ECLI:NL:RBDHA:2026:19604
Rechtbank Den Haag
- Proces-verbaal
- Rechtspraak.nl
Niet-ontvankelijkheid beroep tegen visumafwijzing wegens ontbreken van gronden
Eiseres diende een aanvraag in voor een kort verblijf visum, welke door de minister van Buitenlandse Zaken werd afgewezen. Vervolgens verklaarde de minister het bezwaar tegen deze afwijzing tweemaal niet-ontvankelijk vanwege afwijkingen in de handtekening op het aanvraagformulier. Na intrekking van deze besluiten werd het bezwaar inhoudelijk ongegrond verklaard. Eiseres handhaafde haar beroep, maar dit bevatte geen inhoudelijke gronden.
De rechtbank oordeelde dat het beroep tegen de ingetrokken besluiten niet-ontvankelijk was omdat eiseres geen belang meer had bij inhoudelijke beoordeling daarvan. Tevens werd het beroep tegen het inhoudelijke besluit niet-ontvankelijk verklaard wegens het ontbreken van gronden, ondanks een verzoek tot aanvulling. Er werd geen proceskostenvergoeding toegekend.
De uitspraak werd mondeling gedaan op 25 juni 2026 en is niet vatbaar voor hoger beroep of verzet. De procedure verliep in Utrecht en de rechtbank wees erop dat het beroep mede betrekking had op het latere besluit van 12 november 2025 conform de Awb.
Uitkomst: Het beroep tegen de visumafwijzing is niet-ontvankelijk verklaard wegens het ontbreken van gronden en intrekking van eerdere besluiten.