is genomen, heeft het beroep op grond van artikel 6:19, eerste lid, van de Awb eveneens van rechtswege mede betrekking op dat besluit.
3.Zoals bedoeld in artikel 6:6 van Pro de Awb in samenhang gelezen met artikel 6:5, eerste lid, aanhef en onder d, van de Awb.